Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5631

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
NL19.7762
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, yezidi, verblijf in vluchtelingenkamp KAR, onvoldoende gemotiveerd waarom het nog als vaste woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.7762


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).


Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2019.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Ahmad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Iraakse nationaliteit.

Aan zijn asielaanvraag heeft eiser, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Hij is geboren in het dorp [dorp] , in de gemeente [gemeente] , provincie [provincie] , Centraal Irak. Hij behoort tot de religieuze gemeenschap van Yezidi en is zijn geboortedorp op [datum] 2014 ontvlucht, toen IS het gebied aanviel. Hij is vervolgens met zijn familie gevlucht richting Zakho in de Koerdische Autonome Regio (KAR), waar hij van 13 augustus 2014 tot zijn vertrek uit Irak op 16 augustus 2018 in het vluchtelingenkamp [kamp] heeft verbleven.

3. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser geloofwaardig geacht. Maar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een situatie van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin noch van een reëel risico op ernstige schade, als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Weliswaar kunnen Yezidi’s in Irak worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep, maar voor eiser kan Zakho, in de provincie Duhok, in de KAR als plaats worden beschouwd waar hij zijn normale woon- en verblijfplaats had. Het vluchtelingenkamp [kamp] staat onder beheer van de UNHCR, zodat mag worden aangenomen dat wordt voorzien in de basisbehoeften, zoals onderdak, medische basisvoorzieningen en voedsel.

4. Eiser kan zich niet vinden in het besluit.

Het vluchtelingenkamp [kamp] in de KAR kan niet als de normale woon- of verblijfplaats van eiser worden aangemerkt. De situatie in het kamp is slecht. Eiser heeft daar foto’s van overgelegd. Yezidi’s kunnen daar niet gewoon functioneren. Zo is er geen of beperkte toegang tot mogelijkheden van levensonderhoud, is de situatie onveilig, onhygiënisch en is er een gebrek aan basisvoorzieningen. Er zijn beperkte medische voorzieningen en een zeer gebrekkig schoolsysteem. Yezidi’s worden in de KAR gediscrimineerd. Door de Koerden worden zij gedwongen zichzelf als Koerd dan wel Arabier aan te merken.

Eiser beroept zich hierbij op verschillende recente rapporten en recente nieuwsberichten over de uitzetting van Yezidi’s naar vluchtelingenkampen in de KAR van april 2019 en kamervragen die naar aanleiding daarvan worden gesteld. Eiser heeft onder meer gewezen op de antwoorden van Hatim Ido van 19 oktober 2018 op vragen van Vluchtelingenwerk Nederland, op het artikel ‘Years after genocide, Yazidi’s urgently need help’ van The Gatestone Institute van 27 juni 2018 en op het EASO-rapport ‘Iraq; Targeting of Individuals’, van maart 2019. Verder heeft eiser gewezen op een concept-rapport ‘Because Hope needs Help’ van het Yazidi Asylum project.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is in geschil of het vluchtelingenkamp [kamp] in Dudok in de KAR voor eiser als Yezidi kan worden aangemerkt als vaste woon- of verblijfplaats.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 september 2012 (201100976/1/V2) geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag wat kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden hij aldaar heeft verbleven.

Verweerder heeft zich voor zijn standpunt dat het vluchtelingenkamp [kamp] in Duhok in de KAR kan worden aangemerkt als vaste woon- of verblijfplaats gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van Irak van april 2018 en op de ‘IRAQ; IDP Camp Directory, Comparative Dashboard & Camp Profiles Round X’ van Reach van juli-augustus 2018.

Verweerder heeft ook verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 januari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:1905), waarin is geoordeeld dat het feit dat betrokkene in die zaak vier jaar heeft verbleven in de KAR in de provincie Duhok maakt dat dit als vaste woon en verblijfplaats kan worden aangemerkt omdat er in dat vluchtelingenkamp toegang was tot basisbehoeften.

Eiser heeft evenwel gewezen op recentere rapporten van onder meer EASO in maart 2019, het Yezidi Asylum project dat gaande is en de recente berichten in de media en kamervragen van april 2019. In deze stukken worden twijfels geuit over de omstandigheden in de kampen in de KAR en de positie van Yezidi’s.

Daarbij komt dat IS in Irak inmiddels is verdreven maar nog niet duidelijk is wat de gevolgen van de machtswisseling in de regio zijn voor Yezidi’s.

In dit licht kan verweerder zonder nader onderzoek naar de huidige situatie van vluchtelingenkampen in de KAR niet zonder meer vasthouden aan zijn standpunt dat het vluchtelingenkamp [kamp] aangemerkt kan worden als vaste woon- of verblijfplaats van eiser als Yezidi.

Gelet hierop heeft het besluit een onvoldoende draagkrachtige motivering en komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2019.

griffier rechter

De uitspraak is bekend gemaakt aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.