Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5582

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
09/837324-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 40-jarige Poolse man voor een poging tot brandstichting in de Poolse ambassade op 22 oktober 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837324-18

Datum uitspraak: 29 mei 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 31 januari 2019, 30 april 2019 en 16 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Groeneveld en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Rens naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 oktober 2018 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in de Poolse ambassade, althans een pand, gelegen aan de [straat] , met dat opzet zijn, verdachtes, kleding en/of een deurmat gelegen in dit pand en/of (een deel van) de vloer van voornoemd pand heeft overgoten met benzine, althans een (zeer) brandbare vloeistof, waardoor gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of de zich in dit pand bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 oktober 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk een of meer medewerker(s) en/of bezoeker(s) van de Poolse ambassade in Nederland en/of een of meer zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende politieambtena(a)r(en) van politie eenheid Den Haag, waaronder in elk geval [verbalisant 1] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft hij, verdachte,

- terwijl hij zich in het pand van de Poolse ambassade, gelegen aan de [straat] , bevond, (meermalen) zichzelf en/of een zich in het pand bevindende deurmat en/of (delen van) de vloer van voornoemd pand overgoten met benzine, althans een (zeer) brandbare vloeistof en/of

- ( vervolgens/hierbij) een (onklaar gemaakte) aansteker in de hand gehouden en/of

- ( hierbij) woordelijk gedreigd dat hij, verdachte, zichzelf in brand zou steken,

althans feitelijkheden en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 22 oktober 2018 heeft de verdachte zich met een jerrycan met benzine en twee aanstekers naar de Poolse ambassade aan de [straat] te Den Haag begeven. De verdachte heeft zich aldaar overgoten met benzine om protest te voeren tegen de slechte werkomstandigheden van de Poolse werknemers in Nederland. De verdachte heeft gedreigd zichzelf in brand te steken als zijn eisen niet gerealiseerd zouden worden.2

Na ongeveer tweeëneenhalf uur is de verdachte door de politie overmeesterd, door de brandweer natgespoten en aangehouden.

Over deze feiten, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie.

De verdachte heeft na zijn aanhouding verklaard dat hij de aansteker die hij in zijn hand hield, onklaar had gemaakt en dat hij nimmer brand heeft willen stichten.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot brandstichting dan wel de subsidiair ten laste gelegde bedreiging met brandstichting.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir –gevorderd dat de aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde bedreiging met brandstichting wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitnota – vrijspraak bepleit van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot brandstichting aangevoerd dat er geen sprake was van een begin van uitvoering. De aansteker in de handen van de verdachte werkte niet – er was aldus sprake van een ondeugdelijk middel –, en alleen al om die reden kon er geen sprake zijn van een begin van uitvoering. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet van plan is geweest om zichzelf in brand te steken en dat aldus het voornemen en het opzet op de brandstichting ontbraken.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsman aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde personen zich niet bedreigd hebben (kunnen) voelen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De verklaringen van de getuigen

[getuige ] , hoofd van de consulaire dienst van de Poolse ambassade, heeft verklaard dat zij op 22 oktober 2018 omstreeks 16:00 uur werd gebeld door een Poolse vrouw die verklaarde dat zij door haar zoon was gebeld. De zoon van deze vrouw zou zich op dat moment in de Poolse ambassade bevinden en zelfmoord willen plegen.3

[aangever] , ambassadeur van Polen in Nederland, heeft verklaard dat hij, nadat hij omstreeks 16:00 uur van het hoofd van de consulaire dienst had gehoord dat er een man op het toilet zou zitten die zichzelf in brand wilde steken, naar de bezoekersruimte van de ambassade is gegaan en daar een sterke benzinelucht rook.4 [aangever] heeft hierop besloten de ambassade te laten ontruimen en de plaatselijke politie te waarschuwen, die kort daarop ter plaatse kwamen

Verbalisant [verbalisant 1] , politie-onderhandelaar, heeft verklaard dat hij naar aanleiding van een melding dat een man bij de Poolse ambassade dreigde zichzelf in brand te steken, omstreeks 16:02 uur bij de Poolse ambassade arriveerde. [verbalisant 1] heeft aldaar eerst telefonisch contact opgenomen met de verdachte – die zich nog in de ambassade bevond – en hem verzocht naar de deur te komen. De verdachte is hierop naar de deur gekomen, heeft deze geopend en is in de deuropening gaan staan. [verbalisant 1] rook een sterke benzinelucht en zag dat de bovenkleding van de verdachte doordrenkt was met een vloeistof, vermoedelijk benzine. [verbalisant 1] zag dat de verdachte in zijn rechterhand een blauwe aansteker vast hield. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij samen met een collega bijna twee uur met de verdachte heeft gesproken en dat de verdachte zich gedurende dit gesprek tenminste drie keer met benzine heeft overgoten. Ook heeft [verbalisant 1] gezien dat de verdachte eenmaal de deurmat waarop hij stond met benzine overgoot. Desgevraagd door [verbalisant 1] verklaarde de verdachte dat hij de jerrycan met benzine vanuit Oss naar Den Haag met de trein had meegenomen. De verdachte dreigde dat hij zichzelf in brand zou steken als hij niet in de gelegenheid zou worden gesteld om met een journalist te spreken. De verdachte stak de aansteker hierbij demonstratief omhoog. De jerrycan stond naast een stoel – met daarop de rugzak van de verdachte – rechts naast de toegangsdeur. Omstreeks 18:35 uur is de verdachte door de politie overmeesterd en aangehouden en heeft de brandweer de verdachte met grote hoeveelheden water kletsnat gemaakt.5

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben verklaard dat zij de verdachte meermalen in de deuropening van het pand hebben zien staan. Zij zagen dat de verdachte meermalen de deur opende en sprak met de onderhandelaars van de politie. De verdachte deed meermalen weer een stap terug in het pand, sloot de deur achter zich, en overgoot zich vervolgens met een vloeistof. Daarna opende de verdachte de deur weer en vervolgde zijn gesprek met de onderhandelaars.6

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben verklaard dat de verdachte gedurende het gesprek met de onderhandelaars meermalen benzine over zich heen goot en de benzine ook op de grond gooide. Gedurende het gehele incident had de verdachte een aansteker vast.7

De aanstekers

Ten tijde van het incident had de verdachte twee aanstekers bij zich. Een blauwe gasaansteker, die door de verdachte tijdens het incident in zijn hand is gehouden, en een rode gasaansteker, die werd aangetroffen in een steekzak van de broek van de verdachte.8

Door het NFI is onderzoek verricht aan voornoemde aanstekers.

De blauwe aansteker betrof een navulbare aansteker en hierin bleek nog aanstekergas aanwezig. Bij het indrukken van de knop voor de ontsteking werd dit gas niet ontstoken. Bij nader onderzoek bleek dat bij het indrukken van de piëzo-elektrische ontsteking geen vonk ontstond die een brandbaar gas-luchtmengsel kon ontsteken. Met behulp van een externe vlam kon het gas wel worden ontstoken. De blauwe aansteker is tijdens de aanhouding van de verdachte vochtig geworden. Onduidelijk is of dit van invloed is op de werking van de aansteker en mogelijk heeft de aansteker ten tijde van het incident wel gewerkt.

Ook de rode aansteker was nog voorzien van aanstekervloeistof en bij het indrukken van de knop voor de ontsteking ontstond een vlam van ongeveer een centimeter hoog.9

De jerrycan

De verdachte had een zwarte plastic jerrycan bij zich met een inhoud van 5 liter. Bij forensisch onderzoek, gedaan op 6 november 2018, bleek de jerrycan 2,3 liter vloeistof, naar later bleek 4-takt motorbenzine, te bevatten10.

Protestbrief

In de rugtas van de verdachte is een zeven pagina’s tellende protestbrief aangetroffen.11

Benzine op vloer

De rechtbank heeft op de foto op pagina 29 van het dossier waargenomen dat bij de daarop afgebeelde stoel met de rugzak van de verdachte naast de jerrycan plasjes benzine op de grond liggen.12

De verklaring van de verdachte

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij, aangekomen in de ambassade, meteen naar het toilet is gegaan. Vanuit het toilet heeft hij zijn ouders gebeld om door te geven dat hij een protest zou gaan uitbrengen. Op het moment dat alle aanwezigen het pand hadden verlaten, is de verdachte uit het toilet gekomen en hebben de onderhandelaars hem verzocht naar buiten te komen. De verdachte heeft zich daarna voor de eerste keer overgoten met benzine. De verdachte heeft de deur van de ambassade open gedaan en is buiten het gebouw gaan staan. De verdachte heeft verklaard dat hij de deur vasthield met zijn elleboog. Omdat hij wist dat benzine vervliegt, heeft hij steeds weer een beetje benzine over zichzelf gegoten.

De verdachte was bang dat als de benzinelucht zou zijn vervlogen, de politie hem zou overmeesteren. Voorts heeft de verdachte beaamd dat hij de blauwe aansteker in zijn handen heeft gehouden, maar dat hij de knop van de aansteker niet heeft ingedrukt.13 De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij 4,5 liter benzine had meegenomen14.

De verdachte heeft verklaard dat hij de blauwe aansteker onklaar heeft gemaakt door een onderdeel (een veer15) uit de aansteker te verwijderen. De verdachte heeft voorts verklaard dat zijn actie een protest betrof, en dat hij nooit daadwerkelijk brand heeft willen stichten.

Het oordeel van de rechtbank

Op 22 oktober 2018 is de verdachte met een jerrycan gevuld met 4,5 liter benzine en twee aanstekers vanuit Oss naar de Poolse ambassade te Den Haag gegaan en is daar het gebouw binnengekomen. Nadat de ambassade was ontruimd, is de verdachte op verzoek van de onderhandelaars van de politie naar de (buiten)deur gekomen. De verdachte heeft zichzelf overgoten met benzine en is tijdens zijn gesprek met de onderhandelaars meermalen het pand ingegaan om zich wederom te overgieten met benzine. Hij heeft ook benzine op de deurmat en de vloer gebracht. De verdachte was op de hoogte van het feit dat benzine na enige tijd vervliegt. De verdachte heeft, terwijl hij was overgoten met benzine, telkens een aansteker in zijn hand gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de hierboven beschreven handelingen van de verdachte, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden geduid dan gericht zijnde op het stichten van brand. Dat de verdachte het opzet heeft gehad om zichzelf daadwerkelijk in brand te steken, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen uit de uiterlijke verschijningsvorm van genoemde handelingen, maar ook uit het feit dat hij voorafgaand aan zijn actie zijn ouders heeft opgebeld met de mededeling dat hij zelfmoord wilde plegen, welke mededeling de aanleiding was voor de ontruiming.

Het verweer van de verdachte dat hij geen opzet had op brandstichting, maar dat hij uitsluitend erop uit was door middel van dreiging met brandstichting met journalisten te kunnen praten over de beweerdelijke misstanden met Poolse werknemers in Nederland, maakt dat oordeel niet anders. De verklaring van de verdachte, ter ondersteuning van zijn verweer, dat de blauwe aansteker die hij in zijn hand had onklaar was gemaakt en daarom niet werkte, treft geen doel omdat niet aannemelijk is geworden dat de blauwe aansteker ten tijde van het incident niet werkte. De aansteker is bij het natspuiten van de verdachte door de brandweer vochtig geworden en kan daarom werking hebben geweigerd bij het onderzoek. Belangrijker is echter dat de verdachte ten tijde van het incident een tweede, werkende aansteker in zijn broekzak had zitten. Vanwege het eerdergenoemde telefoongesprek met zijn ouders, de aanwezigheid van de werkende aansteker en het feit dat de verdachte maar liefst 4,5 liter benzine bij zich had, waarvan ten minste 2 liter daadwekelijk vergoten, wat naar het oordeel van de rechtbank onnodig veel is wanneer het opzet uitsluitend zou zijn gericht op dreiging, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat zijn opzet uitsluitend was gericht op dreiging niet geloofwaardig. De aanwezigheid van de werkende aansteker onder handbereik maakt eveneens dat geen sprake is van een (absoluut) ondeugdelijke poging, zoals (ook) door de verdediging bepleit.

Dat de verdachte geen opzet op brandstichting had nu hij, zoals hij heeft verklaard, pas na de ontruiming van het pand zichzelf met benzine is gaan overgieten om geen gevaar voor personen te veroorzaken, aanvaardt de rechtbank evenmin. Die verklaring komt immers niet overeen met de door aangever [aangever] geroken sterke benzinelucht in de bezoekersruimte direct nadat hij door getuige [getuige ] was gewaarschuwd, die op haar beurt vlak daarvoor was gebeld door de moeder van de verdachte. Uit de verklaring van [aangever] lijkt eerder te volgen dat de verdachte al voordat de evacuatie van de ambassade begon benzine heeft laten ontsnappen uit de jerrycan.

Vanwege deze omstandigheid, en nu de verdachte zich telkens in of nabij – in de deuropening van – het pand bevond, was er naar het oordeel van de rechtbank gemeen gevaar voor de Poolse ambassade en de zich daarin bevindende goederen

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot brandstichting.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 22 oktober 2018 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in de Poolse ambassade, gelegen aan de [straat] , met dat opzet zijn, verdachtes, kleding en een deurmat gelegen in dit pand en (een deel van) de vloer van voornoemd pand heeft overgoten met benzine, waardoor gemeen gevaar voor voornoemd pand en de zich in dit pand bevindende goederen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

Op 22 oktober 2018 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting in de Poolse ambassade door zichzelf meermalen te overgieten met benzine en daarbij een aansteker in de lucht te houden. De ambassade moest door de actie van de verdachte worden ontruimd wat een grote impact moet hebben gehad op het ambassadepersoneel en de op dat moment aanwezige bezoekers. Daarnaast hebben verschillende hulpdiensten, waaronder de politie en de brandweer, ter plaatse moeten komen. Onderhandelaars van de politie hebben meer dan twee uur met de verdachte gesproken voordat hij door het arrestatieteam overmeesterd kon worden en kon worden aangehouden. De rechtbank rekent de verdachte voornoemde consequenties van zijn handelen aan. Bovendien is (poging tot) brandstichting een zeer ernstig feit met een sterk gevaarzettend karakter. Dergelijke feiten brengen angst en maatschappelijke onrust mee.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 3 april 2019. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage psychiatrisch onderzoek van 9 januari 2019, opgesteld door J. van der Meer, psychiater.

Van der Meer concludeert dat er bij de verdachte geen forensisch relevante psychiatrische stoornis kan worden aangetoond. Er is bij de verdachte geen sprake van disfunctioneren op de verschillende levensgebieden. Mogelijk zijn er wel enkele dwangmatige persoonlijkheidstrekken, waarbij de verdachte een groot rechtvaardigheidsgevoel heeft en het gezag van autoriteiten niet vanzelfsprekend accepteert. Van der Meer stelt dat met de thans beschikbare informatie geen ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan worden vastgesteld. Wel ervaarde de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde veel stress vanuit zijn werk.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 16 mei 2019, opgesteld door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker. De reclassering stelt dat er uit het onderzoek geen aanknopingspunten zijn gevonden waarop de reclassering zou moeten interveniëren. De verdachte stelt dat hij het ten laste gelegde feit bewust en vanuit overtuiging heeft gepleegd. Op dergelijke gemotiveerde daden zijn er geen interventies, aldus de reclassering. Gelet op het feit dat de verdachte de effecten van zijn daad als positief beschouwt, sluit de reclassering niet uit dat de verdachte wederom tot een dergelijke daad in staat is. De reclassering acht de verdachte in staat zijn leven weer op te bouwen.

De straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een (deels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Deze straf is van langere duur dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank in tegenstelling tot hetgeen door de officier was gevorderd, het primair ten laste gelegde feit bewezen heeft verklaard.

Met het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf beoogt de rechtbank de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daaraan, gelet op het advies van de reclassering, geen bijzondere voorwaarden verbinden.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich namens de Ambassade van de republiek Polen als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.282,25. De vordering strekt tot de vergoeding van materiële schade, bestaande uit:

schoonmaakkosten € 616,75;

kapotte binnendeur € 665,50.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding een erg hoog geldbedrag betreft. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat niet is duidelijk is geworden hoeveel uren is gewerkt door het schoonmaakbedrijf, wat de schoonmaakkosten waren en waar de werkzaamheden uit hebben bestaan.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering met betrekking tot de schoonmaakkosten en de kosten voor de kapotte binnendeur voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.282,25.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 oktober 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.282,25, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de ambassade van de Republiek Polen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 9 (negen) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de ambassade van de Republiek Polen een bedrag van € 1.282,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.282,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de ambassade van de Republiek Polen;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Burgers, voorzitter,

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter,

mr. D. Biever, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.C. Bloem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018286191, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 103).

2 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever] , p. 22; verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 mei 2019; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 51; proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 69; een geschrift, te weten een NFI-rapport ‘Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen’ d.d. 3 januari 2019, p. 99.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige ] , p. 25.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever] , p. 22.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37-38.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 27.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 35.

8 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 70.

9 Een geschrift, te weten een rapport ‘Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een incident in Den Haag op 22 oktober 2019’ van het NFI d.d. 11 april 2019, p. 5, 6 en 10.

10 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 69, en een geschrift, te weten een rapport ‘Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen …’ d.d. 3 januari 2019, p. 96

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 39; proces-verbaal van bevindingen, p. 59, met als bijlage de protestbrief van de verdachte en de vertaling, p. 60-68.

12 Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 16 mei 2019.

13 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 mei 2019.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52.

15 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 30 april 2019.