Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:568

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7006
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure tussenuitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7006

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Looman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Drazenovic).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2017 (primair besluit I) heeft verweerder het recht van eiser op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 oktober 2013 ingetrokken.

Bij besluit van 10 april 2017 (primair besluit II) heeft verweerder de aan eiser in genoemde periode uitgekeerde bijstand ter grootte van € 54.898,19 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 30 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2018. Eiser noch zijn gemachtigde is, zoals van tevoren aangekondigd, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontving vanaf 1 november 2007 bijstand van verweerder, laatstelijk ingevolge de Pw. Verweerder heeft in september 2016 een heronderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte bijstand. Naar aanleiding van bij dit heronderzoek geconstateerde bijschrijvingen, en mede naar aanleiding van een anonieme tip dat eiser zich zou bezighouden met mensensmokkel, heeft verweerder bijzonder onderzoek naar eisers recht op bijstand laten doen. Uit het bijzonder onderzoek is gebleken dat, vanaf oktober 2013, in drie jaar en drie maanden tijd een bedrag van € 62.699,27 van eisers bankrekening is afgeschreven. De transacties zijn volgens verweerder te relateren aan casinobezoek. Voorts is vastgesteld dat in deze periode een bedrag van in totaal € 23.462,- (door derden) naar eisers bankrekening is overgemaakt.
1.2 Eiser heeft bij het bijzonder onderzoek en daarna verklaringen gegeven voor de uitgaven en bijschrijvingen. Kort samengevat komen die er op neer dat niet hij, maar zijn gokverslaafde ex-vriendin [X] ([X]) gokte in de casino’s. Daarom is het onredelijk om van eiser te verwachten dat hij administratie van de inkomsten en uitgaven zou hebben bijgehouden. Eiser leende [X] het geld en als zij wat won, kreeg hij dat contant van haar terug. De bij het bijzonder onderzoek geconstateerde bijschrijvingen betreffen volgens eiser terugbetalingen van eerder aan vrienden geleende bedragen en verder terugstortingen van eerder opgenomen eigen geldbedragen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn in de primaire besluiten ingenomen standpunt gehandhaafd dat het recht op bijstand over het grootste deel van de periode vanaf oktober 2013 niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft in die periode namelijk veel geld in casino’s uitgegeven zonder dat hij verweerder desgevraagd heeft kunnen uitleggen hoe hij dat van zijn bijstandsuitkering heeft kunnen betalen. Ook heeft hij geen administratie bijgehouden, zodat niet duidelijk is in hoeverre hij geld met zijn gokactiviteiten heeft gewonnen. Eisers verklaring, dat niet hij maar zijn ex-vriendin [X] in de casino's heeft gespeeld met geld dat eiser haar leende, heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Dit geldt ook voor eisers verklaringen over de bijschrijvingen: deze zijn niet te verifiëren aan de hand van objectief bewijs. Op de grond dat eiser van het voorgaande geen mededeling aan verweerder heeft gedaan en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet meer is vast te stellen, heeft verweerder dit met ingang van 1 oktober 2013 ingetrokken en van eiser een bedrag van € 54.898,19 aan onverschuldigd betaalde bijstand teruggevorderd. Verweerder heeft voorts, voor zover hij wél het recht op bijstand heeft kunnen vaststellen, dit over de maanden juni 2014, september 2014, maart 2015, augustus 2015, juli 2016, augustus 2016, november 2016 en december 2016 ingetrokken op de grond dat eiser in die maanden geen recht op bijstand had vanwege de bijstandsnorm overstijgende inkomsten.

3. Eiser handhaaft in beroep zijn verklaringen die hiervoor onder 1.2 van deze tussenuitspraak samengevat zijn weergegeven. Eiser stelt verder impliciet aan de inlichtingenverplichting te hebben voldaan, nu hij verweerder inzage heeft verleend in zijn uitgaven via de door hem bij het bijzonder onderzoek overgelegde bankafschriften. De door verweerder geconstateerde uitgaven tot een totaalbedrag van ongeveer € 63.000,- zijn te verklaren, nu hij naar eigen zeggen in de onderzochte periode ongeveer € 54.000,- aan bijstand en € 10.000,- aan schadevergoeding heeft ontvangen. Ten slotte stelt eiser dat verweerder in strijd met het proportionaliteitsbeginsel heeft gehandeld door niet nader te specificeren hoe het terug te vorderen bedrag is opgebouwd en door geen rekening te houden met eisers werkelijke behoeften.

4.1

De Pw is met ingang van 1 januari 2015 de formele bevoegdheidsgrondslag voor het toekennen, herzien, intrekken en terugvorderen van bijstand. Op de rechten en verplichtingen zijn in dit beroep echter, omdat het bestreden besluit ook gedeeltelijk betrekking heeft op een periode gelegen vóór 1 januari 2015, de bepalingen van zowel de Wet werk en bijstand (Wwb) als de Pw van toepassing.

4.2

De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand de te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2013 (de datum met ingang waarvan het recht op bijstand van eiser is ingetrokken) tot 5 april 2017 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.3

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb/Pw, voor zover relevant, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Wwb/Pw, voor zover relevant, trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.4

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105) is het besluit tot intrekking (en terugvordering) van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Verweerder zal dus aannemelijk moeten maken dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Schending van de inlichtingenverplichting levert volgens vaste jurisprudentie een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstand behoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad (zie de uitspraak van de CRvB van 6 februari 2018; ECLI:NL:CRVB:2018:389).
4.5 Vast staat dat eiser in de relatief korte periode van drie jaar en drie maanden een bedrag van € 62.699,27 aan kansspelgerelateerde activiteiten heeft uitgegeven, terwijl hij slechts een inkomen op bijstandsniveau had. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook vraagtekens kunnen plaatsen bij eisers uitgavenpatroon. Dat niet eiser, maar zijn gokverslaafde vriendin in het casino heeft gespeeld, heeft eiser weliswaar gesteld, maar niet met verifieerbare bewijsstukken, zoals getuigenverklaringen of een administratie van uitgeleende en terugbetaalde bedragen, aannemelijk gemaakt. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de uitgaven ten behoeve van eisers eigen gokactiviteiten zijn gedaan. Dit laat overigens onverlet dat zelfs als eisers verklaring over de ex-vriendin aannemelijk zou zijn, de vraag rijst hoe hij haar in drie jaar en drie maanden een bedrag van € 62.699,27 heeft kunnen lenen en verder nog in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Het laatste daargelaten, stelt de rechtbank vast dat (inkomsten uit) gokactiviteiten onmiskenbaar van belang zijn voor het recht op bijstand, zodat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Doordat eiser geen, laat staan een deugdelijke, administratie heeft bijgehouden van zijn inkomsten en uitgaven met betrekking tot zijn gokactiviteiten, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand, enkele maanden daargelaten, niet meer is vast te stellen.

4.6

Niet in geschil is dat in de periode in geding stortingen en bijschrijvingen op eisers bankrekening tot een totaalbedrag van € 23.462,- hebben plaatsgevonden die eiser niet uit eigen beweging, en dus in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, aan verweerder heeft doorgegeven. Eisers verklaringen over deze transacties zijn niet aannemelijk gemaakt. Eiser stelt in de eerste plaats bedragen van zijn bankrekening te hebben opgenomen en contant weer te hebben teruggestort, maar dat heeft hij niet geconcretiseerd.
Bovendien ondersteunen zijn bankafschriften deze verklaring niet. Niets duidt er op dat de contante stortingen zijn voorafgegaan door kas- of pinopnamen van om en nabij dezelfde grootte. Eiser heeft ook nog gesteld dat de bijschrijvingen en contante stortingen te maken hebben met de terugbetaling van eerder aan vrienden uitgeleende bedragen. Ook hiervoor ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank echter een objectieve en verifieerbare onderbouwing. Het dossier bevat weliswaar een drietal door derden afgelegde verklaringen, maar die kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Niet alleen zijn deze verklaringen achteraf opgesteld, maar voorts zijn deze in zeer algemene termen gesteld en wordt nergens concreet om welke transacties en totaalbedragen het gaat. Hiermee wordt de herkomst van stortingen en bijschrijvingen ter grootte van in totaal € 23.462,- derhalve niet verklaard.

4.7

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het recht op bijstand in de periode van 1 oktober 2013 tot 1 februari 2017 niet meer was vast te stellen, met dien verstande dat binnen deze periode door verweerder terecht is vastgesteld dat eiser in de maanden juni 2014, september 2014, maart 2015, augustus 2015, juli 2016, augustus 2016, november 2016 en december 2016 geen recht op bijstand had, omdat hij in die maanden stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekeningen heeft ontvangen, die de bijstandsnorm te boven gingen en waarvan gesteld noch gebleken is dat deze niet konden worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de CRvB van 24 juni 2018; ECLI:NL:CRVB:2018:2410) zijn periodieke stortingen en bijschrijvingen, zoals door eiser ontvangen, aan te merken als inkomen, zoals bedoeld in artikel 32 van de Wwb/Pw. Met dit inkomen moet bij de beoordeling van het recht op bijstand rekening worden gehouden. De conclusie is dat verweerder het recht op bijstand in de periode van 1 oktober 2013 tot 1 februari 2017 terecht heeft ingetrokken. Verweerder was ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw ook gehouden de ten onrechte of te veel verstrekte bijstand over die periode van eiser terug te vorderen. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan verweerder in eisers geval daarvan had moeten afzien.

4.8

Eiser is van mening dat het onduidelijk is hoe het terugvorderingsbedrag is opgebouwd en acht dit in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Deze grond treft geen doel. Het dossier bevat een uitgebreide berekening van het terugvorderingsbedrag, terwijl eiser niets heeft aangevoerd wat de rechtbank doet twijfelen aan de juistheid van die berekening. Eiser heeft in dit verband ook nog aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn werkelijke behoefte. De rechtbank overweegt daarover dat verweerder ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw verplicht was de ten onrechte verstrekte bijstand van eiser terug te vorderen, zodat er voor een belangenafweging, zoals door eiser gewenst, geen ruimte is.

4.9

Verweerder heeft het recht op bijstand ook over de maanden februari 2017 en maart 2017 ingetrokken en teruggevorderd. Uit het dossier blijkt echter niet dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van eisers recht op bijstand in deze twee maanden, zodat het bewijs dat eiser zijn inlichtingenverplichting ook toen niet is nagekomen ontbreekt. Verweerder is er – zoals verweerder ter zitting heeft uitgelegd – zonder nader onderzoek van uit gegaan dat eiser zijn gokactiviteiten na 1 februari 2017 heeft voortgezet, maar heeft erkend dat dat op niet meer dan een vermoeden berust. Dit betekent dat verweerder in zoverre aan het bestreden besluit onvolledig onderzoek ten grondslag heeft gelegd en dat het in zoverre berust op een ondeugdelijke motivering.

5. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

5.1

De rechtbank ziet aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken en verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dat kan verweerder doen door de motivering van het bestreden besluit te verbeteren, dan wel door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verweerder zal daartoe alsnog nader onderzoek moeten (laten) verrichten naar de rechtmatigheid van de aan eiser in de maanden februari 2017 en maart 2017 verstrekte bijstand. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

5.2

Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, de rechtbank meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

5.3

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.