Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4939

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
C/09/553411 / HA ZA 18-580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van artikel 3:180 BW voorbarig ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2019/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/553411 / HA ZA 18-580

Vonnis van 16 januari 2019

in de zaak van

[eiser] , te [plaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. G.C. Haulussy te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] , te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. T.F.W. Bijloo te den Haag,

2. [gedaagde 2], te geheim adres,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.F.W. Bijloo te Den Haag,

3. [gedaagde 3], te geheim adres,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.F.W. Bijloo te Den Haag,

4. [gedaagde 4],

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

verweerde in reconventie,

advocaat mr. M. Gümüs te Rotterdam,

procederend met toevoeging met nummer [nummer] ,

5. [gedaagde 5], te geheim adres,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.F.W. Bijloo te Den Haag,

6. [gedaagde 6], te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. van Berk te Nijmegen,

procederend met toevoeging met nummer [nummer]

7. [gedaagde 7], te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. T.F.W. Bijloo te Den Haag,

procederend met toevoeging met nummer [nummer]

8. [gedaagde 8], te geheim adres,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.F.W. Bijloo te Den Haag.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] , [gedaagde 7] en [gedaagde 8] worden genoemd en gedaagden onder 1, 2, 3, 5, 7 en 8 gezamenlijk [gedaagde 1 c.s.]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 mei 2018, met producties;

  • -

    de brief van 30 mei 2018 namens [eiser] met beslagstukken;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie namens [gedaagde 1 c.s.] , met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord namens [gedaagde 4] ;

  • -

    de akte niet dienen aan de zijde van [gedaagde 6] van 18 juli 2018;

  • -

    het tussenvonnis van 22 augustus 2018, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2018 met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

1.3.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

1.4.

De vordering in reconventie ingediend namens [gedaagde 1 c.s.] is een vordering als bedoeld in artikel 680 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zodat deze ook jegens de overige gedaagden is ingediend. Gelet hierop zijn de overige gedaagden in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord in reconventie in te dienen. Van deze gelegenheid heeft [gedaagde 6] gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Op [datum overlijden] is overleden te [plaats] de heer [erflater] (hierna [erflater] ). [gedaagde 8] was ten tijde van zijn overlijden de ex-echtgenote van [erflater] . Gedaagden onder 1 tot en met 7 zijn de kinderen en enige erfgenamen van [erflater] . Tot zijn nalatenschap behoren in ieder geval twee woningen te [plaats] : aan de [adres 1] en aan de [adres 2] (hierna het onroerend goed).

2.2.

Na het overlijden hebben de gedaagden onder 1 tot en met 7 aan [gedaagde 8] een volmacht gegeven om de nalatenschap af te wikkelen. In ieder geval [gedaagde 4] heeft die volmacht inmiddels weer ingetrokken.

2.3.

In zijn testament had [erflater] bepaald dat [gedaagde 8] het vruchtgebruik krijgt over de nalatenschap totdat zij in een verpleeghuis wordt opgenomen. Dit vruchtgebruik is nooit bij notariële akte gevestigd. Bij de rechtbank Den Haag heeft [gedaagde 4] een procedure aanhangig gemaakt waarin onder andere een verklaring voor recht wordt gevorderd dat het vruchtgebruik van [gedaagde 8] is geëindigd.

2.4.

Op 7 maart 2012 heeft de rechtbank Den Haag op vordering van de heer [A] (hierna: [A] ) een vonnis gewezen waarbij [gedaagde 7] bij verstek is veroordeeld om aan [A] een bedrag te betalen van € 52.000 te vermeerderen met rente en kosten. Eerder, op 21 september 2011, had [A] beslag gelegd onder [gedaagde 7] in verband met zijn vordering op [gedaagde 7] .

2.5.

Op 15 juni 2017 hebben [eiser] en [A] een overeenkomst getekend waarin zij zijn overeengekomen dat de vordering van [A] op [gedaagde 7] uit hoofde van het verstekvonnis van 7 maart 2012 wordt gecedeerd aan [eiser] voor een koopprijs van € 15.000.

2.6.

Eveneens op 15 juni 2017 hebben [eiser] en [gedaagde 4] een leningsovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat [eiser] aan [gedaagde 4] een lening verstrekt tot een bedrag van € 40.000 te vermeerderen met € 15.000 rente. In de overeenkomst is opgenomen dat van het geleende bedrag een deel groot € 15.000 wordt gestort op een rekening op naam van [A] .

Nog dezelfde datum is van de bankrekening van de door [eiser] ingeschakelde gerechtsdeurwaarder [X] een bedrag van € 15.000 gestort op de rekening van [A] met vermelding “Koopprijs overdracht vordering [...]”.

2.7.

Op 6 november 2017 is het door [A] onder [gedaagde 7] gelegde beslag (zie onder 2.4) opgeheven.

2.8.

[eiser] heeft op enig moment [gedaagde 4] gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. In deze procedure heeft hij van [gedaagde 4] de betaling gevorderd van een bedrag van in ieder geval € 40.000 vermeerderd met rente in verband met de op 15 juni 2017 getekende leningsovereenkomst.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. de veroordeling van gedaagden 1 tot en met 7 ieder hoofdelijk tot verdeling van de

nalatenschap van [erflater] , waarin gedaagden 1 tot en met 7 deelgenoten zijn en

wel binnen 7 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op verbeurte van

een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat gedaagden nalaten aan het ten deze te

wijzen vonnis te voldoen;

2. de benoeming van een notaris, ten overstaan van wie – tenzij partijen alsnog

overeenstemming bereiken omtrent de keuze van de notaris – de werkzaamheden der

verdeling zullen plaatsvinden;

3. de benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW om gedaagden 1 tot met 8, voor zover zij onwillig zijn, te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de gemeenschap;

4. te bepalen dat de notaris en de onzijdige persoon hun kosten ten laste kunnen brengen van de gemeenschap;

5. te bepalen dat de notaris de vordering van [eiser] op [gedaagde 7] , waaronder ook de proceskosten waarin gedaagde [gedaagde 7] zal worden veroordeeld in het ten deze te wijzen vonnis, ten laste van het erfdeel van [gedaagde 7] moet brengen;

6. te bepalen dat de notaris uit het erfdeel van [gedaagde 7] de vordering van [eiser] , vermeerderd met rente en (proceskosten) dient te voldoen;

7. te bepalen dat [gedaagde 8] al haar medewerking dient te verlenen aan de verdeling van de nalatenschap, en wel binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat gedaagde

nalaat aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;

8. de veroordeling van [gedaagde 7] in de kosten van het geding, waaronder begrepen de kosten van het op 9 april 2018 ten laste van [gedaagde 7] op het onroerende goed gelegde conservatoir deelgenotenbeslag.

3.2.

[eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Hij heeft een opeisbare vordering op [gedaagde 7] en [gedaagde 7] is deelgenoot in de nalatenschap van [erflater] . Deze nalatenschap bevat vermogen. [eiser] vordert met een beroep op artikel 3:180 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat dit vermogen wordt verdeeld zodat hij zijn vordering op [gedaagde 7] kan verhalen.

in reconventie

3.3.

[gedaagde 1 c.s.] vorderen, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de uitsluiting van een vordering tot verdeling van de gemeenschap, zijnde de nalatenschap, ter zake van onderhavige geval en partijen genoegzaam bekend, voor een periode van twee jaar op grond van artikel 3:178 lid 3 BW, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

[gedaagde 1 c.s.] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. De nalatenschap van [erflater] is complex, de omvang ervan is onduidelijk en ook is niet duidelijk wie precies de gerechtigden tot de nalatenschap zijn. Er loopt een procedure waarin wordt gevorderd dat een aantal kinderen van [erflater] hun aandeel in de nalatenschap hebben verbeurd. Voorts liggen er beslagen op het onroerend goed. Als gevolg hiervan dreigt de gedwongen verkoop van het onroerend goed en dat zou ten koste van de waarde ervan gaan. [gedaagde 8] is bovendien goed in staat zelf tot verdeling te komen. Gelet hierop wordt de aanhouding van de verdeling gevorderd voor een periode van twee jaar.

in conventie en in reconventie

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

Ingevolge artikel 3:180 BW kan een schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot in een gemeenschap heeft verdeling van de gemeenschap vorderen, doch niet verder dan nodig is voor het verhaal van zijn vordering.

4.2.

[gedaagde 7] en de overige gedaagden hebben bestreden dat [eiser] een opeisbare vordering heeft op [gedaagde 7] .

4.3.

Argument voor het bestaan van de vordering is dat [A] op 15 juni 2017 een cessie-overeenkomst heeft getekend waarin hij de vordering op [gedaagde 7] voor een bedrag van € 15.000 heeft overgedragen aan [eiser] .

4.4.

In de cessie-overeenkomst is niet opgenomen hoe hoog de vordering van [A] op dat moment nog was. [gedaagde 7] heeft aangevoerd dat hij al voor 15 juni 2017 met contante betalingen de vordering had teruggebracht tot een bedrag van € 15.000, maar van deze betalingen heeft hij geen kwitanties kunnen overleggen.

4.5.

Gedaagden hebben aangevoerd dat de vordering van [A] op [gedaagde 7] in zijn geheel is afbetaald met een deel van het bedrag dat [eiser] eveneens op 15 juni 2017 aan [gedaagde 4] heeft geleend. Tijdens de comparitie van partijen is namens [eiser] ook erkend dat de deurwaarder van [eiser] een deel groot € 15.000 van het aan [gedaagde 4] geleende geld op een bankrekening van [A] heeft gestort. Deze storting was echter, aldus [eiser] , bedoeld om de koopsom voor de vordering van [A] op [gedaagde 7] te betalen, zoals ook bij de bankoverschrijving is vermeld.

Ter zitting kon de deurwaarder van [eiser] echter niet uitleggen waarom [gedaagde 4] deze koopsom namens [eiser] uit het door hem, [gedaagde 4] , van [eiser] geleende geld zou betalen. Dit is te meer onbegrijpelijk omdat [eiser] in een andere procedure voor deze rechtbank het gehele bedrag van € 40.000 van [gedaagde 4] terugvordert. Op dit gehele bedrag zou [eiser] immers geen recht hebben indien [gedaagde 4] voor hem de koopsom aan [A] heeft betaald.

4.6.

Tijdens de comparitie van partijen is aangevoerd dat de vordering van [A] op [gedaagde 7] is overgedragen aan [eiser] als een vorm van zekerheid voor de terugbetaling door [gedaagde 4] van het door [gedaagde 4] van [eiser] geleende geld. Nu [eiser] de volledige terugbetaling van het aan [gedaagde 4] uitgeleende bedrag in een aparte procedure van [gedaagde 4] vordert, lijkt het echter voorbarig dat hij tegelijkertijd de kennelijk ter zekerheid gecedeerde vordering op [gedaagde 7] tracht te innen.

4.7.

Tot slot hebben beide partijen een whats app bericht van [A] aan [gedaagde 7] overgelegd gedateerd 30 augustus 2017 waarin [A] heeft verklaard dat de schuld is ingelost en dat het vonnis ingetrokken zal worden. Voorts heeft [A] in november 2017 het eerder door hem onder [gedaagde 7] gelegde beslag weer opgeheven. Dit lijkt aan te sluiten bij de stellingen van [gedaagde 7] dat de vordering met de betaling door [gedaagde 4] van een bedrag van € 15.000 in juni 2017 helemaal is betaald. De enkele, ongemotiveerde, stelling dat [A] [eiser] heeft verteld dat hij het bericht niet heeft verstuurd en dat het bericht is vervalst voldoet niet als volledige weerlegging van dit bericht van [A] .

4.8.

Ter voorbereiding op de comparitie van partijen had de rechtbank gedaagden nog verzocht om ervoor te zorgen dat [A] bij de comparitie aanwezig was, zodat hij zijn verhaal over het bestaan van de vordering aan de rechtbank kon vertellen. [A] was tijdens de zitting niet aanwezig. De namens [eiser] aanwezig [X] heeft verklaard dat hij [A] en zijn advocaat had benaderd voor de zitting, maar dat [A] kennelijk niet aanwezig wilde zijn. Hij was er immers niet.

4.9.

Gelet op de stellingen van partijen over en weer is de rechtbank van oordeel dat het bestaan van de vordering van [eiser] op [gedaagde 7] niet eenvoudig kan worden vastgesteld. In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat [eiser] de vordering tot verdeling van de nalatenschap van [erflater] op grond van artikel 3:180 BW voorbarig heeft ingesteld. Deze procedure is gericht tegen alle deelgenoten van de gemeenschap waarvan [gedaagde 7] deel uitmaakt. Indien al deze deelgenoten mee moeten procederen over het bestaan van een vordering tegen [gedaagde 7] worden zij daarmee allemaal op kosten gejaagd, terwijl zij geen direct belang bij de vordering op [gedaagde 7] hebben.

De juiste gang van zaken voor [eiser] is dan ook om eerst in een aparte procedure tegen [gedaagde 7] het bestaan van een opeisbare vordering te laten vaststellen. Indien de vordering en de hoogte ervan in rechte vaststaat kan vervolgens in een procedure tegen alle deelgenoten op grond van artikel 3:180 BW de verdeling van de gemeenschap worden gevorderd.

4.10.

Tijdens de comparitie van partijen is ook nog besproken dat op de nalatenschap van [erflater] mogelijk nog een vruchtgebruik ten behoeve van [gedaagde 8] rust. [eiser] heeft erkend dat zijn vordering tot verdeling niet kan worden toegewezen indien dit het geval is. De vraag inzake het vruchtgebruik is onderwerp van een andere bij de rechtbank aanhangige procedure. [eiser] heeft in verband hiermee aanhouding van deze procedure gevorderd. Gedaagden hebben hiertegen bezwaar geuit omdat de procedure inzake het vruchtgebruik in hun ogen nog best lang kan duren.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat aanhouding geen doel dient, nu allereerst nog dient te worden vastgesteld of de vordering van [eiser] op [gedaagde 7] überhaupt bestaat. Pas als dat het geval is, wordt de vraag opportuun of de nalatenschap van [erflater] al kan worden verdeeld.

4.12.

Gelet op dit een en ander dient de vordering van [eiser] te worden afgewezen.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van:

- [gedaagde 1 c.s.] begroot op een bedrag van € 291voor griffierecht en € 1.086 voor salaris advocaat (2 punten à € 543, tarief II), totaal een bedrag van € 1.377, vermeerderd met de daarover gevorderde rente;

- [gedaagde 4] begroot op een bedrag van € 79 voor griffierecht en € 1.086 voor salaris advocaat (2 punten à € 543, tarief II), totaal een bedrag van € 1.165;

- [gedaagde 6] begroot op een bedrag van € 79 voor griffierecht en € 543 voor salaris advocaat (1 punt à € 543, tarief II), totaal een bedrag van € 622.

4.14.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vergelijk HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten in overeenstemming met het daarop toepasselijke liquidatietarief.

in reconventie

4.15.

[gedaagde 1 c.s.] hebben in hun petitum opgenomen dat zij de uitsluiting van de vordering tot verdeling van de nalatenschap vorderen uitsluitend voor het onderhavige geval. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat zij met dit petitum alleen willen voorkomen dat de nalatenschap (partieel) moet worden verdeeld in verband met de vordering van [eiser] op [gedaagde 7] . Nu de rechtbank de vordering van [eiser] afwijst, hebben partijen op dit moment geen belang meer bij hun vordering. De rechtbank zal deze dan ook eveneens afwijzen.

4.16.

[gedaagde 1 c.s.] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. Deze worden aan de zijde van:

- [eiser] begroot op een bedrag van € 543 voor salaris advocaat (2 x ½ punt à € 543, tarief II);

- [gedaagde 4] begroot op een bedrag van € 271,50 voor salaris advocaat (½ punt à € 543, tarief II); en

- [gedaagde 6] begroot op een bedrag van € 543 voor salaris advocaat (2 x ½ punt à € 543, tarief II).

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten:

- aan de zijde van [gedaagde 1 c.s.] begroot op € 1.377 en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening, vermeerderd met de wettelijke rente over voornoemde bedragen te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening van de proceskosten;

- aan de zijde van [gedaagde 4] begroot op € 1.165;

- aan de zijde van [gedaagde 6] begroot op € 622.

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1 c.s.] in de proceskosten:

  • -

    aan de zijde van [eiser] begroot op € 543;

  • -

    aan de zijde van [gedaagde 4] begroot op € 271,50: en

  • -

    aan de zijde van [gedaagde 6] begroot op € 543.

5.6.

verklaart de veroordeling onder 5.5. uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.1

1 type: 1958