Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5552

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
NL18.14651
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Azerbeidzjan. Beroep gegrond met instandlating rechtsgevolgen ivm onvoldoende motivering waarom journalistieke werkzaamheden ongeloofwaardig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.14651


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder


Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eveneens zijn verschenen [A], broer van eiser en [B], de schoonzus van eiser. Als tolk is verschenen I. Celik. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Eiser is na afwijzing van zijn asielaanvraag van juni 2012, in april 2014 met behulp van het IOM naar zijn land van herkomst teruggekeerd. Op 31 januari 2017 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij journalist is en een artikel geschreven heeft naar aanleiding van een studentenactie waarbij een standbeeld van [Z] is beklad. Eisers broer is vervolgens meegenomen door de politie. Toen eiser vernam dat zijn broer na een aantal dagen nog altijd vastzat, is hij zelf naar de politie gegaan. Eiser is vervolgens door de politie aangehouden, mishandeld, beschuldigd van verkrachting en onderzoek naar de vrouw van de president en tot slot overgebracht naar een psychiatrische inrichting. Eiser is ontsnapt uit de inrichting en door zijn oom en broer in veiligheid gebracht. Voorts hebben schuldeisers eiser en zijn broer lastiggevallen omdat eiser nog geld schuldig was aan een persoon van wie hij een auto had gekocht.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit en nationaliteit;

  • -

    Werkzaamheden als journalist;

  • -

    Problemen vanwege werkzaamheden als journalist;

  • -

    Problemen met schuldeisers;

  • -

    Problemen bij terugkeer naar Azerbeidzjan in 2014.

4. Verweerder heeft eisers identiteit en nationaliteit alsmede zijn werkzaamheden als journalist geloofwaardig geacht. De overige elementen zijn door verweerder ongeloofwaardig geacht omdat eiser op essentiële onderdelen wisselend, vaag en ongerijmd heeft verklaard. Ook heeft verweerder meegewogen dat het relaas van eisers eerste asielaanvraag voor wat betreft de problemen als gevolg van zijn werkzaamheden ongeloofwaardig is geacht. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en hij heeft voorts niet aannemelijk gemaakt bij uitzetting een reëel risico op ernstige schade te lopen, aldus verweerder.

5. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen. Op hetgeen eiser heeft aangevoerd, wordt in het navolgende ingegaan.

6. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

Uit de door eiser overgelegde artikelen afkomstig van de website [website] blijkt volgens eiser genoegzaam dat de artikelen daar zijn gepubliceerd en door eiser zijn ondertekend. Bovendien heeft eiser een originele pas van [website] overgelegd, waardoor aannemelijk is dat hij als journalist voor deze website heeft geschreven. In het bestreden besluit is eisers onderzoek naar de studenten zonder motivering afgedaan als een oppervlakkige observatie.

7.2

De rechtbank constateert dat eisers naam bovenaan het artikel van [datum] 2016 staat, samen met een foto waarop eiser afgebeeld staat (pagina 49 en pagina 50 van dossierstuk nummer [nummer] getiteld “bijlagen gehoor”). Daarnaast constateert de rechtbank dat eisers naam onder nog drie overgelegde artikelen afkomstig van de website [website] vermeld staat (pagina 30, pagina 37 en pagina 45 van dossierstuk nummer [nummer]). In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser door voornoemde artikelen in combinatie met zijn werkpas over te leggen, heeft aangetoond dat hij werkzaam was voor de website [website] en hij het artikel van [datum] 2016 heeft geschreven en gepubliceerd op de website [website]. Verweerder heeft daarom niet zonder nadere motivering kunnen stellen dat het artikel van [datum] 2016 niet van eisers hand afkomstig is. Verweerders stelling dat eisers onderzoek naar de betrokken studenten oppervlakkig is, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, gelet op eisers verklaring dat zijn collega’s ook een bijdrage hebben geleverd aan het artikel (pagina 18, nader gehoor). Nu het desbetreffende artikel de grondslag voor eisers gehele asielrelaas vormt, en in het licht van de vorenstaande constateren heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering kunnen volstaan met het oordeel dat dit artikel niet van eisers hand afkomstig is. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek.

7.3

De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser de inval op kantoor, de arrestatie van zijn broer, eisers detentie, het verblijf en de ontsnapping uit de psychiatrische kliniek en de problemen met schuldeisers niet aannemelijk heeft gemaakt, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

Inval op kantoor

7.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht eisers verklaringen omtrent de inval op kantoor ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat eiser zowel op pagina 14 als op pagina 26 van het nader gehoor heeft verklaard dat de inval medio mei 2016 respectievelijk de maand mei 2016 was, deze verklaringen in de correcties en aanvullingen niet gecorrigeerd zijn en van eiser verwacht had mogen worden dat hij de juiste datum had kunnen vertellen, gezien het feit dat deze gebeurtenis de grondslag van zijn gehele relaas vormt. Dat eiser vervolgens pas in de zienswijze – bijna anderhalf jaar na het nader gehoor – een specifieke datum noemt omdat hij ten tijde van het nader gehoor een reeks traumatische ervaringen achter de rug had, kan aan het voorgaande niet afdoen. Bovendien heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verklaringen omtrent de redacteur zoals weergegeven op pagina 26 van het nader gehoor niet door hem zijn afgelegd, maar berusten op een communicatieprobleem met de tolk of zouden zijn verzonnen door de hoormedewerker. Eisers stelling dat uit zijn reactie kan worden opgemaakt dat hij de vraag niet goed begrijpt, volgt de rechtbank niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen om de hoorambtenaar te corrigeren op het moment dat aan hem vragen over de arrestatie van de redacteur werden gesteld. Voorts heeft verweerder bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser desgevraagd niet in staat was om de achternamen van de vrienden te noemen waar hij na zijn publicatie zou hebben verbleven. Eisers stelling dat achternamen nooit worden gebruikt, leidt in dit kader niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat zijn verklaring over het tijdstip waarop hij met de redacteur heeft gesproken niet in strijd is met hetgeen hij heeft verklaard over wanneer hij door zijn collega’s op de hoogte is gebracht van de inval, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan dit niet tot het oordeel leiden dat verweerder eisers verklaringen omtrent de inval op kantoor ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

Arrestatie van eisers broer [A]

7.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht eisers verklaringen omtrent de arrestatie van zijn broer ongeloofwaardig geacht. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser veel eerder dan ‘meer dan 15 dagen’ had kunnen/moeten weten over de arrestatie van zijn broer, nu volgens eisers verklaringen hijzelf, zijn broer en hun oom een nauwe band hadden, het niet aannemelijk is dat de echtgenote van [A] op het moment dat haar echtgenoot niet thuis zou zijn gekomen, dan geen contact met eiser of de oom zou hebben opgenomen en het voorts niet aannemelijk is dat eiser in de genoemde periode dan geen contact met zijn oom, broer of schoonzus zou hebben gehad. In dit kader heeft verweerder eveneens kunnen overwegen dat eiser vaag verklaard heeft over de datum van zijn broers arrestatie, nu uit het FMMU advies niet blijkt dat over dergelijke recente momenten van eiser geen concrete verklaringen verlangd zouden mogen worden. Eisers stelling dat uit het FMMU advies blijkt dat hij moeite heeft met terughalen van gebeurtenissen en data kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet tot een ander oordeel leiden.

Verblijf in psychiatrische inrichting

7.6

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een psychiatrische kliniek is opgesloten en daar uit heeft weten te ontsnappen. Daartoe heeft verweerder ten eerste kunnen overwegen dat eiser sterk wisselend heeft verklaard over de duur van zijn verblijf daar. De stelling van eiser dat hij zich heeft vergist omdat hij door de emoties het aantal maanden verkeerd heeft geteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft er in dat kader terecht op gewezen dat eiser zijn verklaringen in de correcties en aanvullingen niet heeft aangepast, noch dat uit het gehoorverslag blijkt dat hij op dat moment dermate last had van emoties dat hij niet in staat was het juiste aantal maanden te noemen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat in de zienswijze niet is geconcretiseerd in welke mate eiser zich in de maanden heeft vergist. Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij uit de inrichting is ontsnapt, nu hij heeft verklaard dat hij buiten in de tuin in een boom is geklommen, over een muur is gesprongen en in de kofferbak van een aldaar wachtende auto is gaan liggen terwijl eiser eveneens heeft verklaard dat hij verbleef in een gesloten inrichting waarvan de gang was afgesloten, er tralies voor zijn ramen zaten en er bij elke deur naar buiten twee agenten stonden. Dat de tuin ommuurd was en het daarom niet vreemd was dat eiser zonder bewaking buiten in de tuin aan het werk was, vindt de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende en leidt niet tot een ander oordeel. Ook hetgeen verder door eiser is aangevoerd omtrent het verblijf in de psychiatrische inrichting maakt niet dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser zijn verblijf in de kliniek niet aannemelijk heeft gemaakt.

Problemen met schuldeisers

7.7

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de gestelde problemen van de kant van de autoriteiten niet aannemelijk zijn gemaakt, waardoor van een andere prioriteit dan het aflossen van de schuld niet gesproken kan worden. Hetgeen hieromtrent door eiser is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Overige gronden

7.8

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen stellen dat aan de kopie van de detentiebeslissing geen waarde kan worden gehecht, nu verweerder terecht heeft overwogen dat eiser essentiële elementen van zijn asielrelaas niet geloofwaardig heeft verklaard. In datzelfde kader is de rechtbank eveneens van oordeel dat verweerder heeft kunnen volstaan met de stelling dat aan de overgelegde e-mails geen waarde kan worden gehecht nu het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden. Eisers redenering dat verweerder had moeten specificeren welke informatie hij van eiser verlangt op het moment dat hij stelt dat eiser meer concreet moet aangeven wanneer eiser tussen 2014 en 2015 op het politiebureau moest komen, kan de rechtbank niet volgen. Uit de vraagstelling volgt immers expliciet dat eiser dient te verklaren op welke data hij tussen 2014 en 2015 volgens zijn eigen verklaring op het politiebureau moest verschijnen. Ook eisers stelling dat ten onrechte is tegengeworpen dat hij niet om bescherming heeft verzocht, slaagt niet. Verweerder heeft daartoe terecht overwogen dat niet is gebleken dat eiser heeft geprobeerd bescherming bij de autoriteiten van zijn land te verkrijgen, noch dat is gebleken de autoriteiten niet bereid zouden zijn hem te helpen. Dat eiser contact heeft gezocht met Amnesty International, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet uitgebreid kan verklaren over de omkoping en het zijn vertrek uit het land van herkomst. Uit eisers verklaringen blijkt immers dat hij niet meer kan vertellen dan hetgeen hij reeds heeft verteld, en bovendien zijn de verklaringen op geen enkel moment aangevuld of nader toegelicht, zodat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser slechts vaag heeft kunnen verklaren.

8. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeel de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon - Overdijk, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekend gemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.