Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5589

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
C/09/540182 / HA ZA 17-1012
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1713, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Formele rechtskracht. De oorspronkelijke besluiten van de gemeente zijn in stand gebleven en hebben formele rechtskracht gekregen, zodat van de rechtmatigheid ervan moet worden uitgegaan. Voor zover de beslissing op bezwaar van de burgemeester is vernietigd vanwege een motiveringsgebrek kan, zolang nog geen nieuw besluit is genomen, niet geoordeeld worden dat het oorspronkelijke primaire besluit onrechtmatig is. Ook overigens hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/540182 / HA ZA 17-1012

Vonnis van 29 mei 2019

in de zaak van

1 [BV I] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2 [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

3 de eenmanszaak [de Eenmanszaak] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

4 [eiser 4] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M. van Weeren LLM., te Amsterdam,

eisers,

TEGEN

GEMEENTE LEIDEN,

zetelend te Leiden,

advocaat: mr. R. Lever, te Leiden,

gedaagde,

Partijen worden hierna respectievelijk ‘ [BV I] ’, ‘ [eiser 2] ’, ‘ [de Eenmanszaak] ’, ‘ [eiser 4] ’ en ‘de Gemeente’ genoemd. Eisers gezamenlijk blijven aangeduid als ‘eisers’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidentele vonnis van 31 januari 2018 (waarbij de rechtbank de incidentele vordering van de Gemeente tot oproeping in vrijwaring van de Staat heeft toegewezen) en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 18 juli 2018, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van eisers van 4 december 2018;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 december 2018.

1.2.

Met instemming van partijen is het proces-verbaal buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. De Gemeente heeft bij brief van 27 december 2018 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het proces-verbaal zal met inachtneming van de gemaakte opmerkingen worden gelezen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[BV I] is een organisatie- en adviesbureau voor onder meer horecabedrijven, met als bestuurder [A] , en zij hield zich (tot 28 februari 2012) bezig met de exploitatie van coffeeshop [X] (hierna [X] ), een onderneming gevestigd aan de [adres] te [plaats], die handelt in voedings- en genotsmiddelen. Eisers zijn alle betrokken bij de exploitatie van [X] . Samengevat houdt deze betrokkenheid het volgende in. [eiser 2] drijft de eenmanszaak [de Eenmanszaak] , eveneens een coffeeshop, en hij was tot 28 februari 2012 bedrijfsleider van [X] . [eiser 4] is de verhuurder van het pand waarin [X] gevestigd is en is tevens eigenaar en enig aandeelhouder van [BV I] .

2.2.

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de Gemeente aan [BV I] ex artikel 15 van de plaatselijke Drank- en Horecaverordening verlof verleend om in een besloten ruimte (in het pand waar [X] gevestigd is) bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.

2.3.

Als bijlage bij een brief aan de Gemeente van 14 januari 2012 heeft mr. J. de Vries, in latere correspondentie ook aangeduid als mr. K.J.W. de Vries, advocaat te Noordwijk (hierna ‘mr. De Vries’), namens onder meer [BV I] , een aanvraagformulier ten behoeve van de vernieuwing van de vergunning voor [X] toegezonden, waarbij tevens aan de Gemeente is meegedeeld dat [BV I] voornemens is [X] te verkopen. De Gemeente heeft de ontvangst van deze brief bij brief van 16 januari 2012 aan mr. De Vries bevestigd, waarbij is meegedeeld dat uiterlijk op 16 februari 2012 moet worden meegedeeld of de verlofaanvraag ten behoeve van [X] wordt doorgezet.

2.4.

In een e-mailbericht van 8 februari 2012 heeft de Gemeente (samengevat) aan mr. De Vries meegedeeld dat [BV I] (dan wel de nieuwe exploitant van [X] ) rekening moet houden met aanvullende voorschriften in het kader van het aan haar te verlenen verlof, in verband met de omstandigheid dat de Gemeente ermee bekend is geworden dat er een strafrechtelijk onderzoek naar [X] is ingesteld.

2.5.

Op 12 februari 2012 is een huurkoopovereenkomst tot stand gekomen tussen [BV I] en [eiser 2] , op grond waarvan [eiser 2] [X] in huurkoop van [BV I] overneemt. Voorts is op dezelfde datum een huurovereenkomst tot stand gekomen, uit hoofde waarvan [eiser 2] het pand waarin [X] is gevestigd van [eiser 4] huurt. Ten slotte is – eveneens op 12 februari 2012 – een nevenovereenkomst tot stand gekomen tussen [eiser 4] en [eiser 2], waarin (samengevat) afspraken zijn gemaakt over de voorwaarden waaronder de huurovereenkomst tussentijds kan worden beëindigd.

2.6.

Op 13 februari 2012 heeft [eiser 2] verlof ex artikel 15 van de Drank- en Horecaverordening aangevraagd voor de exploitatie van [X] . De Gemeente heeft de ontvangst van deze aanvraag bij brief van 14 februari 2012 bevestigd. Door middel van een e-mailbericht van 13 februari 2012 heeft mr. De Vries het in 2.3. genoemde verzoek van [BV I] om vernieuwing van het verlof ingetrokken.

2.7.

Bij brief van 28 februari 2012 heeft de burgemeester van de gemeente Leiden , hierna ‘de burgemeester’, aan [BV I] meegedeeld dat hij voornemens is om het aan [X] verleende verlof ex artikel 15 van de Drank- en Horecaverordening in te trekken en om de coffeeshop voor de duur van zes maanden te sluiten, omdat uit onderzoek is gebleken dat de bij [X] aangetroffen handelsvoorraad drugs meer bedraagt dan het maximum dat voor een coffeeshop is toegestaan. [BV I] wordt in die brief in de gelegenheid gesteld haar zienswijze op dit voornemen te geven.

2.8.

[X] heeft haar deuren op 29 februari 2012 gesloten.

2.9.

Bij brief van 13 augustus 2012 is namens de burgemeester aan [eiser 2] meegedeeld dat de Gemeente aanleiding heeft gezien om met betrekking tot [X] een aanvraag voor een onderzoek in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob), hierna ‘Bibob-onderzoek’, te doen, waarbij [eiser 2] is verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken.

2.10.

De burgemeester heeft in een brief van 21 november 2012 – voor zover hier van belang – het volgende aan [eiser 2] meegedeeld:

“(…)

Het advies van Bureau Bibob van 26 oktober 2012 ten aanzien van uw verlofaanvraag is door mij recentelijk ontvangen.(…)

(…)

Conclusie

De conclusie van Bureau Bibob dat er een ernstig gevaar bestaat dat het aangevraagde verlof mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid onder a, Wet Bibob) evenals de conclusie van Bureau Bibob dat er sprake is van een ernstig gevaar dat het door u gevraagde verlof mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid onder b, Wet Bibob), onderschrijf ik. Ik acht het ook aannemelijk dat ook door verlening van het aangevraagde verlof het plegen van strafbare feiten zal worden gefaciliteerd.

Ik ben van mening dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen dan wel doen vermoeden dat er sprake is van ernstig gevaar voor misbruik met het aangevraagde verlof.

Ik heb een belangenafweging gemaakt. Daarbij is enerzijds gekeken naar het belang van de aanvrager die zonder verlof niet de exploitatie van de inrichting aan [adres] , [postcode] te [plaats] kan realiseren. Anderzijds heb ik acht geslagen op de risico’s vanwege de aannemelijkheid dat toekomstige strafbare feiten met het verlof zullen worden gefaciliteerd en gepleegd. Ik ben daarbij tot de conclusie gekomen dat in casu de laatstgenoemde belangen zwaarder dienen te wegen. Ik acht de weigering van het door u aangevraagde verlof bovendien evenredig aan de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Ik acht dan ook in casu toepassing van de Wet Bibob proportioneel.

Voorgenomen besluit

Gelet op het bovenstaande ben ik voornemens op grond van artikel 3, eerste lid onder a en b, Wet Bibob j° artikel 7, eerste en tweede lid, Wet Bibob j° artikel 4, aanhef en onder a, Besluit Bibob uw aanvraag, ingeboekt bij de gemeente op 19 januari 2012, voor een verlof ex artikel 15 van de Drank- en Horecaverordening met betrekking tot de inrichting aan [adres] , [postcode] te [plaats] (coffeeshop ‘ [X] ’) te weigeren.

(…)”.

[eiser 2] is in deze brief door de Gemeente in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op dit voornemen te geven.

2.11.

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de burgemeester het op 13 februari 2012 door [eiser 2] met betrekking tot [X] gevraagde verlof ex artikel 15 van de Drank- en Horecaverordening afgewezen.

2.12.

Bij besluit van eveneens 25 april 2013 heeft de burgemeester het op 23 februari 2010 aan [BV I] ten behoeve van [X] verleende verlof ex artikel 15 van de Drank- en Horecaverordening ingetrokken. In dit besluit is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…) Gelet op de omstandigheid dat [eiser 4] en [A] volgens het Bureau in de zin van artikel 3 lid 4 Wet Bibob in relatie staan tot strafbare feiten, het feit dat [BV I] de exploitatie van coffeeshop [X] op basis van een huurkoopconstructie aan [eiser 2] , waarmee volgens het Bureau een relatie bestaat in de zin van artikel 3 lid 4 Wet Bibob, heeft verkocht en het feit dat het pand in eigendom blijft van [eiser 4] , ben ik van mening dat er ernstig gevaar bestaat dat het aan [BV I] verleende verlof bij (verdere) doorverkoop van de exploitatie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten alsmede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (…).

Nu coffeeshop [X] in verband met het van rechtswege beëindigen van het verlof op 29 februari 2012 sindsdien is gesloten, zal ik niet overgaan tot de voorgenomen sluiting van de coffeeshop gedurende zes maanden. Immers een dergelijke sluiting heeft zijn feitelijke betekenis verloren.

(…)”.

2.13.

Bij besluit van 19 november 2013 heeft de burgemeester het op 29 mei 2013 namens [BV I] ingediende bezwaar tegen het besluit van 25 april 2013 tot intrekking van het verlof op grond van de Drank- en Horecaverordening ongegrond verklaard.

Bij besluit van eveneens 19 november 2013 heeft de burgemeester [BV I] niet-ontvankelijk verklaard in het op 29 mei 2013 ingediende bezwaar tegen het besluit van 25 april 2013 tot weigering van het verlof op grond van de Drank- en Horecaverordening en heeft hij het op 29 mei 2013 door [eiser 2] ingediende bezwaar tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

2.14.

De rechtbank Den Haag heeft het door [eiser 2] en [BV I] ingestelde beroep tegen de in 2.13. bedoelde besluiten op bezwaar bij uitspraken van 15 december 2014 ongegrond verklaard. [eiser 2] en [BV I] hebben hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraken bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ‘de Afdeling’).

2.15.

Bij uitspraak van 24 februari 2016 heeft de Afdeling het hoger beroep van [BV I] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [BV I] daarbij geen belang heeft, nu – kort gezegd – het hoger beroep niet tot herleving van haar verlof kan [vestigingsplaats 2] . Volgens de Afdeling is de geldigheidsduur van het verlof van [BV I] immers verstreken, doordat [BV I] de aanvraag om een verlenging van haar verlof heeft ingetrokken.

De Afdeling heeft het hoger beroep van [eiser 2] gegrond verklaard, met vernietiging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2014, voor zover gericht tegen [eiser 2] . Voorts heeft de Afdeling het beroep van [eiser 2] tegen het besluit van de burgemeester van 19 november 2013 gegrond verklaard en dat besluit, voor zover het betrekking heeft op [eiser 2] , vernietigd, met een veroordeling van de burgemeester tot vergoeding van de proceskosten van [eiser 2] en met bepaling dat de burgemeester het door [eiser 2] betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

In de uitspraak van de Afdeling is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Het hoger beroep van [eiser 2]

7.1. (…)

Gelet op voormelde strafrechtelijke uitspraken, in onderlinge samenhang bezien, heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd dat de strafbare feiten waarvoor [eiser 4] en [A] in de desbetreffende strafzaken worden vervolgd, meebrengen dat [eiser 2] van slecht levensgedrag is. Het advies van het Landelijk Bureau Bibob van 26 oktober 2012 en de door de burgemeester overgelegde informatie van de politie bieden geen grond voor een ander oordeel, aangezien de inhoud daarvan overeenkomt met of gebaseerd is op informatie in het strafdossier.

7.2.

De burgemeester heeft zijn standpunt dat [eiser 2] van slecht levensgedrag is, mede gebaseerd op het vonnis van de rechtbank van 20 maart 2013, waarbij [eiser 4] is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, oplichting en witwassen. Bij arrest van 2 juli 2014 heeft het gerechtshof dat vonnis vernietigd en [eiser 4] vrijgesproken onder verwijzing naar het gemotiveerde standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging. Ter zitting is gebleken dat dit arrest onherroepelijk is. Gezien de gemotiveerde vrijspraak en het feit dat de burgemeester geen nader bewijs heeft ingebracht, is niet aannemelijk gemaakt dat [eiser 4] de strafbare feiten waarvan hij is vrijgesproken, heeft begaan.

7.3.

Gelet op hetgeen onder 7.1 en 7.2 is overwogen, heeft de rechtbank niet onderkend dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat [eiser 2] van slecht levensgedrag is. Het betoog slaagt.

8. De burgemeester heeft de afwijzing van de aanvraag van [eiser 2] subsidiair gebaseerd op artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob. De burgemeester is in het desbetreffende besluit van 19 november 2013 niet toegekomen aan een bespreking van de tegen deze weigeringsgrond ingediende bezwaargronden. Uit hetgeen onder 7.1 en 7.2 is overwogen, vloeit voort dat de burgemeester ook deze weigeringsgrond onvoldoende heeft gemotiveerd, aangezien hij deze weigeringsgrond op dezelfde feiten heeft gebaseerd als de hiervoor behandelde weigeringsgrond.

9. Het hoger beroep van [eiser 2] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [eiser 2] tegen het besluit van 19 november 2013, waarbij de afwijzing van zijn aanvraag is gehandhaafd, alsnog gegrond verklaren. Dat besluit van 19 november 2013 komt voor vernietiging in aanmerking voor zover dat op [eiser 2] betrekking heeft. De burgemeester dient een nieuw besluit op het bezwaar van [eiser 2] te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

(…)”.

2.16.

In een brief van 8 maart 2016 heeft de burgemeester – voor zover hier van belang – het volgende aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden meegedeeld:

Nieuw besluit

Gelet op het bovenstaande, dien ik inzake coffeeshop [X] een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Gezien de gevoeligheid en complexiteit, wil ik dit besluit zorgvuldig voorbereiden. Ik zal hierbij rekening houden met de omstandigheid dat de strafzaken nog niet onherroepelijk zijn afgedaan. Over het besluit dat ik uiteindelijk zal nemen, zal ik u nader informeren.”

2.17.

Bij besluit van 7 april 2016 heeft de burgemeester aan [eiser 2] ten behoeve van [X] verlof ex artikel 7 lid 1 Drank- en Horecaverordening verleend voor de periode van 7 april 2016 tot en met 28 februari 2018. In het besluit is – voor zover hier van belang – vermeld:

“(…)

 dat de Burgemeester daarom op dit moment nog geen goed afgewogen en daarmede definitief oordeel kan geven over de vraag of er thans nog gronden aanwezig zijn om het op 13 februari 2012 aangevraagde verlof te weigeren;

 dat verzoeker te kennen heeft gegeven verlof te willen verkrijgen voor de onderhavige inrichting;

 dat verzoeker daarbij heeft aangegeven dat – anders dan de oorspronkelijke aanvraag – alleen hijzelf als leidinggevende dient te worden aangemerkt;

 dat de Burgemeester gelet op de betrokken belangen en om redenen van doelmatigheid verzoeker voor de toekomst verlof zal verlenen;

 dat bij dit verlof expliciet zal worden gewezen op de mogelijkheid dat dit verlof kan worden ingetrokken (c.q. verlenging van dit verlof kan worden geweigerd) als de uitkomst van voormelde strafrechtelijke procedures daar alsnog aanleiding toe zou geven; (…)”

[eiser 2] heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

2.18.

In mei 2016 heeft [X] haar deuren weer geopend.

2.19.

Bij brief van 25 oktober 2016 heeft de advocaat van eisers de Gemeente namens [BV I] en [eiser 2] aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ten onrechte intrekken, dan wel weigeren van de vergunning ten behoeve van [X] door de Gemeente.

2.20.

De advocaat van eisers heeft de Gemeente bij brief van 18 juli 2017 laten weten dat ook [eiser 4] de Gemeente aansprakelijk houdt voor de schade als gevolg van het ten onrechte intrekken, dan wel het weigeren van de vergunning ten behoeve van [X] door de Gemeente. Bij die brief is tevens een door Sman Business Value te Amsterdam (hierna ‘Sman’) opgestelde ‘Schadeberekening Coffeeshop [X] ’ van 14 juli 2017 gevoegd. Op 18 augustus 2017 heeft Sman een aangepaste versie van deze schadeberekening opgesteld.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van [eiser 2]

I. te verklaren voor recht dat de Gemeente, althans de burgemeester van de gemeente Leiden , onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] ;

II. te verklaren voor recht dat de Gemeente gehouden is de schade te vergoeden die [eiser 2] heeft geleden veroorzaakt door de Gemeente, althans dat de Gemeente schadeplichtig is jegens [eiser 2] en

III. de Gemeente te veroordelen aan [eiser 2] schadevergoeding te voldoen ter grootte van € 655.849,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum;

ten aanzien van [de Eenmanszaak]

IV. te verklaren voor recht dat de Gemeente, althans de burgemeester van de gemeente Leiden , onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de Eenmanszaak] ;

V. te verklaren voor recht dat de Gemeente gehouden is de schade te vergoeden die [de Eenmanszaak] heeft geleden veroorzaakt door de Gemeente, althans dat de Gemeente schadeplichtig is jegens [de Eenmanszaak] en

VI. de Gemeente te veroordelen aan [de Eenmanszaak] schadevergoeding te voldoen ter grootte van € 655.849,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum;

ten aanzien van [BV I]

VII. te verklaren voor recht dat de Gemeente, althans de burgemeester van de gemeente Leiden , onrechtmatig heeft gehandeld jegens [BV I] ;

VIII. te verklaren voor recht dat de Gemeente schadeplichtig is jegens [BV I] en

IX. de Gemeente te veroordelen aan [BV I] schadevergoeding te voldoen ter grootte van € 985.102,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum;

X. de Gemeente te veroordelen aan [BV I] te voldoen de kosten van rechtsbijstand en de deskundige ter grootte van € 108.393,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

XI. de Gemeente te veroordelen aan [BV I] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 8.197,75 (inclusief BTW), althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

ten aanzien van [eiser 4]

XII. te verklaren voor recht dat de Gemeente, althans de burgemeester van de gemeente Leiden , onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 4] ;

XIII. te verklaren voor recht dat de Gemeente schadeplichtig is jegens [eiser 4] en

XIV. de Gemeente te veroordelen aan [eiser 4] schadevergoeding te voldoen ter grootte van € 327.697,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum;

ten aanzien van alle eisers

XV. voor zover de rechtbank daartoe aanleiding ziet de Gemeente te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

XVI. de Gemeente te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

Daartoe stellen zij – samengevat – het volgende. De Gemeente heeft onrechtmatig jegens eisers gehandeld en is gehouden om de daarmee in causaal verband staande schade aan eisers te vergoeden. De Gemeente heeft op 28 februari 2012 ten onrechte het voornemen aan [BV I] kenbaar gemaakt dat het aan haar verleende verlof ten behoeve van de exploitatie van [X] wordt ingetrokken en de Gemeente heeft dit verlof vervolgens op 25 april 2013 ten onrechte daadwerkelijk ingetrokken, waarbij het door [eiser 2] gevraagde verlof – eveneens ten onrechte – is geweigerd. Door de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016 is het besluit van de Gemeente gericht tegen [eiser 2] vernietigd, waarmee de onrechtmatigheid daarvan vast staat. De Gemeente moest een nieuw besluit nemen en heeft dat met haar besluit van 7 april 2016 ook gedaan. Daar komt bij dat op het moment dat de verkoop van [X] werd gerealiseerd en de aanvraag voor verlof door [eiser 2] werd ingediend, de Gemeente schadebeperkende maatregelen had moeten nemen door te voorzien in een overgangsregeling, te meer nu voor alle partijen duidelijk was dat [X] ‘going concern’ zou worden voortgezet en eisers er van uit mochten gaan dat de Gemeente daar rekening mee zou houden.

3.3.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is de vraag of de Gemeente onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld en vervolgens of de Gemeente gehouden is tot vergoeding van de door eisers gestelde schade.

Grondslag en juridisch kader

4.2.

Eisers baseren het onrechtmatig handelen van de Gemeente op de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016, waarin – voor zover hier van belang – het hoger beroep van [eiser 2] gegrond is verklaard, met vernietiging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2014 (voor zover gericht tegen [eiser 2] ) en waarbij het beroep van [eiser 2] tegen het besluit van de burgemeester van 19 november 2013 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd. Volgens eisers is met deze uitspraak de onrechtmatigheid van het door de burgemeester genomen besluit om het verlof op grond van de Drank- en Horecaverordening te weigeren gegeven.

4.3.

De Gemeente heeft primair betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen jegens eisers. De Gemeente beroept zich daarbij (samengevat) terzake de beslissingen die betrekking hebben op [BV I] op het beginsel van formele rechtskracht. Zij heeft verder met betrekking tot [eiser 2] betoogd dat, in het geval een beslissing op bezwaar vernietigd wordt, daarmee nog niet vaststaat dat het primaire besluit ook onrechtmatig is. Het antwoord op de vraag of het primaire besluit rechtmatig of onrechtmatig is, hangt in het algemeen af van de besluitvorming die na de vernietiging van de beslissing op bezwaar plaatsvindt. Indien de bestuursrechtelijke procedure uiteindelijk erin resulteert dat het primaire besluit in stand blijft en onherroepelijk wordt, dient voor de burgerlijke rechter uitgangspunt te zijn dat het primaire besluit rechtmatig is, ook voor zover de rechtmatigheid ervan wordt beoordeeld naar het tijdstip waarop het is genomen. (HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3257, r.o. 3.5.2., Hoogland/Rotterdam). Ook de jegens de overige gedaagden ingestelde vorderingen treffen volgens de Gemeente geen doel.

Ten aanzien van [BV I]

4.4.

De rechtbank heeft het beroep van [BV I] tegen het besluit van de burgemeester van 19 november 2013 (om het bezwaar van [BV I] tegen de intrekking van het verlof ongegrond te verklaren) ongegrond verklaard.

4.5.

[BV I] is in de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016, bij gebrek aan belang, niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beslissing op bezwaar van 19 november 2013 (tegen het besluit van de burgemeester van 25 april 2013 tot intrekking/weigering van verlof op grond van de Drank- en Horecaverordening). Hieruit volgt dat de genoemde besluiten van 25 april 2013 en van 19 november 2013 ten aanzien van [BV I] in stand zijn gebleven en daarmee formele rechtskracht hebben gekregen. De burgerlijke rechter moet daarom van de rechtmatigheid daarvan uitgaan. Hiertegenover hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat de Gemeente onrechtmatig jegens [BV I] heeft gehandeld, zodat de vorderingen VII. tot en met XI. worden afgewezen.

Ten aanzien van [eiser 2]

4.6.

Ook het primaire besluit van 25 april 2013 ten aanzien van [eiser 2] is in stand gebleven. De Afdeling heeft de beslissing op bezwaar van de burgemeester van 19 november 2013 ten aanzien van [eiser 2] immers vernietigd op grond van een motiveringsgebrek en heeft daarbij overwogen dat de burgemeester een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. Tegenover de betwisting door de Gemeente is niet komen vast te staan dat de burgemeester al een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen. Het aan [eiser 2] bij besluit van 7 april 2016 verleende verlof is in ieder geval niet als zodanig te beschouwen. In dit besluit is immers overwogen dat de burgemeester op dat moment nog geen goed afgewogen oordeel kan geven over de vraag of er gronden zijn om het door [eiser 2] aangevraagde verlof te weigeren, zodat om redenen van doelmatigheid verlof is verleend voor de toekomst en wel voor de periode van 7 april 2016 tot en met 28 februari 2018. Dit besluit is dan ook geen beslissing op bezwaar, maar een nieuw primair besluit, dat, nu [eiser 2] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, formele rechtskracht heeft gekregen. Dit betekent dat het zowel inhoudelijk als wat betreft de wijze van totstandkoming als rechtmatig moet worden beschouwd.

4.7.

Een en ander leidt ertoe dat – nu de burgemeester nog geen nieuw besluit heeft genomen – op dit moment nog niet kan worden geoordeeld dat het oorspronkelijke primaire besluit onrechtmatig is. De burgemeester dient eerst een besluit te nemen over de vraag of het primaire besluit tot weigering van het door [eiser 2] gevraagde verlof kan worden gehandhaafd, al dan niet met een andere motivering. Indien de burgemeester de weigering handhaaft, dient de bestuursrechter desgevraagd in een tegen het besluit ingestelde beroepsprocedure te beoordelen of het oordeel van de burgemeester stand kan houden. Eisers hebben geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die een andere conclusie rechtvaardigen. De vorderingen onder I. tot en met III. worden reeds daarom afgewezen.

Ten aanzien van [de Eenmanszaak]

4.8.

Ook de vorderingen IV. tot en met VI. ten aanzien van [de Eenmanszaak] worden afgewezen. Gegeven de omstandigheden dat [de Eenmanszaak] de (huidige) handelsnaam van [eiser 2] is, dat het [eiser 2] is geweest die het verlof op grond van de Drank- en Horecaverordening heeft aangevraagd en dat dit verlof uiteindelijk ook aan [eiser 2] is verleend, hebben eisers onvoldoende onderbouwd op grond waarvan de Gemeente onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens [de Eenmanszaak] .

Ten aanzien van [eiser 4]

4.9.

Ten slotte worden ook de vorderingen onder XII. tot en met XIV. met betrekking tot [eiser 4] afgewezen. Deze vorderingen zijn immers gebaseerd op het standpunt dat de Gemeente de exploitatie van [X] ten onrechte heeft beëindigd, hetgeen zoals hiervoor reeds is overwogen, in het kader van deze procedure niet kan worden vastgesteld. Daarmee komt de grondslag aan de vorderingen van [eiser 4] te ontvallen.

4.10.

Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat de Gemeente niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld met betrekking tot de genomen besluiten, maar dat zij ook onrechtmatig heeft gehandeld door niet te voorzien in een overgangsregeling, terwijl eisers daarop wel mochten vertrouwen, overweegt de rechtbank als volgt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Gemeente hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat met de Gemeente de afspraak is gemaakt dat er een overgangsregeling zou komen, waarbij uitgangspunt zou zijn dat [X] ‘going concern’ zou worden voortgezet door [eiser 2] . Nu gesteld noch gebleken is dat op de Gemeente in algemene zin de verplichting rust om te voorzien in een overgangsregeling en eisers niet hebben onderbouwd dat en waarom de Gemeente anderszins (schadebeperkende) maatregelen had moeten nemen, kan ook deze grondslag de vorderingen niet dragen.

Slotsom en proceskosten

4.11.

Nu de vorderingen worden afgewezen komt de rechtbank niet toe aan een verdere (inhoudelijke) beoordeling van de hoofdzaak en daarmee ook niet aan een beoordeling van de hoogte van de schade, zodat geen aanleiding bestaat voor verwijzing van de zaak naar de rol om de advocaat van eisers in de gelegenheid te stellen om zijn aantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen in het geding te brengen. Ook de vordering onder XV. wordt afgewezen.

4.12.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in de hoofdzaak als in het incident. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 3.894,--

- salaris advocaat 9.297,-- (3 punten x tarief € 3.099,--)

Totaal € 13.191,--

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak:

5.1.

wijst de vorderingen af,

in de hoofdzaak en in het incident:

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 13.191,--,

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.1

1 type: 1988