Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5255

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6853
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BEROEP ONGEGROND

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-09-2019
FutD 2019-2449
NTFR 2019/2512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/6853

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

2 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [PLAATS], eiser
(gemachtigde: mr. F.A. Piek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 3 september 2018 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem voor de jaren 2003 tot en met 2015 gegeven informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A]. Namens eiser is niemand verschenen. De gemachtigde heeft bij fax van 24 april 2019 verzocht om uitstel van de zitting, omdat de gevraagde informatie toch voorhanden is en hij deze informatie zo spoedig mogelijk aan verweerder zal toezenden. De rechtbank heeft in dit verzoek geen aanleiding gevonden om de zitting uit te stellen. Dit in verband met de omstandigheid dat een informatiebeschikking juridisch gezien niet hetzelfde is als een (navorderings)aanslag. De griffier heeft de gemachtigde hiervan telefonisch op de hoogte gesteld, waarna de gemachtigde telefonisch heeft aangegeven niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiser een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Overwegingen

1. Eiser heeft een buitenlandse bankrekening bij de Banque Internationale à Luxembourg te Luxemburg aangehouden, welke hij niet in zijn aangiften heeft aangegeven. Eén van de twee voormalige gemachtigden van eiser heeft ter zake van deze bankrekening bij brief van 6 januari 2015 (de inkeerverklaring) een (nieuwe) inkeerverklaring naar verweerder verzonden. In die brief is onder meer aangegeven dat het saldo op die rekening in 2002 ruim € 650.000 bedroeg en in 2012 ruim € 450.000 en dat dit blijkt uit de bijgevoegde bankstukken en berekening. Voorts wordt in de inkeerverklaring nog gewezen op een bepaalde transactie van 9 november 2005 en dat met betrekking tot deze overboeking vragen zijn gesteld aan de bank en dat afschriften van de daartoe verzonden brieven als bijlagen zijn bijgevoegd. In de inkeerverklaring staat niet het aantal bijlagen vermeld. Verweerder heeft de inkeerverklaring op 8 januari 2015 ontvangen.

2. Verweerder heeft nadat hij aan de voormalige gemachtigden te kennen heeft gegeven dat hij de bijlagen bij de inkeerverklaring niet heeft ontvangen, herhaaldelijk aan de voormalige gemachtigden verzocht om toezending van de relevante bankstukken alsmede de “Verklaring vrijwillige verbetering" in te vullen en deze met de bijbehorende stukken, waaronder de gegevens van het niet aangegeven vermogen op 1 januari van de jaren 2001 tot en met 2013 alsmede de gegevens over de herkomst en besteding van dat vermogen, toe te zenden.

3. De voormalige gemachtigden hebben in hun reacties daarop steeds aangegeven dat de gevraagde bankstukken als bijlagen bij de inkeerverklaring zaten, dat zij die stukken niet meer op kantoor hebben (kunnen vinden) en dat verweerder ook zonder die stukken over voldoende informatie beschikt om tot een juiste bepaling van de verschuldigde belasting te komen.

4. Verweerder heeft uiteindelijk met dagtekening 27 oktober 2016 de onderhavige informatiebeschikking gegeven.

5. In de bezwaarfase heeft de huidige gemachtigde tijdens het hoorgesprek op 12 juli 2018 eveneens aangegeven dat de gevraagde stukken als bijlagen in de inkeerverklaring waren gevoegd.

6. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar, voor zover de informatiebeschikking ziet op de jaren 2010 tot en met 2013, ongegrond verklaard. Het bezwaar is voor het overige - in verband met het langdurig stilzitten van verweerder (2003 tot en met 2009) en het niet stellen van vragen (2014 en 2015) - gegrond verklaard.

7. De gemachtigde heeft in zijn fax van 24 april 2019 - daags voor de zitting - aangegeven dat de gevraagde informatie toch voorhanden is en dat hij deze informatie zo spoedig mogelijk aan verweerder zal toezenden.

8. In geschil is of de informatiebeschikking, voor zover dat ziet op de jaren 2010 tot en met 2013, terecht is gegeven.

9. De stelling van eiser dat verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde stukken reeds met de inkeerverklaring heeft ontvangen, acht de rechtbank, gelet op hetgeen daarvoor door verweerder is aangevoerd en de kleine, slechts met 122 eurocent gefrankeerde, A5-enveloppe, waarin de inkeerverklaring is ontvangen, volstrekt ongeloofwaardig. Ondanks het feit dat drie opeenvolgende gemachtigden (allen advocaten) jarenlang hebben verklaard dat de gevraagde stukken reeds met de inkeerverklaring aan verweerder waren verstrekt en (in het bijzonder) dat die stukken niet meer op kantoor voorhanden waren, komt thans, gelet op de fax van de gemachtigde van 24 april 2019, feitelijk vast te staan dat die stukken wel degelijk op het kantoor van de gemachtigde aanwezig waren. Daarmee komt naar het oordeel van de rechtbank eveneens vast te staan dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiser op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van vier weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van

mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.