Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5226

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
19.8388
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gnandi

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.8388

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL 19.8389, plaatsgevonden op 9 mei 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 1 maart 2019 heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend, welke in het bestreden besluit is afgewezen als kennelijk ongegrond. Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag is van rechtswege tevens een terugkeerbesluit.

2. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de weigering om aan hem een verblijfsvergunning te verlenen. Eiser voert aan dat het bestreden besluit strijdig is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 juni 2018 in de zaak C‑181/16, Sadikou Gnandi tegen de Belgische Staat, (ECLI:EU:C:2018:465, hierna: het arrest Gnandi), omdat aan het terugkeerbesluit geen schorsende werking is verleend.

3. Onder verwijzing naar het arrest Gnandi wordt overwogen dat de Terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan het gelijktijdig afwijzen van een asielaanvraag en het vaststellen van een terugkeerbesluit, op voorwaarde dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst in afwachting van de uitkomst van het beroep. Aan het terugkeerbesluit is in het geval van eiser geen schorsende werking verleend. Dit gebrek leidt echter niet tot een vernietiging van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het bestreden besluit is bepaald dat eiser de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten indien hij een verzoek om voorlopige voorziening indient. Eiser heeft tijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, zodat hij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten. Bij uitspraak van heden in de zaak NL19.8389 heeft de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening beslist. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser door het geconstateerde gebrek is benadeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. Wel vindt de rechtbank hierin aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Gelet op het onder overweging 3 geconstateerde gebrek zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 512,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2019.

griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.