Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5271

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
AWB 19 840
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV nareis pleegkind. Geen toestemmingsverklaring overgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/840

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 januari 2019 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 mei 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen ter zitting. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam 2]1 en

[naam 3] 2.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te bezitten. Referent is de gestelde nicht van eisers biologische moeder. Zij stelt dat zij de pleegmoeder is van eiser. Aan referent is op 19 december 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 12 februari 2016 heeft referent namens eiser een mvv3 aangevraagd in het kader van nareis asiel4. Bij besluit van 21 juli 2017 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Op 25 juli 2018 is eiser op de Nederlandse ambassade te [plaats] in Ethiopië geïnterviewd. Referent is op 4 oktober 2018 gehoord door verweerder. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Verweerder werpt aan eiser tegen dat hij geen toestemmingsverklaring van zijn biologische moeder heeft overgelegd. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder de identiteit van de biologische moeder en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische moeder niet aangetoond. Verweerder stelt dat de pogingen die referent heeft ondernomen om de biologische moeder van eiser te traceren niet heeft onderbouwd met (bewijs)stukken. Ook hebben eiser en referent geen plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen gegeven voor het feit dat er geen toestemmingsverklaring kan worden overgelegd. Daarom kan niet worden voorbij gegaan aan het vereiste dat een toestemmingsverklaring moet worden overgelegd en komt eiser om die reden niet in aanmerking voor de gevraagde mvv.

3. Eiser voert in beroep aan dat zijn biologische moeder hem heeft achtergelaten bij referent, waardoor zij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van hem. Referent heeft uitvoerig uiteengezet hoe zij heeft getracht de verblijfsplaats van de biologische moeder van eiser te achterhalen. Verweerder heeft niet aangegeven welke documenten zij had moeten overleggen om dit te onderbouwen. Er is sprake van bewijsnood ten aanzien van de toestemmingsverklaring. Dat eiser heeft verklaard dat zijn moeder naar het buitenland ging om een baan te vinden, maakt niet dat sprake is van onaannemelijke en inconsistente verklaringen over de toestemmingsverklaring. Eiser en referent hebben beiden een reden genoemd waarom de biologische moeder van eiser Somalië heeft verlaten. Dit zijn geen tegenstrijdige verklaringen, maar zij vullen elkaar aan.

Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de nadruk legt op de juridische toets, terwijl het gaat om herstel van een gezinssituatie na een vluchtsituatie. Het gaat dus om de feitelijke zorgsituatie en niet om de juridische, familierechtelijke relatie. Ter zitting heeft eiser zich beroepen op het arrest van het Hof5 van 13 maart 20196. Het Hof heeft volgens eiser in dit arrest bepaald dat het aannemen van bewijsnood niet doorslaggevend is en dat verweerder eerder aanleiding moet zien tot nader onderzoek. Verweerder richt zich volgens eiser ten onrechte op de relatie tussen hem en zijn biologische moeder en laat na de relatie tussen eiser en referent te betrekken bij het besluit. Daarbij dient ook de duur en reden van opname van het pleegkind in het gezin te worden betrokken. Eiser is vanaf zijn eerste jaar opgevangen door referent en er is sprake van financiële afhankelijkheid.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In de uitspraak van 4 januari 20197 heeft de Afdeling8 bepaald dat als een nareisaanvraag een gesteld pleegkind betreft, verweerder moet beoordelen of dat pleegkind voldoet aan het in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw neergelegde vereiste dat het op het moment van de binnenkomst van de desbetreffende referent in Nederland tot diens gezin behoort. Een gesteld pleegkind voldoet niet aan dit vereiste als het nog behoort tot het gezin van zijn biologische ouders. De beoordeling of een gesteld pleegkind op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland tot diens gezin behoort, is daarom onlosmakelijk verbonden met de hieraan voorafgaande beoordeling of dat pleegkind nog behoort tot het gezin van zijn biologische ouders. Hiervoor moet verweerder onder meer beoordelen of is gestaafd wie de biologische ouders van een gesteld pleegkind zijn.

5. De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling aldus dat verweerder bij een aanvraag om verlening van een mvv nareis asiel voor een gesteld pleegkind de volgende toetsingsvolgorde aanhoudt:

- de identiteit van het pleegkind, de biologische ouders en de afstammingsrelatie moet worden vastgesteld;

- vast moet komen te staan dat het gezag is overgedragen aan de gestelde pleegouder, en

- de feitelijke gezinsband tussen de pleegouder en het pleegkind moet worden beoordeeld.

6. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het geschil zich toespitst op de vraag of referent aannemelijk heeft gemaakt dat het niet mogelijk is om de vereiste toestemmingsverklaring over te leggen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de identiteit van het pleegkind, de biologische ouders en de afstammingsrelatie niet (langer) in geschil zijn.

7. Volgens hoofdstuk C2/4.1. van de Vc9 verleent verweerder geen mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis, als degene die in het land van herkomst belast is met het gezag over de kinderen, geen toestemmingsverklaring heeft afgegeven met het oog op het vertrek van de kinderen naar Nederland. Verweerder gaat ervan uit dat het gezag over de kinderen bij beide biologische ouder(s) ligt, tenzij is aangetoond dat dit niet het geval is. Verweerder verleent een verblijfsvergunning asiel in het kader van nareis asiel uitsluitend als:

- de achterblijvende biologische ouder toestemming geeft voor het vertrek van de kinderen naar Nederland; of

- de referent recente officiële documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat referent als enige belast is met het gezag over de kinderen; of

- de referent recente officiële documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat het gezag over de kinderen is belegd bij een andere volwassene dan de achterblijvende biologische ouder én de gezaghebbende volwassene toestemming geeft voor het vertrek van de kinderen naar Nederland; of

- de referent recente documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder, dan wel de gezaghebbende volwassene, geen toestemmingsverklaring kan overleggen; of

- de referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien de referent het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat referent geen recente documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat eisers biologische moeder geen toestemmingsverklaring kan overleggen. Verweerder heeft daarbij terecht opgemerkt dat er op referent een inspanningsverplichting rust om eisers biologische moeder te traceren ter verkrijging van de vereiste toestemmingsverklaring. Referent heeft weliswaar op verzoek van verweerder toegelicht wat zij naar eigen zeggen heeft gedaan om eisers biologische moeder te traceren, maar zij heeft nagelaten dit te onderbouwen met documenten. Uit de toelichting blijkt ook niet dat het gaat om recente inspanningen om eisers biologische moeder te traceren, nu referent in de brief van 5 januari 2019 heeft verwezen naar zoekacties in 2011 en 2012. Ter zitting heeft referent weliswaar verwezen naar zeer recente zoekacties via het Rode Kruis en de UNHCR10, maar deze inspanningen zijn niet met documenten onderbouwd en dateren bovendien van na het bestreden besluit.

9. Eisers beroep op het arrest van het Hof van 13 maart 2019 maakt deze beoordeling niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat het in dat arrest uitsluitend nog ging om het ontbreken van overlijdensakten van de biologische ouders van het betreffende pleegkind en om het feit dat de daarover door referent gegeven uitleg niet plausibel was11. In dit geval berust het bestreden besluit niet uitsluitend op het ontbreken van de benodigde akte(n) en de daarover door referent en eisers gegeven, niet plausibel gevonden, uitleg, maar heeft verweerder tegengeworpen dat niet is voldaan aan de inspanningsplicht. Verweerder heeft zowel eiser als referent gehoord en heeft referent daarna op 20 december 2018 in de gelegenheid gesteld om concreet en gedetailleerd aan te geven welke pogingen zij heeft ondernomen om eisers biologische moeder te traceren en op wat voor manier zij dit heeft gedaan. Daarbij heeft verweerder expliciet verzocht om deze pogingen met documenten te onderbouwen. Nu referent heeft nagelaten aan verweerders verzoek te voldoen, heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een mvv nareis asiel terecht afgewezen wegens het ontbreken van een toestemmingsverklaring van de biologische moeder van eiser. Aan de vraag of sprake is van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent, komt de rechtbank derhalve niet toe.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. van Andel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Referent.

2 Tolk Somalisch.

3 Machtiging tot voorlopig verblijf.

4 Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

5 Hof van Justitie van de Europese Unie.

6 E. tegen staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, C-635/17, ECLI:EU:C:2019:192.

7 ECLI:NL:RVS:2019:25.

8 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

9 Vreemdelingencirculaire 2000.

10 United Nations High Commissioner for Refugees.

11 Punt 72 van dit arrest.