Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:5222

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
19.4563
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.4563 en NL 19.4565


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eisers 1], v-nummer [v-nummer] en [eisers 2], v-nummer [v-nummer], eisers

Mede namens hun minderjarige kind [kind] v-nummer [v-nummer]

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: E. Soylemez).

Procesverloop

Bij besluiten van 26 februari 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL19.4564 en NL 19.4566, plaatsgevonden op 21 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Moallemzadeh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen als op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2. Op 25 oktober 2018 hebben eisers een asielaanvraag ingediend. Omdat uit EU-Vis is gebleken dat eisers op 8 juli 2018 door Frankrijk in het bezit zijn gesteld van een Schengenvisum geldig van 1 augustus 2018 tot 28 augustus 2018, heeft Nederland bij de Franse autoriteiten een verzoek om overname gedaan. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 15 januari 2019 aanvaard.

3. Eisers nemen het standpunt in dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten het Bureau Medisch Advies (BMA) nader onderzoek te laten doen naar de medische gesteldheid van eiseres en die van het minderjarige kind alvorens het besluit te nemen. Eisers stellen voorts vanwege hun bekering te vrezen voor vervolging uit wraak door hun directe familie in Frankrijk.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.

Voorts is van belang dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zijn algemeenheid van mag uitgaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit in hun geval niet zo is. Ook is niet gebleken dat Nederland het meest aangewezen land zou zijn om eisers te behandelen. Evenmin hebben eisers aangetoond dat de medische behandeling die zij eventueel nodig hebben, in Frankrijk niet voorhanden is.

In dat kader is van belang dat de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn ook gelden ten aanzien van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk. Voor zover eisers vrezen dat Frankrijk in strijd met deze richtlijnen en de waarborgen die hieruit voortvloeien handelt, heeft verweerder daarin geen aanleiding hoeven zien om af te zien van een overdracht aan Frankrijk, nu als uitgangspunt geldt dat eisers zich hierover dienen te beklagen bij de Franse autoriteiten. Niet is gesteld of gebleken dat dit niet mogelijk is voor eisers of dat de Franse autoriteiten hen niet zouden kunnen of willen helpen.

5. De rechtbank leidt uit het arrest van het Hof in de zaak C.K. tegen Slovenië van

16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) af dat zelfs als er geen gronden zijn om aan te nemen dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangomstandigheden in de aangezochte lidstaat, de Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest met zich kan meebrengen. Dit is met name aan de orde indien overdracht van een zeer zieke vreemdeling een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Verder volgt uit dit arrest dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat door eisers geen medische stukken zijn overgelegd waarin door een arts is aangegeven dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van hun gezondheidssituatie. Gelet hierop hoefde verweerder geen onderzoek door het BMA te laten verrichten.

7. Verweerder heeft verder in redelijkheid het standpunt ingenomen dat in de door eisers aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoefde te worden gezien om krachtens artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielverzoeken aan zich te trekken op basis van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt.

8. Op grond van artikel 32 van de Dublinverordening vindt tussen Nederland en Frankrijk bovendien een uitwisseling van medische gegevens plaats, mits eisers hiermee instemmen. De relevante gegevens worden dan uitgewisseld met een gezondheidsverklaring, zodat de Franse autoriteiten er zorg voor kunnen dragen dat in de bijzondere behoeften van eisers wordt voorzien, met name als het gaat om essentiële medische zorg voor eiseres en het minderjarige kind.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.

de griffier is verhinderd deze uitspraak rechter

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.