Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5818

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
NL19.9776 en 19.9777
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat hij daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.9776 (beroep) en NL19.9777 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 16 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J.J.A. Hendriks),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert allereest aan dat ten aanzien van Italië in zijn dossier niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zoals blijkt uit de als bijlage 1 bij de zienswijze overgelegde e-mails van 28 en 29 maart 2019 en 2 april 2019 van [naam 1] , die in Italië heeft gewerkt voor de Italiaanse asielautoriteiten, verbleef eiser in Italië in een tijdelijke noodvoorziening voor de opvang van vluchtelingen (hierna: CAS-locatie). De communicatie over de asielaanvraag van eiser in Italië liep via de beheerder van die CAS-locatie. Uit de dossierstukken leidt de gemachtigde van eiser af dat het om een soort boerderij ging waarin vakantieverblijven verhuurd werden. De opvang daar was buitengewoon slecht. Daarover is door vluchtelingen, waaronder eiser, bij de beheerder geklaagd. Die heeft hem (en andere bewoners) op 9 januari 2017 op straat gezet en bij de autoriteiten gemeld dat zij zich misdragen zouden hebben. Daardoor, zo heeft deze beheerder medegedeeld, is zijn asielaanvraag op die grond afgewezen. Doordat eiser dakloos was is hij verder Italië ingetrokken en heeft hij geen ondersteuning van enige hulpverlener meer kunnen vinden. Daardoor is er ook geen rechtsmiddel tegen het asielbesluit aangewend. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar pagina 88 van het ‘Country Report: Italy – 2018 Update’ van de Asylum Information Database van april 2019 (hierna: AIDA-rapport). Daaruit volgt dat het in Italië regelmatig voorkomt dat beheerders van CAS-voorzieningen ten onrechte vluchtelingen als lastpost melden waardoor hun asielaanvraag niet meer inhoudelijk wordt beoordeeld. Omdat de asielaanvraag van eiser om die reden is afgewezen, heeft dit ook gevolgen voor zijn herhaalde aanvraag. De herhaalde aanvraag zal niet-ontvankelijk worden verklaard en eventuele rechtsmiddelen tegen dat besluit zullen geen schorsende werking meer hebben. Eiser zal dan met een uitzetbevel, dat hem reeds eerder zal zijn uitgevaardigd, naar Nigeria uitgezet worden. Eiser verwijst hierbij naar de pagina’s 58/59 en 73/74 van het AIDA-rapport waaruit blijkt dat indien eiser een herhaalde aanvraag doet gedurende de uitvoeringsfase van een verwijderingsprocedure, zijn herhaalde aanvraag automatisch niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege het vertragen en voorkomen van zijn uitzetting.

Eiser stelt ten tweede onder verwijzing naar de pagina’s 55/56 van het AIDA-rapport, dat hij – voor zover hij na overdracht de gelegenheid krijgt zijn wens nog kenbaar te maken om een herhaalde aanvraag in te dienen – na overdracht naar Italië vanuit het vliegveld van Turijn door de politie wordt verwezen naar de questura waar hij zijn eerste aanvraag heeft ingediend. In eisers geval is dat Oristano op Sardinië. Eiser zal zich daar binnen een paar dagen moeten melden. Eiser beschikt echter niet over de middelen om Sardinië te bereiken. In de tussentijd heeft eiser geen recht op opvang. Voorts zal eiser na overdracht naar Italië als dakloze vluchteling slechts bij hoge uitzondering toegang tot de rechtelijke macht vinden. Zonder opvang of ander adres is door de overheid gefinancierde rechtshulp niet meer toegankelijk. Het aanwenden van rechtsmiddelen zal bovendien niet afdoende effectief zijn, nu dit in de situatie van eiser geen opschortend effect heeft.

Al het voorgaande komt er op neer dat zijn asielaanvraag inhoudelijk onbeoordeeld blijft. Zulks ten gevolge van falende opvang en onrechtmatig handelen van de beheerder van noodvoorzieningen zoals die waarin eiser werd opgevangen. Eiser stelt dat dit een structurele tekortkoming is van het Italiaanse asielstelsel.

3.1

Verweerder stelt zich samengevat op het standpunt dat nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat in Italië geen systematische tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verweerder verwijst hierbij naar onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:130) en 29 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:277), alsmede de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 maart 2019 (CLI:NL:RBDHA:2019:3151, ECLI:NL:RBDHA:2019:3152 en ECLI:NL:RBDHA:2019:3148) en zittingsplaats Amsterdam van 18 april 2019 (zaaknummer NL19.7448). Eiser heeft met de door hem ingebrachte informatie niet aannemelijk gemaakt dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen die ernstige op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat hij een reëel risico zal lopen op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Hoewel uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de situatie in de betreffende opvanglocatie " [naam opvanglocatie] " ten tijde van het verblijf van eiser zorgwekkend was, blijkt uit de stukken niet dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De Italiaanse autoriteiten hebben kennelijk hun verantwoordelijkheid genomen door dit betreffende opvangcentrum in september 2017 te sluiten. Enkele vluchtelingen hebben hierna psychische hulp gekregen. Hieruit blijkt dat Italië wel degelijk optreedt tegen tekortkomingen. Niet gebleken is dat eiser zich bij voorkomende problemen in Italië niet kan wenden tot de (hogere) autoriteiten dan wel de geëigende instanties. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de stellingen van eiser niet onderbouwd zijn maar gebaseerd zijn op aannames. Eiser heeft op geen enkele manier onderbouwd om welke reden zijn asielaanvraag daadwerkelijk is afgewezen. Verweerder stelt onder verwijzing naar pagina 58 van het AIDA-rapport dat het niet-ontvankelijk verklaren van een herhaalde aanvraag gedurende de uitvoeringsfase van een verwijderingsprocedure slechts een bevoegdheid betreft. Dat wil niet zeggen dat van deze bevoegdheid ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt. Verder acht verweerder het geen onmogelijk obstakel voor eiser om zo nodig van Turijn naar Sardinië te reizen. In dit verband wijst verweerder naar pagina 56 van het AIDA-rapport waar staat dat Italië ten aanzien van Dublinclaimanten (waarbij het verzoek om terugname is aanvaard) de meest geschikte luchthaven aangeeft ten opzichte van de bij de vreemdeling betreffende questura, zodat deze questura makkelijk te bereiken is.

3.2

De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat verweerder er in beginsel op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt in beginsel op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De situatie in de opvanglocatie " [naam opvanglocatie] ", waar eiser stelt te hebben verbleven onder de omstandigheden die eiser heeft geschetst geeft, wat daar ook van zij, niet een zodanig ander beeld van de situatie als waar vanuit is gegaan in de door verweerder genoemde jurisprudentie, zodat er geen grond is voor het oordeel dat thans niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder stelt zich voorts niet ten onrechte op het standpunt dat de Italiaanse autoriteiten kennelijk hun verantwoordelijkheid hebben genomen door dit betreffende opvangcentrum in september 2017 te sluiten.

3.3

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het betoog van eiser ten aanzien van de inhoud van het besluit op zijn asielaanvraag in Italië is gebaseerd op veronderstellingen. De stelling van eiser dat zijn asielaanvraag is afgewezen reeds omdat hij zich zou hebben misdragen in de CAS-locatie waardoor zijn herhaalde asielaanvraag bij voorbaat geen kans van slagen heeft en die aanvraag inhoudelijk onbeoordeeld zal blijven, is niet onderbouwd noch aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft toegelicht dat eiser denkt dat zijn aanvraag om die reden is afgewezen, maar dat hij niet precies weet wat er in zijn asielbeschikking staat omdat hij zijn documenten is kwijtgeraakt. De conclusies die eiser aan zijn aannames heeft verbonden op basis van zijn verwijzingen naar passages in het AIDA-rapport, zoals het ontbreken van recht op opvang en rechtsmiddelen, worden daarom niet door de rechtbank gevolgd. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiser zo nodig kan worden verlangd dat hij vanuit Turijn naar Sardinië reist voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser heeft met het uiten van veronderstellingen niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in zijn geval ten aanzien van Italië niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgronden van eiser slagen niet.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.