Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4938

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
C/09/548112 / HA ZA 18-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht; telt een lening van erflater aan legitimaris, die voor overlijden als gevolg van het beëindigen van een schuldsaneringsregeling is omgezet in een natuurlijke verbintenis, mee bij de berekening van de legitieme of kan daarmee worden verrekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/182
ERF-Updates.nl 2019-0132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/548112 / HA ZA 18-193

Vonnis van 20 februari 2019

in de zaak van

[eiseres] , te [plaats 1] ,

eiseres in conventie en in het incident,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.J.A. van Es te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

procederend met toevoeging onder nummer [nummer] ,

tegen

1. [gedaagde 1]in diens hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] en voor zich, te [plaats 2] , gemeente [gemeente] ,

2. [gedaagde 2]te [land] ,

gedaagden in conventie en in het incident,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd en gedaagde onder 1. [gedaagde 1] en gedaagde onder 2. [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van de kantonrechter te Leiden van 31 januari 2018, waarin de procedure in de stand waarin zij zich bevindt is verwezen naar het team Handel van de rechtbank Den Haag;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens verweer in incident ex artikel 223 Rv, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    het tussenvonnis van 16 mei 2018, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 september 2018, met de daarin vermeldde stukken, waarin is opgenomen dat mr. J.G. Schnoor zich eveneens stelt namens [gedaagde 2] ;

  • -

    de brief van 15 oktober 2018 namens [gedaagde 1] , met 1 productie;

  • -

    de akte uitlating namens [eiseres] met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de akte houdende uitlatingen namens [gedaagde 1] .

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. [eiseres] heeft bij brief van 10 oktober 2018 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [overlijdensdatum] is te [plaats 3] overleden de heer [gedaagde 1] (hierna: erflater). Erflater had vier kinderen, waaronder partijen.

2.2.

Bij testament van 10 mei 2013 heeft erflater zijn dochters [eiseres] en [A] en hun kinderen onterfd. Beide dochters hebben een beroep gedaan op hun legitieme portie.

2.3.

[gedaagde 1] is naast erfgenaam ook executeur van de nalatenschap.

2.4.

Tot de nalatenschap van erflater behoorde onder meer een woning aan de [adres] (hierna: de woning).

2.5.

[Makelaarskantoor] heeft de woning getaxeerd en op 24 mei 2014 een taxatierapport van de taxatie opgesteld. In dit rapport is vermeld dat de woning € 285.000 waard is. Dit taxatierapport is gebruikt voor een bezwaarschrift tegen de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2013. In eerste instantie was de WOZ-waarde van de woning bepaald op € 525.000. Na bezwaar en onder verwijzing naar het taxatierapport van [Makelaarskantoor] is de WOZ-waarde per 1 januari 2013 vastgesteld op een bedrag van € 312.000.

2.6.

In december 2015 is de woning verkocht voor een bedrag van € 155.000.

2.7.

[gedaagde 1] heeft aan [A] als legitieme portie een bedrag van € 10.145,05 uitgekeerd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de veroordeling van [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur om in deze procedure onder eedsaflegging op te stellen een boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater, althans een boedelbeschrijving over te leggen van de roerende

zaken en bewijs van waardering daarvan ten tijde van het overlijden van erflater;

II. Primair:

De veroordeling van [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur om in deze procedure

opgave te doen van en inzage te verstrekken in alle bankafschriften van erflater van de afgelopen twintig jaar voorafgaande aan de datum van overlijden van erflater, althans van de afgelopen tien jaar voorafgaande aan de de datum van overlijden van erflater, althans van een zodanige periode voorafgaande aan het overlijden van erflater als de rechtbank redelijk

acht tot aan de datum van opheffing van de desbetreffende bankrekeningen,

bestaande uit bewijsstukken van de saldi van de rekeningen per 1 januari en per 1 juli

van ieder jaar;

Subsidiair:

De veroordeling van [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur, op straffe van verbeurte van een dwangsom, een verklaring te ondertekenen inhoudende een machtiging door [gedaagde 1] van [eiseres] tot het verkrijgen van informatie bij alle banken in Nederland en België betreffende het vermogen van erflater van de afgelopen twintig jaar voorafgaande aan de datum van overlijden van erflater, althans van de afgelopen tien jaar voorafgaande aan de datum van overlijden van erflater, althans van een zodanige periode voorafgaande aan het overlijden van erflater als de rechtbank redelijk acht tot aan de datum van opheffing van de desbetreffende bankrekeningen;

III. de veroordeling van [gedaagde 1] tot het in deze procedure verstrekken van bewijsstukken van de kosten en schulden van de nalatenschap van erflater;

IV. de vaststelling van de legitieme portie van [eiseres] , althans de verklaring voor recht over de hoogte van de legitieme portie van [eiseres] ;

V. de verklaring voor recht dat [gedaagde 1] , als executeur hoofdelijk, dat wil zeggen in

privé, aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] ;

VI. de veroordeling van [gedaagde 1] om aan eiseres een bedrag aan schadevergoeding te

voldoen ter hoogte van haar legitieme portie, uitgaande van een onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak, derhalve een nader door de rechtbank vast

te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over het vast

te stellen bedrag;

VII. [gedaagde 1] hoofdelijk, althans in zijn hoedanigheid van executeur, te veroordelen om binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan eiseres te voldoen de

(resterende) legitieme portie van [eiseres] zoals de rechtbank deze zal vaststellen.

VIII. de veroordeling van [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater en/of pro se in de kosten van deze

procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij door haar beroep op haar legitieme portie een vordering heeft op [gedaagde 1] als executeur in de nalatenschap.

in reconventie

3.3.

[gedaagde 1] vordert, samengevat, de veroordeling van [eiseres] :

I. de executeur te informeren ter zake alle giften zoals zij die heeft ontvangen van erflater;

II. aan de executeur dan wel de nalatenschap te betalen een bedrag van € 70.000,00 te vermeerderen met de bedongen rente van 4,77% per jaar te rekenen vanaf 5 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, althans de legitieme van [eiseres] vast te stellen rekening houdende met het beroep van [gedaagde 1] op verrekening dan wel rekening houdende met de door [eiseres] niet terugbetaalde lening zoals gesteld is onder punt 21 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens verweer in incident ex artikel 223 Rv.

3.4.

[gedaagde 1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat erflater in 2004 een bedrag van € 70.000 heeft geleend aan [eiseres] voor de aankoop van onroerend goed in Duitsland. Dit onroerend goed is uiteindelijk exeutoriaal verkocht en [eiseres] heeft van het geleende bedrag niets terugbetaald aan erflater. Zij dient dit bedrag alsnog in te brengen in de nalatenschap, althans moet het [gedaagde 1] worden toegestaan dit bedrag te verrekenen met de aanspraak van [eiseres] op haar legitieme portie op grond van het bepaalde in artikel 4:228 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Indien [eiseres] dit bedrag niet zou terugbetalen of dit bedrag niet verrekend zou mogen worden, zou [eiseres] bevoordeeld worden ten opzichte van de erfgenamen. Dit zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

in het incident

3.5.

[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur om binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan eiseres te voldoen een bedrag van € 10.145,05, met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van deze procedure;

3.6.

[eiseres] legt aan haar vordering in het incident ten grondslag dat zij in ieder geval recht heeft op een legitieme portie van € 10.145,05 en dat zij een spoedeisend belang erbij heeft dat de rechtbank, als voorlopige voorziening, [gedaagde 1] veroordeelt dit bedrag alvast aan haar uit te betalen. Het is een aanvulling op haar inkomen.

in conventie, in reconventie en in het incident

3.7.

Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De rechtbank zal, gelet op hun samenhang, de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.

4.2.

De vordering in conventie onder IV. betreft de vaststelling van de omvang van de legitieme portie van [eiseres] . Een uitspraak van de rechtbank over deze vordering dient te gelden voor alle erfgenamen van erflater. Op verzoek van de rechtbank heeft mr. Schnoor zich dan ook mede gesteld namens [gedaagde 2] , mede erfgenaam.

4.3.

De rechtbank stelt voorts het volgende voorop.

(i) Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] als legitimaris recht heeft op 1/8 deel van de nalatenschap van erflater.

(ii) [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde 1] al voor het overlijden van erflater verantwoordelijk was voor zijn financiën. Hiertegen heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat hij pas vanaf datum overlijden hiervoor verantwoordelijk is geworden. Daarvoor deed erflater de financiën zelf en was hij, [gedaagde 1] , daar niet bij betrokken.

[eiseres] heeft, gelet op dit verweer van [gedaagde 1] , haar stellingen op dit punt onvoldoende toegelicht. Zij heeft enkel gesteld dat [gedaagde 1] wel de financiën deed, maar bijvoorbeeld niet toegelicht uit welke feiten en/of omstandigheden blijkt dat [gedaagde 1] dit deed. Evenmin heeft zij gesteld dat erflater niet meer in staat was zijn financiën zelf te doen. Voor zover [eiseres] in haar akte na de comparitie van partijen haar stellingen op dit punt heeft aangevuld, gaat de rechtbank hieraan voorbij omdat zij [eiseres] hiertoe niet in de gelegenheid had gesteld.

Een en ander betekent dat in deze procedure tussen partijen vaststaat dat erflater zelfstandig zijn financiën heeft gedaan tot aan de datum van zijn overlijden.

legitieme portie en opvragen stukken (vorderingen I. tot en met IV. en VII.)

4.4.

De legitieme portie van [eiseres] moet worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na overlijden.

4.5.

[gedaagde 1] heeft als executeur van de nalatenschap een overzicht opgesteld van de goederen die tot de nalatenschap van erflater behoren en op basis daarvan een berekening van de legitieme portie gemaakt. In het door [gedaagde 1] opgestelde overzicht zijn opgenomen: (i) een bankrekening bij ING met bankrekeningnummer [rekeningnummer] (hierna: de ING bankrekening), (ii) de woning en (iii) de voor deze woning afgesloten hypothecaire lening. Voorts heeft hij in dit overzicht kosten opgevoerd die hij op de waarde van de nalatenschap in mindering heeft gebracht en bedragen die hij na overlijden nog heeft ontvangen.

ING rekening

4.6.

Uit een door [gedaagde 1] overgelegd bankafschrift volgt dat op de datum van overlijden op de ING bankrekening een bedrag stond van € 4.368,71.

woning

4.7.

[gedaagde 1] heeft de woning in zijn boedelbeschrijving opgenomen voor een bedrag van € 155.000. Dit is het bedrag waarvoor de woning in december 2015 is verkocht.

[gedaagde 1] stelt dat hij de woning niet voor een hoger bedrag kon verkopen onder meer omdat al op het moment van overlijden sprake was van achterstallig onderhoud aan de woning. Zo moesten delen van het dak met plastic worden afgedekt omdat het dak lekte. Hij wilde de woning eerst zelf kopen en heeft toen contact opgenomen met een bouwbedrijf die hem informeerde over de gescheurde fundering en hoge kosten van restauratie. Vervolgens heeft hij gebeld met [Makelaarskantoor] . [Makelaarskantoor] heeft hem verteld dat de maximale verkoopprijs € 200.000 was, maar dat die prijs moeilijk zou worden gehaald, gelet op de verkoopkosten en de slechte verkoopmarkt, aldus nog steeds [gedaagde 1] .

4.8.

Het feit dat [gedaagde 1] de woning in december 2015 heeft verkocht voor een bedrag van € 155.000 betekent niet dat daarom bij het bepalen van de hoogte van de legitieme portie met dit bedrag rekening moet worden gehouden.

Bij de bepaling van de legitieme portie moet worden gekeken naar de waarde van de woning op het moment van overlijden en niet naar de waarde waarvoor de woning uiteindelijk is verkocht. Het meer of minder waard worden van de woning na het overlijden – bijvoorbeeld omdat de woning een jaar leeg heeft gestaan – komt voor rekening en risico van de erfgenamen. De legitimaris heeft daar niets mee te maken.

4.9.

[Makelaarskantoor] heeft de woning in mei 2014 – vier maanden voor het overlijden van erflater – getaxeerd op een bedrag van € 285.000 en hierover een taxatierapport opgesteld. Over de onderhouds- of bouwkundige staat zijn in het taxatierapport geen opmerkingen gemaakt.

Dit rapport is belangrijk voor de vaststelling van de waarde van de woning. De makelaar die de taxatie heeft verricht is een NVM-makelaar. [gedaagde 1] heeft geen specifieke bezwaren geuit tegen de persoon van de makelaar en heeft ook niet gesteld dat de makelaar de taxatie niet goed heeft verricht.

4.10.

Gelet op de inhoud van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] zijn stellingen dat de woning maar € 155.000 waard was, onvoldoende heeft toegelicht. Met name heeft hij niet uitgelegd waarom [Makelaarskantoor] de woning in mei 2014 heeft getaxeerd op € 285.000 en na het overlijden heeft gezegd dat de woning nog niet voor € 200.000 verkocht kan worden. Ook heeft hij niet uitgelegd waarom in het taxatierapport van [Makelaarskantoor] geen opmerkingen zijn gemaakt over de staat van onderhoud. Als de woning in september 2014 zou zijn afgedekt met plastic vanwege lekkages en op dat moment een gescheurde fundering zou hebben, moet de staat van onderhoud vier maanden daarvoor ook al zodanig zijn geweest dat hierover in het taxatierapport van [Makelaarskantoor] een opmerking zou zijn gemaakt. De periode tussen mei 2014 en september 2014 is voorts zo kort, dat niet aannemelijk is dat de toestand van de woning zodanig is verergerd, dat de waarde zakt van € 285.000 naar € 155.0000.

4.11.

Gelet op het geringe tijdsverloop tussen mei 2014 en september 2014 zal de rechtbank voor de waardering van de woning het taxatierapport van [Makelaarskantoor] gebruiken. Dit betekent dat zij de waarde van de woning bepaalt op € 285.000. Tussen partijen is niet in geschil dat er nog een hypothecaire lening was ter hoogte van € 56.999,90, afgerond € 57.000. Gelet op deze lening dient in de nalatenschap met een waarde van de woning van € 228.000 rekening te worden gehouden.

4.12.

[eiseres] heeft nog aangevoerd dat het taxatierapport van [Makelaarskantoor] niet gevalideerd is, maar welke gevolgen de rechtbank hieraan moet verbinden heeft zij niet gesteld. Deze stelling wijst de rechtbank dan ook af.

kosten

4.13.

In de boedelbeschrijving heeft [gedaagde 1] een overzicht opgenomen van de mutaties op de ING bankrekening in de periode van de datum van overlijden, [overlijdensdatum] tot 3 februari 2016, alsmede kosten die [gedaagde 1] privé heeft betaald. Met deze mutaties en kosten heeft hij rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de legitieme portie. Tussen partijen is niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met door erflater gemaakte kosten die betrekking hebben op de periode voor overlijden, alsmede met de uitvaartkosten.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat met kosten voor de instandhouding van de woning, gemaakt na het overlijden, voor het bepalen van de legitieme portie geen rekening dient te worden gehouden.

Tijdens de comparitie van partijen zijn de door [gedaagde 1] opgevoerde posten besproken. Vastgesteld is dat met een bedrag van € 5.943,79 rekening moet worden gehouden. Dit bedrag is opgebouwd uit kosten medici € 179,70, kosten abonnementen € 98, kosten accountant € 846 en kosten uitvaart € 4.820,09.

Deze kosten zal de rechtbank dan ook, voor het bepalen van de omvang van de legitieme portie, op de waarde van de goederen van de nalatenschap in mindering brengen.

Gelet hierop heeft [eiseres] geen belang meer bij het overleggen van verdere documenten waaruit de omvang van de opgevoerde kosten blijkt.

overige goederen nalatenschap, niet opgenomen in overzicht [gedaagde 1] : bankrekeningen

4.14.

In de procedure heeft [gedaagde 1] stukken overgelegd over de periode 2006 tot en met datum overlijden op [overlijdensdatum] . Deze stukken heeft [gedaagde 1] bij de belastingdienst opgevraagd, naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank. [gedaagde 1] stelt dat het om aanslagen gaat, [eiseres] stelt dat het aangiften zijn. Bovenaan de stukken is zowel vermeld belastingaangifte als definitieve belastingaanslag, zodat de rechtbank ook niet goed kan beoordelen wat de status is. De omstandigheid dat de stukken afkomstig zijn van de belastingdienst, acht de rechtbank voldoende om de inhoud ervan mee te wegen in de procedure.

De rechtbank had eveneens gevraagd om de aangifte en aanslag over 2005. [gedaagde 1] heeft gezegd dat de belastingdienst de gegevens over 2005 niet meer kon verstrekken.

De rechtbank is van oordeel dat de van de belastingdienst verkregen en overgelegde stukken vanaf 2006 voldoende inzicht geven in het verloop van het vermogen van erflater. Zij ziet geen aanleiding om [gedaagde 1] nog verder te verplichten gegevens (in de vorm van aanslagen of aangiften) te overleggen of om [eiseres] te machtigen nog verdere gegevens op te vragen.

4.15.

Uit de overgelegde belastingstukken blijkt onder meer dat erflater de beschikking had over twee bankrekeningen: de ING bankrekening en een bankrekening bij de Garantibank.

[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat hij na overlijden van erflater alleen de ING bankrekening heeft aangetroffen en dat hij ervan uitgaat dat erflater de bankrekening bij de Garantibank al eerder heeft opgeheven.

Het verloop van deze beide door [gedaagde 1] genoemde bankrekeningen blijkt uit de overgelegde belastingstukken. In het laatste stuk over de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met [overlijdensdatum] zijn geen saldi van bankrekeningen meer opgenomen. [eiseres] heeft in haar laatste akte gesteld dat zij geen opmerking heeft over dit laatste stuk, zodat de rechtbank van de juistheid ervan mag uitgaan.

Verderop in haar laatste akte schrijft zij nog wel dat zij van de Garantibank heeft begrepen dat er in mei 2014 een groot bedrag van de rekening van de Garantibank is overgeschreven naar de ING-rekening van erflater. Dit heeft zij echter niet nader toegelicht en evenmin heeft zij hiervan stukken overgelegd. Ook blijkt uit de overgelegde belastingstukken niet dat in 2014 nog een hoog bedrag op de rekening van de Garantibank stond. In 2012 is het grootste deel van het saldo op deze rekening al afgeschreven. Deze stelling van [eiseres] wijst de rechtbank dan ook af.

4.16.

[eiseres] heeft nog gesteld dat er vele bankrekeningen waren op naam van erflater, waaronder een bankrekening in België. Waarop [eiseres] haar vermoedens baseert heeft zij onvoldoende toegelicht. De enkele omstandigheid dat zij vroeger met erflater naar België ging om geld op een Belgische bankrekening te storten, is onvoldoende voor het oordeel dat er ten tijde van het overlijden bankrekeningen in België waren.

Het behoort ook niet tot de taak van [gedaagde 1] om alle banken in België en Nederland aan te schrijven met de vraag of erflater daar nog rekeningen aanhield. Dit geldt mede omdat in de overgelegde belastingaanslagen van deze bankrekeningen geen melding is gemaakt. De stellingen van [eiseres] dat er nog meer bankrekeningen waren, wijst de rechtbank dan ook af.

4.17.

De conclusie is dat in deze procedure vaststaat dat alleen het saldo van de rekening bij ING deel uitmaakt van het vermogen van erflater bij overlijden.

overige goederen nalatenschap, niet opgenomen in overzicht [gedaagde 1] : roerende zaken

4.18.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde 1] in de boedelbeschrijving geen waarde heeft opgenomen voor roerende zaken, terwijl erflater wel waardevolle zaken bezat.

[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat de roerende zaken die hij bij overlijden aantrof niets waard waren en zelfs door de kringloop zijn geweigerd. Hij heeft een container laten komen om de zaken af te voeren. Hij heeft zelf twee kastjes uit de nalatenschap mee naar huis genomen en zijn zussen gevraagd of zij ook iets wilden. Daarop heeft hij geen reactie van [eiseres] gekregen. De auto van erflater is in 2015 naar de sloop gebracht en had geen waarde. De caravan en speedboot had erflater al voor zijn overlijden van de hand gedaan. Sieraden heeft hij niet aangetroffen. Wel is er ingebroken in de woning na het overlijden, maar de verzekering heeft niets uitgekeerd omdat [gedaagde 1] geen bonnen kon overleggen, aldus nog steeds [gedaagde 1] .

4.19.

Een gewone inboedel bij overlijden heeft in het algemeen geen verkoopwaarde, maar met name een emotionele waarde. Een executeur kan daarmee naar bevind van zaken handelen. [eiseres] heeft niet weersproken dat [gedaagde 1] de spullen met een container heeft laten afvoeren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiseres] haar stellingen dat erflater waardevolle zaken bezat die gewaardeerd hadden moeten worden, onvoldoende heeft toegelicht. Dit geldt ook voor de caravan. Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiseres] nog gewezen op een bericht op Facebook waarin werd verwezen naar een caravan die niet van erflater was, waaruit kon worden afgeleid dat erflater ook nog een caravan had. Deze stelling is echter onvoldoende specifiek om op basis daarvan te kunnen concluderen dat er ten tijde van het overlijden nog een caravan moet zijn geweest. Nog daargelaten de vraag of deze caravan op dat moment nog enige waarde had.

Gelet op dit een en ander zal de rechtbank bij de vaststelling van de omvang van de legitieme portie geen bedrag meenemen voor de waarde van inboedelgoederen.

giften

4.20.

Voor de bepaling van de legitieme portie van [eiseres] dient rekening te worden gehouden met alle schenkingen die erflater ooit aan zijn kinderen heeft gedaan.

[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat hem geen giften bekend zijn.

4.21.

Uit de overgelegde aangiften blijkt dat het vermogen van erflater in 2012 met een bedrag van ongeveer € 35.000 is verminderd. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat erflater nog een lening had uitstaan bij een vriendin en dat erflater deze lening in 2012 heeft afgelost.

Nu erflater tot aan zijn overlijden zelf verantwoordelijk is geweest voor zijn financiën en zelf mocht besluiten wat hij met zijn financiën deed, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] geen nader onderzoek hoeft te doen naar de betaling van dit bedrag in 2012. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit bedrag van € 35.000 in 2012 aan [gedaagde 1] of aan één van de andere kinderen is geschonken.

4.22.

Ook [eiseres] heeft gezegd dat zij geen giften heeft ontvangen van erflater die moeten worden meegenomen bij de bepaling van de omvang van de legitieme portie. [gedaagde 1] heeft geen feiten en of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat erflater wel schenkingen aan [eiseres] heeft gedaan. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiseres] te veroordelen [gedaagde 1] nogmaals te informeren over mogelijke giften.

lening aan [eiseres]

4.23.

[gedaagde 1] heeft gesteld dat bij de bepaling van de legitieme portie van [eiseres] nog rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat [eiseres] in 2004 een bedrag van € 70.000 van erflater heeft geleend maar dat zij dit bedrag nooit heeft terugbetaald.

[eiseres] heeft daartegen aangevoerd dat, nadat de schuld aan erflater in 2004 was ontstaan, op haar de schuldsaneringsregeling is toegepast. Deze schuldsaneringsregeling is bij vonnis van 28 september 2012 geëindigd. Daardoor is de vordering niet langer afdwingbaar.

4.24.

[gedaagde 1] heeft niet weersproken dat door de beëindiging van de schuldsaneringsregeling de vordering van erflater op [eiseres] niet langer afdwingbaar is.

Door het doorlopen van de schuldsaneringsregeling is [eiseres] in die zin schuldenvrij geworden dat de vordering van erflater op haar is omgezet in een natuurlijke verbintenis. Dit betekent dat vordering nog wel bestaat, maar dat [eiseres] niet kan worden gedwongen het bedrag terug te betalen. Dit betekent ook dat bij de bepaling van de omvang van de nalatenschap van erflater met dit bedrag geen rekening hoeft te worden gehouden.

4.25.

Voor het geval zijn vordering tot betaling van € 70.000 wordt afgewezen, beroept [gedaagde 1] zich op verrekening met de vordering van [eiseres] op haar legitieme portie. Dit beroep op verrekening wijst de rechtbank af. De schuldsaneringsregeling van [eiseres] is geëindigd in september 2012. De vordering tot betaling van € 70.000 uit de geldlening is dan ook al september 2012 omgezet in een natuurlijke verbintenis. Dit is dus voordat door het overlijden van erflater in september 2014 de vordering tot uitbetaling van de legitieme portie waarmee zou kunnen worden verrekend, ontstond. Omstandigheden die maken dat in het onderhavige geval op grond van de redelijkheid en billijkheid, zo dit al mogelijk zou zijn, anders zou moeten worden geoordeeld, zijn gesteld noch gebleken (zie ook Hof gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 27 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:818).

4.26.

Voor zover [gedaagde 1] stelt dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat voor wat betreft de hoogte en uitbetaling van de legitieme portie met deze vordering rekening moet worden gehouden, wijst de rechtbank dit af. Voorwaarde voor het meetellen van dit bedrag van € 70.000 is dat sprake moet zijn van een gift van erflater aan [eiseres] . Krachtens artikel 7:186 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt als gift aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt. Niet is gebleken dat het de bedoeling van erflater was dit bedrag aan [eiseres] te schenken. Het aflopen van de schuldsaneringsregeling, waardoor de geldvordering is omgezet in een natuurlijke verbintenis kan niet worden gezien als een handeling van erflater. Derhalve kan van een gift geen sprake zijn.

conclusie omvang legitieme portie

4.27.

De rechtbank kan op basis van de stellingen en weren van partijen de omvang van de legitieme portie vaststellen.

Voor de bepaling van de omvang van de legitieme portie dienen de volgende posten te worden meegenomen:

  • -

    waarde woning € 285.000;

  • -

    hypothecaire vordering -€ 57.000;

  • -

    saldo ING bankrekening € 4.368,71;

  • -

    kosten € 5.943,79.

Dit is een totaalbedrag van € 226.424,92. Dit leidt tot een legitieme portie van [eiseres] van € 28.303,11. De rechtbank zal [gedaagde 1] veroordelen tot betaling van dit bedrag.

Gelet hierop heeft [eiseres] geen belang bij haar aparte vordering inzake een verklaring voor recht over de hoogte van de legitieme portie.

4.28.

Nu de rechtbank de omvang van de legitieme portie heeft vastgesteld, ziet zij geen grond voor toewijzing van de vordering van [eiseres] om [gedaagde 1] te veroordelen om onder eedsaflegging een boedelbeschrijving op te stellen.

aansprakelijkheid [gedaagde 1] (vorderingen onder V. en VI.)

4.29.

De rechtbank heeft onder 4.8 geconcludeerd dat het feit dat [gedaagde 1] de woning in december 2015 heeft verkocht voor een bedrag van € 155.000 niet van belang is voor het bepalen van de omvang van de legitieme portie. In verband hiermee gaat de rechtbank niet in op de stellingen van [eiseres] dat [gedaagde 1] bij de verkoop van de woning onrechtmatig heeft gehandeld en een te lage prijs heeft gerealiseerd. [eiseres] is immers door de verkoop in december 2015 niet benadeeld. Tot enige aansprakelijkheid van [gedaagde 1] jegens [eiseres] voor geleden schade kunnen deze verwijten dan ook niet leiden. De vorderingen van [eiseres] voor zover zij hierop betrekking hebben, wijst de rechtbank af.

proceskosten

4.30.

Gelet op het feit dat tussen partijen sprake is van een familierechtelijke betrekking en dit geschil mede daarop betrekking heeft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen in conventie en in reconventie te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in het incident

4.31.

Nu in deze procedure een eindvonnis wordt gewezen, heeft [eiseres] geen belang meer bij haar incidentele vordering. Deze zal de rechtbank dan ook afwijzen.

4.32.

Ook in het incident zal de rechtbank de proceskosten compenseren, gelet op de familierechtelijke betrekking tussen partijen

5 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in conventie

5.3.

verklaart voor recht dat de legitieme portie van [eiseres] in de nalatenschap van erflater € 28.303,11 bedraagt;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag van € 28.303,11en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

wijst de overige vorderingen af;

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af;

5.8.

compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.1

1 type: 1958