Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4927

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
AWB 16/26611
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2017:873
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fictief beroep. Einduitspraak na stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening.

Tussen partijen is in geschil of de beslistermijn voor verweerder ten tijde van het indienen van het onderhavige beroep was versterken. Daarbij is het de vraag vanaf welke moment Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 42, zesde lid, Vw. Aangezien eiser inmiddels in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, spitst het geschil zich voorts toe op de vraag of verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en daardoor dwangsommen heeft verbeurd over de periode vanaf het moment dat verweerder in gebreke is gebleven om een besluit te nemen tot het moment dat verweerder uiteindelijk het besluit heeft genomen. Verweerder heeft uiteindelijk zijn primaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat aan eiser te kennen is gegeven dat hij werd opgenomen in de Nederlandse asielprocedure en het subsidiaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op de datum dat het Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de rechtbank heeft beantwoord, niet langer gehandhaafd. Tussen partijen is daarom niet langer in geschil dat de beslistermijn in casu aanvangt twee weken na het verzoek om heroverweging op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, te weten op 28 april 2016. Gelet op de inwerkingtreding van WBV 2016/3, op 11 februari 2016, is de beslistermijn in alle asielzaken van vóór en ná die datum met negen maanden verlengd. Dat geldt ook voor deze zaak. De enkele omstandigheid dat verweerder op 14 december 2016 aan eiser per brief kenbaar heeft gemaakt dat zijn asielverzoek in Nederland in behandeling wordt genomen en uiterlijk op 14 juni 2017 een beslissing wordt genomen, hetgeen een beslistermijn van zes maanden impliceert, leidt niet tot een ander oordeel. Door voornoemde WBV is de algemene, eerste beslistermijn van zes maanden zoals weergegeven in de brief immers verlengd met 9 maanden. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk op 28 juli 2017 een besluit moest nemen op de asielaanvraag van eiser. Nu verweerder op 29 mei 2017 een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van de vreemdeling, is de beslistermijn niet overschreden en heeft hij tijdig op de aanvraag beslist. Het beroep is daarom prematuur ingediend, zodat het niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verweerder heeft daarom evenmin dwangsommen verbeurd. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd en het standpunt van verweerder dat eiser ten onrechte na de ingebrekestelling niet twee weken heeft gewacht met het indienen van het beroep, behoeft daarom geen bespreking meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16 / 26611

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 april 2019 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] van Syrische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. C.C. Westermann-Smit, advocaat te Haarlem)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigden: mr. J.J. Hofland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 17 november 2016 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 24 januari 2016 voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarbij heeft eiser de rechtbank verzocht om vast te stellen dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd vanaf het moment dat verweerder in gebreke is een besluit te nemen en verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, op straffe van een nadere dwangsom.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. J.J. Hofland.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 23 januari 2017 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).

Het Hof heeft bij arrest van 13 november 2018 (C-47/17, ECLI:EU:C:2018:900) deze prejudiciële vragen beantwoord.

Verweerder heeft op 5 december 2018 op het arrest gereageerd. Eiser heeft op 15 januari 2019 hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 22 maart 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft de rechtbank bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op 22 maart 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht een schriftelijk standpunt in te nemen naar aanleiding van hetgeen door eiser ter zitting is aangevoerd.

Verweerder heeft op 12 april 2019 schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 24 januari 2016 in Nederland een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 24 januari 2016 heeft verweerder een Eurodac-treffer omtrent eiser ontvangen, waaruit is gebleken dat eiser op 22 januari 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

Verweerder heeft op 24 maart 2016 een verzoek om terugname van eiser gedaan bij de Duitse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, sub b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).

De Duitse autoriteiten hebben het terugnameverzoek op 7 april 2016 afgewezen.

Op 14 april 2016 heeft verweerder een verzoek om heroverweging aan de Duitse autoriteiten gedaan.

Bij brief van 29 augustus 2016 heeft eiser verweerder verzocht zijn asielaanvraag in behandeling te nemen en de afwijzing van de Duitse autoriteiten van 7 april 2016 als een definitieve afwijzing aan te merken.

Verweerder heeft op dit verzoek niet inhoudelijk gereageerd.

Eiser is vanaf 14 november 2016 in honger- en dorststaking gegaan.

Eiser heeft verweerder bij brief van 17 november 2016 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een tijdig besluit.

Omstreeks 23 november 2016 is eiser weer gaan eten en drinken.

Verweerder heeft de rechtbank op 22 december 2016 bericht dat eiser is opgenomen in de Nederlandse algemene asielprocedure en dat het claimverzoek, dat in het kader van de Dublinverordening bij de Duitse autoriteiten is ingediend, op 14 december 2016 is ingetrokken.

Op 26 januari 2017 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel verleend.

2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

3. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw een beschikking gegeven.

5. Op grond van artikel 42, vierde lid, Vw kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien:
a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;
b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.

6. Artikel 42, zesde lid, Vw bepaalt dat, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 Vw niet in behandeling dient te worden genomen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.

7. Ten slotte heeft verweerder de beslistermijn met het “Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 februari 2016, nummer WBV 2016/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000” met ingang van 11 februari 2016 in alle lopende zaken met toepassing van artikel 42, vierde lid, onder b, Vw met maximaal 9 maanden verlengd.

8. Tussen partijen is in geschil of de beslistermijn voor verweerder ten tijde van het indienen van het onderhavige beroep was versterken. Daarbij is het de vraag vanaf welke moment Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asiel verzoek van eiser op grond van artikel 42, zesde lid, Vw. Aangezien eiser inmiddels in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, spitst het geschil zich voorts toe op de vraag of verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en daardoor dwangsommen heeft verbeurd over de periode vanaf het moment dat verweerder in gebreke is gebleven om een besluit te nemen tot het moment dat verweerder uiteindelijk het besluit heeft genomen.

9. Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 13 november 2018 als volgt geantwoord op prejudiciële vragen van de rechtbank:
“90 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat:
– artikel 5, lid 2, van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van de procedure ter bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, de lidstaat waarbij krachtens artikel 21 of artikel 23 van de Dublin III-verordening een verzoek tot over‑ of terugname is ingediend en die na de nodige verificaties daarop een negatief antwoord heeft gegeven binnen de termijnen van artikel 22 of van artikel 25 van laatstgenoemde verordening en die nadien wordt gevraagd om heroverweging krachtens genoemd artikel 5, lid 2, zich in een geest van loyale samenwerking moet beijveren om daarop binnen de termijn van twee weken te antwoorden, en
– wanneer de aangezochte lidstaat niet binnen deze termijn van twee weken antwoordt, de aanvullende procedure voor heroverweging definitief is beëindigd, zodat de verzoekende lidstaat vanaf het verstrijken van die termijn moet worden aangemerkt als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, tenzij hij nog over de nodige tijd beschikt om binnen de daartoe in artikel 21, lid 1, en in artikel 23, lid 2, van de Dublin III-verordening gestelde dwingende termijnen een nieuw verzoek tot over‑ of terugname in te dienen.

10. Verweerder heeft zich in reactie op het arrest van het Hof op het volgende standpunt gesteld. In casu is door verweerder op 26 januari 2017 een inhoudelijke beslissing op het verzoek van eiser om internationale bescherming genomen, zodat wel tijdig is beslist op het asielverzoek. Primair stelt verweerder dat de datum waarop besloten is het asielverzoek in de Nederlandse procedure op te nemen, te weten 14 december 2016, als startdatum voor de beslistermijn heeft te gelden. Uitgangspunt van artikel 31, derde lid, Procedurerichtlijn is immers dat de datum waarop wordt vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, bepalend is voor de aanvang van de beslistermijn. Het woord “vastgesteld” veronderstelt een handeling van de lidstaat, te weten de mededeling aan de vreemdeling welke ertoe strekt dat hij in de nationale procedure wordt opgenomen. Voorts is op grond van het WBV 2016/3 de beslistermijn in de onderhavige zaak met negen maanden verlengd, zodat de totale duur van de beslistermijn vijftien maanden is. Er is dus tijdig beslist omdat er binnen vijftien maanden na 14 december 2016 is beslist. Subsidiair stelt verweerder dat, zo het vorenstaande niet wordt gevolgd, het in de rede ligt de datum van het arrest van het Hof aan te merken als datum waarop de beslistermijn in casu is aangevangen. Nu er al inhoudelijk is beslist door verweerder op het verzoek om bescherming voor de datum van het arrest van het Hof, is ook dan tijdig beslist. Meer subsidiair stelt verweerder dat niet eerder dan de dag na de datum waarop de antwoordtermijn voor heroverweging als bedoeld in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, van twee weken is versterken, als uitgangspunt kan worden genomen. Ook dan is er tijdig beslist omdat er binnen vijftien maanden na 28 april 2016, zijnde de dag na de datum waarop de antwoordtermijn is verstreken, inhoudelijk op het onderhavig verzoek is beslist.

11. Eiser stelt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag. Ten onrechte stelt verweerder dat de aanvang van de beslistermijn het moment is waarop verweerder heeft besloten de asielaanvraag van eiser in de Nederlandse asielprocedure op te nemen. In het arrest van het Hof is artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening aldus uitgelegd dat met het verstrijken van de in deze bepaling vastgestelde antwoordtermijn van twee weken de aanvullende procedure voor heroverweging definitief beëindigt, zodat de verzoekende lidstaat vanaf het verstrijken van die termijn moet worden aangemerkt als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. De door het Hof aangehaalde uitzondering hierop, namelijk dat de verzoekende lidstaat nog over de nodige tijd beschikt om binnen de daartoe in artikel 21, eerste lid, en artikel 23, tweede lid, Dublinverordening gestelde dwingende termijnen een nieuw verzoek tot over- of terugname in te dienen, was in het onderhavige geval niet aan de orde. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek is dus vastgesteld na het verstrijken van de antwoordtermijn van twee weken, te weten op 28 april 2016. Op grond van artikel 31, derde lid, Procedurerichtlijn heeft de beslistermijn dus een aanvang genomen op 28 april 2016. De uitleg van verweerder dat de beslistermijn pas gaat lopen nadat is besloten de aanvraag in de Nederlandse procedure op te nemen, doet geen recht aan het arrest van het Hof. De subsidiaire stelling van verweerder dat het in de rede ligt de datum van het arrest als startdatum van de beslistermijn aan te merken, doet ook geen recht aan het feit dat in het arrest een uitleg wordt gegeven aan het recht waarop reeds in de onderhavige procedure door eiser een beroep is gedaan.

11.1

Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat verweerder pas in het verweerschrift van 5 december 2018 voor het eerst het standpunt heeft ingenomen dat de beslistermijn in casu vijftien en niet zes maanden is. In het verweerschrift van 22 december 2016 heeft verweerder dit standpunt niet al ingenomen. Voorts heeft verweerder in de brief van 14 december 2016 waarin is aangegeven dat eiser in de nationale asielprocedure zal worden opgenomen, impliciet aangegeven dat de beslissing binnen zes maanden zal worden gegeven omdat daarin staat dat de beslissing uiterlijk op 14 juni 2017 volgt. Ondanks de WBV 2016/3 geldt in deze individuele zaak daarom toch een beslistermijn van zes maanden.
12. Verweerder heeft in zijn reactie van 12 april 2019 het volgende standpunt ingenomen. Ten aanzien van de startdatum van de beslistermijn merkt verweerder op dat de Afdeling bij uitspraak van 19 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:838) heeft bevestigd dat de beslistermijn is aangevangen op het moment dat de aangezochte lidstaat niet binnen de termijn van twee weken, genoemd in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening antwoordt. Dat betekent, volgens verweerder, dat in lijn met het meer subsidiaire standpunt Nederland na 28 april 2016 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser.
Voor zover eiser stelt dat in zijn zaak een beslistermijn van zes maanden geldt, verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ( de Afdeling) van 8 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3232) waaruit blijkt dat een individuele kennisgeving geen vereiste is om de beslistermijn te kunnen verlengen met negen maanden. Dat op 14 december 2016 een (administratieve) brief is gestuurd waarin een beslistermijn van zes maanden wordt genoemd, leidt niet tot een ander standpunt. Voorts is het gebruikelijk dat aan het begin van een verblijfsrechtelijke procedure een eerste beslistermijn van zes maanden wordt genoemd, voordat deze wordt verlengd. Daarbij komt dat de WBV geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vóór en na 11 februari 2016. Aangezien verweerder op 26 januari 2017 een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser is dus binnen een termijn van vijftien maanden na 28 april 2016 beslist.

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder, in de laatste reactie van 12 april 2019, zijn primaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op 14 december 2016 en het subsidiaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op 13 november 2018, niet langer handhaaft. Tussen partijen is daarom niet langer in geschil dat de beslistermijn in casu aanvangt twee weken na het verzoek om heroverweging op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, te weten op 28 april 2016.

14. Dat betekent in deze zaak dat Nederland vanaf 28 april 2016 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Gelet op de inwerkingtreding van WBV 2016/3, op 11 februari 2016, is de beslistermijn in alle asielzaken van vóór en ná die datum met negen maanden verlengd (zie ook de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 8 december 2016). Dat geldt ook voor deze zaak. De enkele omstandigheid dat verweerder op 14 december 2016 aan eiser per brief kenbaar heeft gemaakt dat zijn asielverzoek in Nederland in behandeling wordt genomen en uiterlijk op 14 juni 2017 een beslissing wordt genomen, hetgeen een beslistermijn van zes maanden impliceert, leidt niet tot een ander oordeel. Door voornoemde WBV is de algemene, eerste beslistermijn van zes maanden zoals weergegeven in de brief immers verlengd met 9 maanden.

15. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk op 28 juli 2017 een besluit moest nemen op de asielaanvraag van eiser. Nu verweerder op 29 mei 2017 een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van de vreemdeling, is de beslistermijn niet overschreden en heeft hij tijdig op de aanvraag beslist.

16. Het beroep is daarom prematuur ingediend, zodat het niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verweerder heeft daarom evenmin dwangsommen verbeurd. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd en het standpunt van verweerder dat eiser ten onrechte na de ingebrekestelling niet twee weken heeft gewacht met het indienen van het beroep, behoeft daarom geen bespreking meer.

17. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten. Daartoe acht de rechtbank allereerst redengevend dat eiser ten tijde van het indienen van het beroep, mede gelet op het nadien gewezen arrest van het Hof in deze zaak, terecht het standpunt van verweerder toentertijd heeft betwist. Voorts was eiser, op het moment van indienen van het beroep, nog niet in de Nederlandse asielprocedure opgenomen en had verweerder ook geen inhoudelijke beslissingen op het asielverzoek genomen. Daarbij komt dat verweerder zelfs na het arrest van het Hof een nieuw primair en subsidiair standpunt ten aanzien van de aanvang van de beslistermijn heeft ingenomen die, gelet op voornoemd arrest van het Hof en de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2019, eveneens onjuist waren. Tot slot acht de rechtbank van belang dat verweerder zich eerst in zijn reactie op het arrest van 5 december 2018 op het, gelet op wat hiervoor is overwogen overigens terechte, standpunt heeft gesteld dat de beslistermijn vijftien maanden bedraagt en niet zes maanden.

18. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 3.584,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 2 punten voor de schriftelijke opmerkingen in het kader van de prejudiciële procedure bij het Hof, 2 punten voor het verschijnen ter zitting bij het Hof, 1 punt voor het verschijnen op de nadere zitting na tussenuitspraak, wegingsfactor 1, met een waarde van € 512,- per punt).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 3.584,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.