Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5235

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
19/1282
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering ter fine van strafvervolging aan Rwanda. De rechtbank verklaart uitlevering aan Rwanda toelaatbaar. De man zal in Rwanda vervolgd kunnen worden voor (medeplichtigheid aan) genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. De man heeft aangevoerd dat hij in Rwanda geen eerlijk proces zal krijgen. De rechtbank komt, mede op grond van monitoring reports die in eerdere zaken zijn uitgebracht, tot het oordeel dat er geen vrees bestaat voor dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank adviseert de minister van Veiligheid en Justitie ook in deze zaak het proces in Rwanda te laten waarnemen en de waarnemingsrapporten publiek toegankelijk te maken. De rechtbank adviseert de minister ook zich ervan te vergewissen dat de man voldoende medische zorg in Rwanda zal krijgen. Uiteindelijk zal de minister moeten beslissen of de man daadwerkelijk uitgeleverd zal worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2010023570
Raadkamernummer 19/1282

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Rwandese autoriteiten tot uitlevering van:

[Opgeëiste persoon] ,

geboren op [Geboortedatum] 1949 te [Geboorteplaats] ( [Geboorteland] ),

wonende te [Woonplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [Adres PI] ,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

1.1

Het verzoek tot uitlevering

Het ministerie van Justitie van Rwanda (hierna ook: de verzoekende staat) heeft aan het ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een in de Engelse taal opgesteld gewaarmerkt verzoek doen toekomen, gedateerd 1 augustus 2018, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek).

Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in Rwanda verdacht van deelname aan de genocide in Rwanda in 1994.

Bij brief van 28 december 2018 van de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) te Driebergen, is verzocht het door de Rwandese autoriteiten gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen. Bij vordering van 19 maart 2019 heeft de officier van justitie bij het Landelijk Parket gevorderd dat de rechtbank Den Haag het verzoek tot uitlevering in behandeling zal nemen. Door de officier van justitie bij het Landelijk Parket is voorzien in een vertaling van het uitleveringsverzoek in de Nederlandse taal, opgesteld door een beëdigd vertaler.

1.2

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:

  • -

    het door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, gedateerd 1 augustus 2018;

  • -

    een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

  • -

    de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften waarin de feiten waarop de verdenking ziet strafbaar zijn gesteld, alsmede rechtsvoorschriften die (onder meer) zien op de afschaffing van de doodstraf, het niet van toepassing zijn van vervolgingsverjaring, jurisdictie en competentie van gerechten;

  • -

    stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;

  • -

    informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn;

  • -

    diverse garanties met betrekking tot de rechten van de opgeëiste persoon;

1.3

De overige stukken

In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:

  • -

    stukken met betrekking tot de aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;

  • -

    de schriftelijke vordering van de officier van justitie van het Landelijk Parket te Rotterdam en plaatsvervangend officier van justitie te Den Haag, bij de rechtbank ingekomen op 18 maart 2019, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede inhoudende de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon;

  • -

    de schriftelijke samenvatting van de officieren van justitie, overgelegd ter zitting op 9 mei 2019, houdende hun opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;

  • -

    de pleitnotities van de raadslieden van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 9 mei 2019.

2 De inhoud van het verzoek

Blijkens het verzoekschrift zijn de Rwandese autoriteiten voornemens om de opgeëiste persoon te vervolgen voor genocide, medeplichtigheid aan genocide en misdrijven tegen de menselijkheid, gepleegd in de periode van 7 april 1994 tot en met juli 1994 in de [Pleegplaats] in de Republiek Rwanda.

Aan deze verdenking worden door de verzoekende staat de volgende feiten ten grondslag gelegd. De opgeëiste persoon was directeur van de [Bedrijf] . Tussen 25 en 30 april 1994 heeft hij gereedschappen zoals schoffels, grote messen en machetes verstrekt aan Hutu-burgers, om te gebruiken om Tutsi-burgers te doden. Samen met Hutu-burgers uit de gemeente Maraba en gendarmes die door hem uit militair kamp [Naam] waren gehaald, is hij naar Rubona Hill in [Pleegplaats] gegaan. Daar hebben zij zich zodanig georganiseerd dat de Hutu-burgers de Tutsi-burgers die zich daar hadden verzameld omsingelden, terwijl de gendarmes de Tutsi-burgers doodschoten. Ontsnapte Tutsi-burgers werden met traditionele wapens gedood.

Voorts heeft hij tussen 25 en 28 april 1994 een beroep gedaan op Hutu-medewerkers van het [Bedrijf] en Hutu-burgers en hen voorzien van schoffels, grote messen, machetes en traditionele wapens. De Hutu Interahamwe die uit de aangrenzende Maraba- en Masasu gebieden kwamen, werkten samen met de Hutu-burgers die gereedschappen hadden gekregen om Tutsi-burgers aan te vallen die binnen het [Bedrijf] werkten. Samen met anderen heeft hij gendarmes mee gebracht, waarna alle Tutsi-burgers in de verschillende struiken rondom het Instituut zijn samengebracht en gedood met machetes, grote messen en traditionele wapens.

3 Het onderzoek ter zitting

3.1

De behandeling

Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 9 mei 2019. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.

De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadslieden mrs. D.E. Wiersum en C. Buisman - heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, en dat hij sinds 2000 tracht om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen.

Namens het openbaar ministerie zijn verschenen de officieren van justitie mrs. D.J. Laman en N.H. Vogelenzang.

3.2

Het standpunt van de opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de uitlevering niet moet worden toegestaan. Hiertoe is aangevoerd dat uitlevering in strijd zou zijn met artikel 2, 3 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Verder is aangevoerd dat het beginsel van de goede rechtsbedeling vereist dat in deze zaak – mits er voldoende bewijs is – de strafvervolging in Nederland dient plaats te vinden.

3.3

De opvatting van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard.

4 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

4.1

Inleiding

Zoals de rechtbank hierna zal overwegen is op het verzoek (onder meer) toepasselijk de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven (hierna: WOO). De rechtbank zal om verwarring te voorkomen in deze uitspraak niet de term ‘overlevering’ gebruiken, maar ‘uitlevering’. De term overlevering is naar de huidige Nederlandse rechtsopvatting immers voorbehouden aan het rechtshulpverkeer tussen Nederland en internationale gerechten en het rechtshulpverkeer binnen de Europese Unie. Rechtshulpverkeer met landen buiten de Europese Unie waarbij verzocht wordt personen van de rechtsmacht van een staat naar de rechtsmacht van een andere staat te brengen, pleegt te worden aangeduid als uitlevering, zodat de rechtbank deze terminologie zal aanhouden.

De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.

De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de minister en anderzijds de uitleveringsrechter. Voor zover namens de opgeëiste persoon is verwezen naar buitenlandse uitleveringsprocedures, merkt de rechtbank op dat Nederland één van de weinige landen is die een dergelijke bevoegdheidsverdeling kent. Dit maakt dat beslissingen in buitenlandse procedures - zeker wanneer deze zijn gestoeld op een ander rechtssysteem - niet of nauwelijks te vergelijken te zijn met de criteria die de uitleveringsrechter in Nederland in de beoordeling kan betrekken.

4.2

Toepasselijke wetten en verdragen

Op het verzoek is naast de WOO en de UW het op 9 december 1948 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna: Genocideverdrag) van toepassing. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het Genocideverdrag op zichzelf geen verdragsbasis biedt voor uitlevering met betrekking tot misdrijven tegen de menselijkheid. Blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken is in de onderhavige zaak echter sprake van één en hetzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van de rechtbank biedt daardoor het Genocideverdrag een toereikende verdragsbasis voor uitlevering.

4.3

Genoegzaamheid van de stukken

Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de minister. Het verzoek is conform artikel 18 van de UW vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan genocide, medeplichtigheid aan genocide en misdrijven tegen de menselijkheid, gepleegd in de periode van 7 april 1994 tot en met juli 1994 in de [Pleegplaats] in de Republiek Rwanda. Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking.

De stukken zijn derhalve genoegzaam.

4.4

Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Aan dit vereiste is voldaan nu zowel naar Nederlands recht als naar Rwandees recht sprake is van een strafbedreiging van meerdere jaren.

4.5

Ne bis in idem en verjaring

Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Van een lopende of voltooide vervolging naar Nederlands recht is geen sprake en evenmin vormt verjaring een belemmering nu de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht niet verjaren.

4.6

Vervolging wegens een politiek delict

Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat in artikel VII van het Genocideverdrag nadrukkelijk is bepaald dat in geval van uitlevering genocide niet wordt beschouwd als politiek misdrijf.

4.7

Kennelijke onschuld

Van uitlevering dient te worden afgezien indien de opgeëiste persoon onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Van kennelijke onschuld kan enkel sprake zijn indien uit het verweer van de opgeëiste persoon - en de eventuele onderbouwing met stukken - volgt dat de opgeëiste persoon de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd materieel niet kan hebben gepleegd. Vooropgesteld moet worden dat een onschuldbewering volgens vaste jurisprudentie alleen opgaat indien de rechtbank onverwijld - dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - tot de overtuiging komt dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld

De opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onschuldig is aan hetgeen hem in Rwanda wordt verweten. Dit standpunt is echter op geen enkele wijze onderbouwd. De opgeëiste persoon heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onverwijld zijn onschuld aangetoond.

4.8 (

Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten

In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM voorbehouden aan de minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en/of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter niet snel dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van het EVRM, komt de uitleveringsrechter in de regel niet toe, omdat pas na de berechting in de

verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie.

Hoewel de uitleveringsrechter aldus slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM en een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM, kan hetgeen is aangevoerd omtrent een (dreigende) schending van artikel 3 of 6 van het EVRM wel aanleiding vormen voor de uitleveringsrechter om eventuele opvattingen kenbaar te maken in het advies aan de minister als bedoeld in artikel 30 van de UW.

Gelet op het vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep op artikel 3 van het EVRM niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM is immers geen sprake.

Namens de opgeëiste persoon is tevens een beroep gedaan op artikel 6 van het EVRM. Gesteld wordt dat er een reëel risico is dat de door de Rwandese autoriteiten verstrekte garanties in de praktijk niet zullen worden nageleefd. Daarbij is verwezen naar het rapport van mr. M.R. Witteveen van 3 juni 2015, waarin - kort gezegd - wordt geconcludeerd dat verdachten van genocide in Rwanda geen eerlijk proces zullen krijgen en niet zullen kunnen beschikken over een adequate verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank kan - gelet op een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag met betrekking tot een soortgelijke uitlevering naar Rwanda (ECLI:NL:GHDHA:2016:1924) - uit de inhoud van dit rapport echter niet worden afgeleid dat bij uitlevering aan Rwanda van de opgeëiste persoon een reëel risico bestaat op een flagrante schending van artikel 6 van het EVRM. Evenmin kan deze conclusie worden getrokken op grond van de namens de opgeëiste persoon naar voren gebrachte voorbeelden waarin (mogelijk) sprake zou zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces. Daarbij merkt de rechtbank op dat het merendeel van deze voorbeelden betrekking heeft op een ander soort zaken, die niet vallen onder de zogenaamde Transfer Law. Hier tegenover staan de procedures die wel worden gevoerd onder de Transfer Law, waaronder de strafzaken tegen twee personen die eerder door Nederland aan Rwanda zijn uitgeleverd. Met betrekking tot die twee strafzaken, worden door de Kenyan Sector van de International Commission of Jurists (hierna: ICJ Kenya) jaarlijks monitoring reports vrijgegeven. Uit deze monitoring reports volgen geen directe indicaties dat moet worden gevreesd voor een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM met betrekking tot de opgeëiste persoon. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM.

Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat tegen een eventuele schending van het recht op een eerlijk proces geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ten dienste staat. Het enkele standpunt dat de rechtspraak in Rwanda niet onafhankelijk is en het (niet onderbouwde) standpunt dat uitspraken van het African Court on Humans and People’s Rights door Rwanda naast zich neer worden gelegd, brengt niet met zich dat moet worden geconcludeerd dat er geen effectief rechtsmiddel is, temeer nu processen onder de Transfer Law worden gemonitord. Het beroep wordt derhalve verworpen.

Voor zover namens de opgeëiste persoon is bepleit dat het beginsel van goede rechtsbedeling maakt dat de (eventuele) strafrechtelijke vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland dient plaats te vinden en niet in Rwanda, merkt de rechtbank op dat dit niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter is. Bij een dergelijke beoordeling dient immers ook de kans op een dreigende flagrante schending van artikel 3 EVRM te worden betrokken, hetgeen niet aan het oordeel van de uitleveringsrechter is onderworpen.

4.9

Tot slot

Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

5 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

- artikelen 5, 18, 26 en 28 van de UW;

- artikelen 1 en 2 van de WOO;

- artikelen II, III en VII van het Genocideverdrag;

- artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht;

- artikelen 3 en 4 van de Wet internationale misdrijven.

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Rwandese autoriteiten van [Opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van de in de door de Rwandese autoriteiten overgelegde affidavit, vermelde feiten.

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. F.W. van Dongen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 23 mei 2019.

Rechtbank den haag

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2010023570
Raadkamernummer 19/1282

Advies inzake uitlevering aan de minister van Justitie en Veiligheid

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, heeft bij uitspraak van heden, 23 mei 2019, de uitlevering aan Rwanda van:

[Opgeëiste persoon] ,

geboren op [Geboortedatum] 1949 te [Geboorteplaats] ( [Geboorteland] ),

wonende te [Woonplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [Adres PI] ,

verder te noemen: de opgeëiste persoon,

toelaatbaar verklaard. Een gewaarmerkt afschrift van deze uitspraak wordt u hierbij gezonden. De rechtbank adviseert in uw overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken.

Door de Rwandese autoriteiten zijn garanties gegeven voor een eerlijk proces. Deze zijn gecodificeerd in onder meer artikel 14 van de op de onderhavige zaak van toepassing zijnde Transfer Law. Op grond van de Transfer Law vindt berechting plaats door een speciale kamer van het High Court in [Plaats] . Daarnaast kent de Transfer Law bepaalde procedurele waarborgen, zoals immuniteit voor de advocaten die een verdachte in deze soort zaken bijstaan. De personen die verdacht en veroordeeld worden onder het regime van de Transfer Law ondergaan hun hechtenis respectievelijk gevangenisstraf in afzonderlijke, speciaal voor hen ingerichte (afdelingen van) penitentiaire faciliteiten.

Ten behoeve van een berechting onder deze Transfer Law heeft Nederland eerder twee personen uitgeleverd aan Rwanda, te weten [Naam] en [Naam] De Rwandese strafzaken tegen deze personen zijn nog niet afgerond, maar door de Kenyan Sector van de International Commission of Jurists (hierna: ICJ Kenya) zijn wel jaarlijks monitoring reports vrijgegeven. De rechtbank adviseert u om - indien u de verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon toestaat - ook het proces in de onderhavige zaak te doen waarnemen en de waarnemingsrapporten publiek toegankelijk te maken.

Door de Rwandese autoriteiten is voorts een garantie afgegeven met betrekking tot toegang tot medische zorg voor de opgeëiste persoon. Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken heeft de opgeëiste persoon blijvende medische behandeling nodig, bestaande uit - onder meer - toegang tot zeer specifieke medicatie. De garantie van de Rwandese autoriteiten ziet op inderdaad op medicatie, maar het is de rechtbank thans niet duidelijk of hiermee wordt voldaan aan de eisen die aan de behandeling van de opgeëiste persoon moeten worden gesteld. De rechtbank adviseert u derhalve zich er van te vergewissen dat de opgeëiste persoon voldoende adequate medische zorg zal ontvangen in Rwanda, zowel gedurende het eventuele strafproces dat daar zal volgen als er na. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het uitblijven van de vereiste medische zorg aan de opgeëiste persoon kan leiden tot een schending van artikel 2 of 3 van het EVRM.

Dit advies is gegeven op 23 mei 2019 door:

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. F.W. van Dongen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart, griffier.