Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5272

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
C/09/570319 KG ZA 19/270
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vordering tot opheffing dan wel wijziging van bijzondere voorwaarden, gesteld bij voorwaardelijke invrijheidstelling. De voorzieningenrechter verwijst naar en sluit zich aan bij een eerdere afwijzende beslissing op een vergelijkbare vordering van eiser in kort geding. Voor zover er op bepaalde gebieden sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden vormen deze geen reden voor een andere beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/570319 / KG ZA 19/270

Vonnis in kort geding van 17 mei 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. M.R. Backer te Den Haag,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Openbaar Ministerie) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Eiser wordt hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en gedaagde als ‘de Staat’ of ‘het OM’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

1.2.

Op 28 maart 2019 is een mondelinge behandeling gehouden, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. De behandeling van de zaak is tijdens de zitting geschorst vanwege een door [eiser] ingediend wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter. Dit wrakingsverzoek is door [eiser] ter zitting van de wrakingskamer op 15 april 2019 ingetrokken. Op 7 mei 2019 is de mondelinge behandeling door de voorzieningenrechter voortgezet, waarbij door de raadsman van [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) heeft bij arrest van 7 maart 2017 [eiser] veroordeeld voor onder andere bedreiging, zware mishandeling met voorbedachte raad en openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen. Daarbij is aan [eiser] opgelegd een gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden (waarbij de tijd die [eiser] in voorarrest heeft doorgebracht in mindering diende te worden gebracht op de opgelegde straf). Voorts is een aantal vorderingen tot schadevergoeding toegewezen. [eiser] heeft cassatieberoep tegen dit arrest ingesteld. Dit cassatieberoep is inmiddels verworpen.

2.2.

Bij het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: VI) van 31 augustus 2018 is bepaald dat [eiser] zich met ingang van de VI dient te houden aan (naast de gebruikelijke algemene voorwaarden) de volgende bijzondere voorwaarden (verkort en samengevat weergegeven):

  • -

    een contactverbod met de heer [A] , de familie [B] , mevrouw [C] en haar ouders;

  • -

    een locatieverbod voor delen van [plaats 2] en [plaats 3] en voor [plaats 4] , waarbij de naleving van dit verbod wordt ondersteund door middel van elektronisch toezicht;

  • -

    een meldplicht bij de reclassering;

  • -

    het zich onder behandeling stellen van [X] ;

  • -

    voorwaarden betreffende het gedrag.

[eiser] is per 7 september 2018 voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

2.3.

[eiser] is eind oktober 2018 bij deze rechtbank een kort geding gestart, waarin hij heeft gevorderd, kort gezegd, de opheffing, schorsing dan wel wijzigingen van het besluit VI, in die zin dat hij woonachtig mag zijn bij zijn partner te [plaats 2] , dat het locatieverbod enkel geldt voor de straat waar de personen wonen die naar het oordeel van het Hof slachtoffer van de gedragingen van [eiser] zijn geworden en dat er ook alleen ten aanzien van die personen sprake is van een contactverbod. In een op 10 december 2018 gewezen vonnis heeft de voorzieningenrechter die vorderingen afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

  • -

    het locatieverbod voor [plaats 4] en het contactverbod met mevrouw [C] en haar ouders op te heffen, dan wel een zodanige voorziening te treffen dat deze verboden geen belemmering vormen voor de omgang tussen [eiser] en zijn zoon [de zoon] , mevrouw [C] en haar ouders;

  • -

    het locatieverbod voor [plaats 3] en het locatieverbod voor (grote delen van) [plaats 2] zodanig te wijzigen dat [eiser] door het verboden gebied kan en mag reizen om respectievelijk het [Ziekenhuis I] en het [Ziekenhuis II] te kunnen bereiken, een en ander om aldaar zijn artsen te kunnen bezoeken of medische behandelingen te kunnen ondergaan, dan wel een andere voorziening te treffen met het oog op dit doel;

  • -

    het locatieverbod voor (grote delen van) [plaats 2] zodanig te wijzigen dat [eiser] na de op korte termijn voorgenomen operatieve ingreep/ingrepen in het [Ziekenhuis I] en het [Ziekenhuis III] op het adres van zijn nieuwe partner te [plaats 2] mag verblijven om daar door haar (medisch) te kunnen worden verzorgd, dan wel een andere voorziening te treffen met het oog op dit doel;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Er is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden sinds het vonnis van 10 december 2018, die maken dat er thans voldoende reden is voor toewijzing van het gevorderde. Zo staan er bezoeken aan de genoemde ziekenhuizen gepland, is inmiddels de ondertoezichtstelling van [de zoon] uitgesproken en is het onderzoek naar de omgangsmomenten tussen [eiser] en [de zoon] aangevangen. Door desondanks alle verboden onverkort te handhaven worden aan [eiser] toekomende rechten geschonden.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Gezien het primaire verweer van de Staat dat er sprake is van een verkapt appel, stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. [eiser] verzet zich in de onderhavige procedure tegen de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden, zoals hij ook heeft gedaan in kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 10 december 2018. In dat vonnis is de voorzieningenrechter gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat niet kan worden geconcludeerd dat het OM de hem toekomende (ruime) beleidsvrijheid heeft overschreden bij de keuze voor de bijzondere voorwaarden. Daartoe heeft de voorzieningenrechter het (marginale) toetsingskader, de toelichting van de Staat ten aanzien van de redenen voor het opleggen van de voorwaarden en de doelstellingen van de VI vermeld. De voorzieningenrechter is niet meegegaan in de stellingen die [eiser] in dat geding heeft ingenomen betreffende die doelstellingen. Dat geldt onder meer voor de stelling van [eiser] ten aanzien van het volgens hem lage recidiverisico. Ten aanzien van de locatieverboden heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd dat de beperkingen waar die verboden toe leiden onevenredig zijn. De voorzieningenrechter heeft verder de Staat gevolgd in zijn verweer dat er alternatieven denkbaar zijn, anders dan het wijzigen van de bijzondere voorwaarden op de door [eiser] voorgestane wijze, die ertoe leiden dat [eiser] tijdig in een ziekenhuis kan zijn indien dat nodig is en dat hij contact kan onderhouden met zijn partner, familieleden en (de school van zijn) kinderen. Ten aanzien van de door [eiser] voorgestane wijziging van het contactverbod met mevrouw [C] en haar ouders heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de omstandigheid dat zij geen slachtoffers zijn in het strafproces niet maakt dat ten aanzien van hen geen contactverbod als bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd. De stand van zaken met betrekking tot de omgang tussen [eiser] en [de zoon] noodzaakt volgens de voorzieningenrechter niet tot het opheffen van het contactverbod met mevrouw [C] , de moeder van [de zoon] . Ten slotte heeft de voorzieningenrechter de omstandigheid dat het OM aanleiding ziet om het advies van de reclassering niet te volgen niet onbegrijpelijk geacht.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] aan zijn vorderingen in het onderhavige geding, die er wederom toe strekken dat de bijzondere voorwaarden worden opgeheven en/of gewijzigd, grotendeels dezelfde gronden, feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Voor zover dat het geval is, gaat de voorzieningenrechter daar in dit geding niet weer op in. De voorzieningenrechter ziet geen reden om in zoverre tot een ander oordeel te komen dan waartoe de voorzieningenrechter is gekomen in het vonnis van 10 december 2019. Tegen dat vonnis heeft [eiser] kennelijk ook appel aangetekend, zodat deze stellingen van [eiser] in die – daarvoor aangewezen – procedure aan de orde kunnen komen.

4.3.

Aan de vordering tot wijziging van het locatieverbod voor (grote delen van) [plaats 2] heeft [eiser] wederom ten grondslag gelegd dat hij een bepaald ziekenhuis moet kunnen bezoeken. [eiser] meent echter dat de door hem genoemde controle(s) bij zijn cardioloog (volgend op de fietstest die op 23 april 2019 tijdens dit geding met toestemming van de reclassering op die locatie heeft plaatsgevonden) als nieuwe omstandigheid zou(den) moeten worden aangemerkt.

4.4.

Ook als de voorzieningenrechter daarin mee zou gaan, kan dat nog niet leiden tot een andere beslissing dan de beslissing die is genomen in het vonnis van 10 december 2018. De Staat heeft er namelijk terecht op gewezen dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat deze controle(s) persé op de locatie van het [Ziekenhuis II] aan de [straat] , gelegen binnen het verboden gebied, moet(en) plaatsvinden. Dit ziekenhuis heeft ook andere vestigingen, gelegen buiten het verboden gebied, en van [eiser] kan gevergd worden dat hij zich in voldoende mate inspant om te bewerkstellingen dat deze controle(s) daar kunnen plaatsvinden. De voorzieningenrechter is niet gebleken van enige poging van [eiser] hiertoe.

4.5.

Voor zover [eiser] verwijst naar een operatie die hij in het [Ziekenhuis I] zal moeten ondergaan (dat is gelegen buiten het verboden gebied, maar waarbij voor de weg daar naartoe een klein stuk door de rand van het verboden gebied moet worden gereisd), heeft te gelden dat daar nog geen concrete (datum)informatie over voorhanden is en dat de Staat al meermaals aan [eiser] heeft aangegeven dat voor bezoeken aan dat ziekenhuis ontheffing zal worden verleend. Gelet daarop valt niet in te zien waarom deze omstandigheid tot een andere beslissing zou moeten leiden dan de beslissing die is genomen in het vonnis van 10 december 2018. De voorzieningenrechter overweegt hierbij nog dat het hem niet onredelijk voorkomt dat [eiser] dergelijke ontheffingsverzoeken tijdig moet indienen. Er moet immers voldoende tijd zijn voor zowel de beoordeling hiervan als voor de feitelijke handelingen die moeten worden verricht indien toestemming wordt gegeven.

4.6.

Verder kan de enkele stelling van [eiser] dat hij na de operaties, die hij de komende tijd zal moeten ondergaan, (medisch) verzorgd dient te worden en daarvoor bij zijn partner zal moeten verblijven, geen grond vormen voor wijziging van het locatieverbod voor [plaats 2] . Daartoe is redengevend dat er op dit moment én nog geen data van operaties bekend zijn én er geen informatie is verstrekt over de gevolgen van de operaties ter ondersteuning van de juistheid van voormelde stelling.

4.7.

Van nieuwe feiten en omstandigheden in het kader van het onderzoek naar de mogelijkheid van omgang tussen [eiser] en zijn zoon [de zoon] is genoegzaam gebleken. [eiser] heeft er terecht op gewezen dat i) [de zoon] na het vonnis van 10 december 2018 onder toezicht is gesteld met het oog op het tot stand brengen van een omgangsregeling tussen [eiser] en [de zoon] , ii) het onderzoek naar de mogelijkheden voor begeleide omgang tussen [eiser] en [de zoon] inmiddels is gestart en er een eerste gesprek heeft plaatsgevonden en iii) de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in zijn rapport van 28 december 2018 heeft opgemerkt dat het locatieverbod voor [plaats 4] en het contactverbod met mevrouw [C] en haar ouders belemmerend werken voor de omgang. Dat omgang in [plaats 4] het minst belastend is voor [de zoon] , zoals [eiser] stelt, kan de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding niet vaststellen. De verklaring van [eiser] dat zowel een reclasseringsmedewerker als de voogd van [de zoon] dit hebben gezegd, acht de voorzieningenrechter daartoe onvoldoende. Als daar echter toch vanuit zou worden gegaan dan heeft dit, naar de voorzieningenrechter aanneemt, betrekking op de reguliere omgangscontacten in de toekomst en niet per se op de (eerste) begeleide omgangscontacten. In het rapport van de Raad wordt immers bij de vraag in hoeverre de contra-indicaties kunnen worden opgeheven als mogelijkheid genoemd dat de begeleide omgang plaats zou kunnen vinden buiten de gemeente van beide ouders.

4.8.

De Raad noemt voorts als optie bij voormelde vraag dat er afspraken kunnen worden gemaakt met de reclassering. Het resultaat daarvan is echter nog niet bekend, gezien de fase waarin het onderzoek zich bevindt. Voor zover de voorzieningenrechter thans kan vaststellen zijn er nog geen concrete afspraken gemaakt over de eerste omgangscontacten en is ook nog niet duidelijk op welke wijze deze omgangscontacten zullen worden vormgegeven. Dat is wel van belang omdat volledige opheffing van de verboden, zoals [eiser] primair heeft gevorderd, hoe dan ook niet nodig lijkt te zijn. De verboden kunnen immers zo nodig ook zodanig worden gewijzigd dat deze geen belemmering vormen voor de omgang tussen [eiser] en [de zoon] , mevrouw [C] en haar ouders, zoals ook subsidiair door [eiser] is gevorderd. Gezien het vorenstaande is daarvoor op dit moment echter geen plaats.

4.9.

De vorderingen komen gezien het vorenstaande niet voor toewijzing in aanmerking. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding als na te melden.

4.10.

Naar aanleiding van de stellingen van [eiser] ter zitting acht de voorzieningenrechter het van belang om ten overvloede nog het volgende te overwegen. Kennelijk is het gevoelen van [eiser] dat al zijn verzoeken categorisch worden afgewezen en dat hij wordt tegengewerkt door het OM. De voorzieningenrechter ziet hiervoor echter geen bevestiging in de overgelegde stukken. Daaruit kan veeleer worden afgeleid dat het OM in redelijkheid de verzoeken beoordeelt, maar daarbij uiteraard wel acht slaat op de doelstellingen van de VI. Een ander gevoel dat [eiser] ter zitting tot uiting heeft gebracht is dat de (strikte handhaving van de) voorwaarden hem belemmeren om zijn goede voornemens – die betrekking hebben op de inrichting van zijn leven – te verwezenlijken. Dat de voorwaarden een beperkend effect hebben, staat zonder meer vast, maar zoals reeds in het vonnis van 10 december 2019 is overwogen is het van belang om voor ogen te blijven houden dat de VI een vorm is van tenuitvoerlegging van een opgelegde straf en dat bij de inhoud van de voorwaarden acht is geslagen op de doelstellingen van de VI, waarbij ook de belangen van de slachtoffers in ogenschouw worden genomen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019.

ts