Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:585

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
09/842247-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal vergezeld van geweld. Drie daders spreken af in te breken in een woning, waarbij zij in de veronderstelling waren dat er niemand thuis was. Tijdens de inbraak worden zij geconfronteerd met de bewoonster. Vervolgens wordt door twee van drie verdachten geweld gebruikt. Is hier sprake van medeplegen van de geweldshandelingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842247-18

Datum uitspraak: 28 januari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, huis van bewaring De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 1 oktober 2018 (pro forma), 18 december 2018 (pro forma) en 14 januari 2019 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. Huisman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. V.H. Hammerstein naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juni 2018 te ’s-Gravenhage,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ketting en/of een of meer oorbellen en/of een tas en/of een portemonnee en/of een zilveren munt, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het met kracht vastpakken van die [slachtoffer] en/of

- het slaan van die [slachtoffer] en/of

- het houden van een voorwerp tegen de keel/nek van die [slachtoffer] en/of

- het trekken aan de haren van die [slachtoffer] en/of

- het van die [slachtoffer] afpakken van een ketting en/of een of meer oorbellen en/of

- het toevoegen aan die [slachtoffer] van de woorden: 'ik schiet je dood, waar is het geld, waar is je kluis?', althans woorden van dergelijke strekking;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding ten laste gelegde. Op haar specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van de diefstal van de in de tenlastelegging opgenomen goederen, met uitzondering van de oorbellen. Zij heeft zich tevens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de geweldhandelingen, zoals deze onder het eerste en vijfde gedachtestreepje zijn ten laste gelegd, te weten het met kracht vastpakken van aangeefster en het afpakken van haar ketting. De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van de overige ten laste gelegde geweldshandelingen, nu zowel de verdachte als zijn medeverdachten stellig hebben ontkend dat deze handelingen hebben plaatsgevonden en de verklaring van aangeefster op deze punten niet wordt ondersteund door enig ander (objectief) bewijsmiddel. Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat bij haar beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende feiten en omstandigheden, die hun oorsprong vinden in de bewijsmiddelen die in de voetnoten zijn vermeld.1

Aangifte door [slachtoffer]

heeft verklaard dat zij op 16 juni 2018 op de bovenste verdieping in haar woning in Den Haag lag te slapen toen zijn door het alarm werd gewekt. Zij stapte naakt uit bed en liep naar beneden. Op de overloop van de eerste verdieping zag zij ineens twee mannen (door haar aangeduid als man 1 en man 2) staan. Een derde man (door haar aangeduid als man 3) stond op de trap naar beneden. Aangeefster verklaarde dat man 1 haar met kracht bij haar linkerarm beetpakte en hier met kracht aan trok. Man 2 pakte haar aan haar andere arm vast. Man 3 was naar beneden verdwenen.2

Aangeefster heeft verklaard dat man 1 aan haar arm trok en haar duwde. Hij sloeg haar hard op haar hoofd en schreeuwde: “waar is het geld, waar is het geld”. Ook trok hij aan haar haren. Man 1 zei: “ik schiet je dood, ik schiet je dood”. Man 2 had haar bij haar andere arm vast en zei tegen man 1: “doe rustig met haar”. Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij zichzelf met man 1 en 2 naar de badkamer worstelde: beide mannen trokken aan haar armen en duwden haar. Aangeefster heeft een handdoek van de badrand getrokken en deze omgeslagen. Man 1 heeft haar geen moment losgelaten. Hij bleef constant aan haar arm trekken en hard in haar arm knijpen. Ook schreeuwde hij constant: “waar is het geld”. Aangeefster herhaalde de hele tijd dat zij geen geld had. Het alarm stond nog steeds aan. Op een bepaald moment hoorde aangeefster man 3 vanaf beneden roepen: “opschieten, opschieten”.3

Aangeefster heeft voorts verklaard dat man 1 haar aan haar armen uit de badkamer trok en dat hij haar constant op haar hoofd bleef slaan. Man 1 en 2 duwden haar naar de trap. Een van de mannen probeerde de hele tijd haar hoofd naar beneden te houden. Man 1 trok haar aan haar haren de trap af. Man 2 liep voor haar de trap af. Aangeefster verklaarde dat man 1 haar naar de woonkamer duwde. Hij duwde haar vervolgens op de bank. Man 2 stond ter hoogte van de bank en man 3 stond in de hal bij de voordeur. Man 1 heeft op dat moment haar ketting vastgepakt en van haar nek afgetrokken. Man 2 zei toen: “doe dat niet”.4

Het alarm stond nog steeds aan. Man 3 riep vanuit de hal: “zet uit, zet uit”. Man 1 trok haar van de bank en duwde haar naar de hal om het alarm uit te zetten. Aangeefster zette het alarm uit. Man 1 schreeuwde: “waar is de kluis, waar is de kluis, ik schiet je dood”. Aangeefster heeft verklaard dat man 1 de trap opliep en dat man 2 en man 3 bij haar in de hal bleven staan. Aangeefster zag dat de voordeur van de knip was en besloot haar woning uit te vluchten. Zij verstopte zich in de bosjes en van daar zag zij eerst man 2 haar woning uitkomen. Kort daarna kwamen man 1 en man 3 samen haar woning uit. Man 1 deed haar Gucci rugzak op zijn rug. Aangeefster heeft vervolgens de autosleutels gepakt en is naar vrienden gereden.5

Aangeefster heeft verklaard dat in de Gucci tas een portemonnee en een zilveren munt zaten. Zij had blauwe plekken op haar armen6 van het knijpen, duwen en trekken. Ook heeft zij verklaard dat zij door de klappen op haar hoofd enorme hoofdpijn en een bult op haar hoofd had gekregen.7

[getuige]

heeft verklaard dat aangeefster op 16 juni 2018 om 06:30 uur bij haar aanbelde. Aangeefster was helemaal overstuur. Aangeefster vertelde haar dat ze door drie Marokkanen was beroofd. Ze had klappen gekregen op de eerste etage en ze was aan haar haren naar beneden getrokken. [getuige] verklaarde dat aangeefster zei dat ze op de bank was gegooid of geduwd en dat haar ketting toen was afgetrokken. Aangeefster moest hierna het alarm afzetten en zag kort daarna kans te vluchten. [getuige] zag grote blauwe plekken op de linkerarm van aangeefster en voelde een behoorlijke bult op haar hoofd.8

Aanhoudingen en herkenningen

[medeverdachte] heeft zichzelf op 20 juni 2018 bij de politie gemeld nadat de politie zijn rijbewijs had gevonden in een door [medeverdachte] gehuurde auto die in de buurt van de woning van [slachtoffer] was aangetroffen en daarover contact met hem had gezocht. [medeverdachte] heeft de weggenomen Gucci tas aan de politie overgedragen en is vervolgens direct aangehouden.9 Op de telefoon van [medeverdachte] is een filmpje aangetroffen dat is gemaakt op 15 juni 2018 om 21:19 uur. Op het filmpje zijn de drie personen te zien die voorafgaand, ten tijde en na de overval op camerabeelden uit de woning en uit de omgeving van de woning te zien waren.10 Naast [medeverdachte] , werden [verdachte] en [medeverdachte 2] door verbalisanten herkend op de camerabeelden.11 [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens op 27 juni 2018 aangehouden.12

Aangeefster heeft op foto’s van beelden van een beveiligingscamera uit de buurt twee van de daders aan hun gezicht herkend, te weten man 1 en man 2, die met blote benen loopt. Aangeefster heeft verklaard dat de man die zei herkende als man 1 de meest agressieve man was. De derde persoon, de man die op de foto’s een capuchon op heeft, herkende zij niet aan zijn gezicht, omdat zij dat ook niet goed heeft gezien.13 Wel herkende zij het blauwe jasje dat deze derde persoon draagt als het jasje dat man 3 ook droeg.14 De man die door aangeefster is aangewezen als man 1 is door een verbalisant herkend als [verdachte]15. De man die door aangeefster is aangewezen als man 2 is door een verbalisant herkend als [medeverdachte]16. Aan aangeefster is tevens een tweetal foto’s van [medeverdachte] getoond. Zij heeft hem – voor 99 procent – herkend als zijnde man 2 uit haar verklaring.17 Een verbalisant heeft op een filmpje afkomstig van een beveiligingscamera uit de buurt de man met het lichtblauwe jasje herkend als [medeverdachte 2]18. Een andere verbalisant heeft [medeverdachte 2] aan zijn haar en gezicht herkend op een filmpje waar de drie verdachten op staan.19

De verklaringen van de verdachten

De verdachten hebben bekend dat zij op 16 juni 2018 in de woning van aangeefster in Den Haag hebben ingebroken.

[verdachte] heeft verklaard dat zij op het idee kwamen om een inbraak te plegen en dat zij op een gegeven moment een woning zagen waarvan zij vermoedden dat niemand aanwezig was. Dit vermoeden werd bevestigd door het feit dat niet werd gereageerd op het geluid dat hij had veroorzaakt door een kunststof dakje te breken. Om te kijken of er na het geluid een reactie volgde, zijn zij nog een blokje omgelopen en hebben een kwartier gewacht zo heeft [verdachte] verklaard. [verdachte] is hierop met [medeverdachte 2] op het dak geklommen waarop hij door het dak viel. Hij kwam in de serre terecht. Ook [medeverdachte 2] kwam naar beneden. [verdachte] heeft verklaard dat het alarm afging toen hij door de woonkamer liep. Hij is toen de trap opgerend en zag aangeefster staan. [verdachte] heeft verklaard dat hij aangeefster bij haar beide bovenarmen heeft gepakt om haar de trap af te begeleiden. Hij heeft haar toen stevig vastgepakt. Hij heeft haar naar de woonkamer begeleid en op de bank laten zitten. Ergens in de tussentijd moet hij de voordeur voor [medeverdachte] hebben opengedaan. [verdachte] heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd het alarm uit te zetten en dat hij heeft gezocht naar iets van waarde. Hij zocht in kastjes en rende naar boven. Daarna is hij de woning uitgerend. [verdachte] heeft verklaard dat hij een Gucci rugtas heeft weggenomen en dat het zou kunnen dat hij de ketting van de hals van aangeefster heeft getrokken.20 Hij heeft ontkend dat hij aangeefster heeft geslagen en aan haar haren heeft getrokken. Hij heeft ook ontkend dat hij heeft gedreigd met geweld.

[medeverdachte] heeft verklaard dat ze aan het zoeken waren om ergens in te breken. Ze hebben bij meerdere woningen gekeken. Het was niet gepland. Ze konden bij de woning van aangeefster naar binnen. De voordeur is voor hem opengedaan en zo is hij binnengekomen. [medeverdachte] heeft verklaard dat toen hij aangeefster naakt de trap af zag komen hij meteen heeft geroepen: “raak haar niet aan”. Op het moment dat [verdachte] met aangeefster naar de woonkamer liep, riep hij: “laat haar met rust”. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij niets heeft gestolen en dat hij is weggerend, nadat hij aangeefster zag wegrennen.21 Hij heeft ontkend dat hij aangeefster heeft aangeraakt.

Ook [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de inbraak niet gepland was. Hij verklaarde dat het toevallig was dat ze daar waren beland en dat de inbraak uit de hand gelopen was. Hij wist niet dat er iemand thuis was: dit was toeval. Het was niet de bedoeling. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij aangeefster met geen vinger heeft aangeraakt. Hij is via het dak de woning in gekomen. Het alarm ging toen af. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij beneden een beetje in lades heeft gekeken en dat hij is weggegaan. Hij heeft verklaard dat hij niet weet wat de anderen hebben gedaan: hij was alleen met zichzelf bezig.22

Conclusie

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte 2] gezamenlijk in de woning van aangeefster hebben ingebroken met het voornemen om daar goederen weg te nemen. Er zijn vervolgens ook daadwerkelijk goederen gestolen, namelijk een ketting, een tas, een portemonnee en een zilveren munt. Daarbij is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke voorbereiding en uitvoering. De rechtbank acht niet bewezen dat er ook oorbellen zijn weggenomen, nu aangeefster daarover alleen heeft verklaard dat kennelijk ook haar oorbellen uit haar oren zijn gehaald, maar dat ze geen idee heeft hoe dit is gegaan. Nu het dossier verder geen steun biedt dat er ook oorbellen zijn weggenomen, zal de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen verklaren.

De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster dat [verdachte] en [medeverdachte] , toen zij aangeefster op de trap tegenkwamen, geweld tegen haar hebben gebruikt. Deze verklaring van aangeefster vindt steun in de door de politie en [getuige] waargenomen blauwe plekken op de armen van aangeefster en in de door [getuige] geconstateerde bult op het hoofd van aangeefster. Daar komt bij dat de aangeefster direct na het gebeuren over de gang van zaken aan [getuige] hetzelfde heeft verteld als zij tegenover de politie heeft verklaard. Ook vindt de verklaring van aangeefster deels steun in de verklaring van [verdachte] dat hij haar stevig bij haar bovenarmen heeft vastgepakt. Daarnaast wordt het geweld ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] dat hij heeft geroepen: “laat haar met rust” en “raak haar niet aan”. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat hij deze woorden zou zeggen als hij niets gezien zou hebben en er niets gebeurd zou zijn.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [verdachte] en [medeverdachte] aangeefster aan haar armen hebben vastgepakt, dat [verdachte] daarbij heeft geslagen, aan de haren van aangeefster heeft getrokken en bedreigingen heeft geuit. Aangeefster heeft [medeverdachte] aan zijn gezicht herkend als de man die zij heeft omschreven als man 2. Dat zij niet heeft opgemerkt dat hij in zijn onderbroek liep, doet hier niets aan af. Aangeefster heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard dat man 2, die zei dat er rustig met haar moest worden gedaan, haar ook vast heeft gepakt en erbij stond toen haar ketting door man 1 – zijnde de verdachte – van haar hals werd afgetrokken. [verdachte] en [medeverdachte] hebben aldus allebei een aandeel gehad in het tegen aangeefster gepleegde geweld en hadden hiermee hetzelfde doel voor ogen, namelijk het wegnemen van goederen. Daarmee is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dat levert medeplegen op.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat ook [medeverdachte 2] als medepleger kan worden aangemerkt van de geweldshandelingen. Noch uit de verklaring van aangeefster noch uit de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte 2] volgt immers dat [medeverdachte 2] deel zou hebben genomen of bijgedragen aan de tenlastegelegde geweldshandelingen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou volgen dat [medeverdachte 2] wat betreft de geweldshandelingen nauw en bewust heeft samengewerkt met [verdachte] en [medeverdachte] .

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de aan de aan hem ten laste gelegde woninginbraak vergezeld van geweld, op de wijze zoals in de bewezenverklaring hieronder nader aangeduid.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 16 juni 2018 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting en een tas en een portemonnee en een zilveren munt toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het met kracht vastpakken van die [slachtoffer] en

- het slaan van die [slachtoffer] en

- het trekken aan de haren van die [slachtoffer] en

- het van die [slachtoffer] afpakken van een ketting en

- het toevoegen aan die [slachtoffer] van de woorden: 'ik schiet je dood, waar is het geld, waar is je kluis?'.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – gelet op de straftoemetingsrichtlijnen van het openbaar ministerie voor het plegen van een woningoverval – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voorop gesteld dat sprake is geweest van een (uit de hand gelopen) woninginbraak gevolgd door geweld en niet van een vooraf geplande woningoverval. Voor woninginbraken al dan niet gevolgd van geweld gelden andere straftoemetingsrichtlijnen dan voor gewelddadige woningovervallen. De raadsvrouw heeft verzocht uit te gaan van de geldende richtlijnen voor woninginbraken met geweld en aansluiting te zoeken bij hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd. Zij heeft daarom verzocht te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het thans door de verdachte ondergane voorarrest. De raadsvrouw heeft bepleit daarnaast een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en begeleid wonen. De raadsvrouw heeft voorts verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Op 16 juni 2018 heeft de verdachte samen met twee mededaders het plan opgevat in te breken. Na te hebben rondgekeken in de buurt is het oog op de woning van aangeefster gevallen, waarbij zij ervan uitgingen dat er niemand thuis was. Toen zij aangeefster vervolgens toch in de woning aantroffen, heeft de verdachte samen met een medeverdachte geweld tegen haar gebruikt. Aangeefster is hierbij vastgepakt, zij is op haar hoofd geslagen en aan haar haren getrokken en haar ketting is van haar hals getrokken. Aangeefster heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van blauwe plekken en een bult op haar hoofd. Dit is een buitengewoon ernstig feit. Het is bekend dat de negatieve psychische gevolgen van dergelijke gewelddadige feiten voor een slachtoffer nog lang kunnen aanhouden, hetgeen ook het geval is bij aangeefster, zo is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen. Aangeefster heeft de gebeurtenis als zeer angstaanjagend en traumatiserend ervaren. Ze durft zelfs niet meer alleen in haar eigen woning te verblijven. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor maatschappelijke onrust en versterken zij de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft hier geen oog voor gehad, maar kennelijk slechts gehandeld uit eigen financieel gewin. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank heeft ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij blijkens zijn strafblad van 28 juni 2018 reeds eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een reclasseringsrapport van 27 september 2018 over de verdachte. De reclassering heeft geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zij heeft in het kader van de detentiefasering of de voorwaardelijke invrijheidsstelling een aantal bijzondere voorwaarden geformuleerd. Zo dient de verdachte zich verplicht te melden bij de reclassering, te verblijven in een passende woonvoorziening voor ex-gedetineerden en een ambulante behandeling in het kader van delictpreventie te volgen bij De Waag of een soortgelijke instelling. Verder acht de reclassering een contactverbod met aangeefster en de mededaders, alsmede een locatieverbod en -gebod met elektronisch toezicht aangewezen.

Gelet op de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank een gevangenisstraf van geruime duur op zijn plaats. De rechtbank zal daarbij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Hierbij speelt voor de rechtbank met name een rol dat het plan van de verdachte en zijn medeverdachten niet was om een woning te overvallen waar bewoners aanwezig waren en daarbij geweld tegen die bewoners te gebruiken. De intentie was om een inbraak te plegen in een woning waar niemand aanwezig was. Dat aangeefster is geconfronteerd met de daders en dat er geweld is gebruikt, was dus geen onderdeel van het vooraf gemaakte plan. Daarnaast speelt de mate van het vastgestelde en door de verdachte gepleegde geweld en het daaruit ontstane letsel een rol. De rechtbank heeft gekeken wat voor straffen worden opgelegd in dergelijke omstandigheden. De rechtbank neemt als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat de verdachten niet gevlucht zijn toen zij zich realiseerden dat er wel iemand thuis was en dat geweld is gebruikt om verder te kunnen zoeken en meer buit te verkrijgen. Zo is aangeefster gedwongen plaats te nemen op de bank, is nog gevraagd het alarm uit te zetten en is er gevraagd waar de kluis zich bevindt. De rechtbank ziet in de ernst van het feit, de lichamelijke en psychische gevolgen voor aangeefster en het strafblad van de verdachte geen aanleiding om de door de verdediging voorgestelde strafmaat te volgen, te weten een straf gelijk aan de duur van het voorarrest. De rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte een langere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan aan zijn mededader [medeverdachte] , nu het geweld tegen het slachtoffer voornamelijk is gepleegd door de verdachte. Ook heeft de verdachte een grotere en sturende rol gehad bij het strafbare feit. Hij is immers degene geweest die in eerste instantie het dak op is gegaan en het heeft stuk gemaakt en hij is als eerste naar binnen gegaan. Ook heeft hij als eerste geweld gebruikt door het slachtoffer vast te pakken.

Alles afwegende en gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. Een deel van de gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en om begeleiding van de verdachte mogelijk te maken en zo de kans op herhaling verder te verkleinen. De rechtbank geeft de voorkeur aan een voorwaardelijk strafdeel boven een eventuele voorlopige invrijheidsstelling, omdat het toezicht bij een voorwaardelijk strafdeel langduriger zal zijn. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een behandelverplichting bij De Waag en verplicht begeleid wonen worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte een contactverbod en een locatiegebod en -verbod op te leggen met daaraan gekoppeld elektronisch toezicht.

Gelet op de straf die de rechtbank oplegt weegt het strafvorderlijk belang zwaarder dan het persoonlijk belangen van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit leidt dan ook tot afwijzing van verzoek van de verdediging tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.540,52, bestaande uit € 1.500,- aan immateriële schade en € 1.040,52 aan materiële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke, hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.500,-, zijnde de gevorderde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk-verklaring van de benadeelde partij ten aanzien van het gevorderde materiële schadebedrag van € 1.040,52.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht, hoewel de verdachte bereid is de gevorderde schade geheel te voldoen, de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde materiële schade.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Hoewel de keuze van de benadeelde partij om een appartement te huren nu zij niet meer alleen in de woning durft te verblijven als gevolg van het strafbare feit, invoelbaar is, kunnen de huurpenningen niet als rechtstreekse schade worden geduid.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid het gevorderde bedrag van € 1.500,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.500,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 16 juni 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 8 (acht) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (adres: Weesperzijde 70 te Amsterdam) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd in het kader van delictpreventie onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische psychiatrie, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten in een nader door de reclassering te bepalen passende woonvoorziening voor ex-gedetineerden, en zich houdt aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

geeft opdracht aan het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] , een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.F.H. van Eijk, voorzitter,

mr. M.P.M. Loos, rechter,

mr. D.E. Alink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer BVH2018159229, van de politie Den Haag, districtsrecherche Zuid, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 342).

2 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 16 juni 2018, p. 49.

3 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 16 juni 2018, p. 50; het proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 18 juli 2018, p. 312.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 16 juni 2018, p. 50.

5 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 16 juni 2018, p. 50-51.

6 Bij de (aanvullende) aangifte zijn foto’s van het letsel aan de armen gevoegd, p. 57-60 en p. 69-70.

7 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 16 juni 2018, p. 50-51.

8 Het proces-verbaal van verhoor [getuige] , d.d. 20 juni 2018, p. 105-106.

9 Het proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte] , d.d. 20 juni 2018, p. 13-14; het proces-verbaal bevindingen Gucci tas verdachte, d.d. 21 juni 2018, p. 140.

10 Het proces-verbaal camerabeelden woning [slachtoffer] , d.d. 19 juni 2018, p. 185-186; het proces-verbaal bevindingen tel beelden in Volvo, d.d. 25 juni 2018, p. 191-193.

11 Het proces-verbaal bevindingen blauwe jas, d.d. 27 juni 2018, p. 196-197.

12 Het proces-verbaal van aanhouding [verdachte] , d.d. 27 juni 2018, p. 153; het proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 2] , d.d. 27 juni 2018, p. 170.

13 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 17 juni 2018, p. 61-62

14 Het proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , d.d. 18 juli 2018, p. 311-314.

15 Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, d.d. 18 juni 2018, p. 209: [verdachte] draagt een zwart longshirt met opschrift.

16 Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, d.d. 18 juni 2018, p. 201: [medeverdachte] is degene met het geblokte shirt en de korte broek.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 juni 2018, p. 82.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juni 2018, p. 227: [medeverdachte 2] draagt een lichtblauw jasje.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 juni 2018, p. 232-236.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , d.d. 28 juni 2018, p. 249; het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , d.d. 6 juli 2018, p. 295-297; de eigen verklaring van de verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 14 januari 2019.

21 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , d.d. 21 juni 2018, p. 36, 37, 41; het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , d.d. 29 augustus 2018, p. 327-328.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , d.d. 27 juni 2018, p. 241, 242 en 245; het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , d.d. 29 augustus 2018, p. 332-333.