Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4925

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
NL19.8125
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Zwitserland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, Eritrea, Bundesverwaltungsgericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.8125

v-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.8126, plaatsgevonden op 2 mei 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S.M. van Beek, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 23 december 2018 in Nederland asiel aangevraagd.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 22 juni 2015 daar een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Desgevraagd heeft Zwitserland op 29 januari 2019 ingestemd met de terugname van eiser.

3. Eiser stelt dat verweerder op basis van artikel 17 van de Dublinverordening1 gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om zijn asielaanvraag alsnog aan zich te trekken, omdat ten aanzien van Zwitserland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser voert aan dat er sprake is van een gevaar voor indirect refoulement indien hij aan Zwitserland wordt overgedragen. Immers, niet in geschil is dat Zwitserland, in tegenstelling tot Nederland, geen subsidiaire bescherming verleent aan illegaal uitgereisde Eritrese asielzoekers. Eiser verwijst naar de door hem overgelegde uitspraak van het Zwitserse Bundesverwaltungsgericht (BVG) van 8 november 2018, waarbij zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond is verklaard.

Eiser stelt dat hoger beroep niet mogelijk is en dat een herhaalde asielaanvraag geen kans van slagen heeft, gelet op het in Zwitserland gevoerde beleid. Eiser verwijst daarbij naar het AIDA rapport van 28 februari 2019.2 Zonder geld zal eiser zich ook niet kunnen wenden tot het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM). Eiser handhaaft zijn beroep op de uitspraak van 27 juli 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle3 (NL18.10072), die inmiddels op 28 februari 2019 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is bevestigd. Hij beroept zich tevens op het arrest van het Gerechtshof Lyon van 13 maart 20184, waarin in een vergelijkbare situatie is geoordeeld dat Frankrijk de behandeling aan zich had moeten houden. Eiser heeft tot slot ter zitting aangevoerd dat hij gedwongen zal worden om op straat te leven indien zijn opvolgende aanvraag wordt afgewezen. Eiser bevindt zich dan in een juridische limbo, indien hij geen rechtmatig verblijf in Zwitserland zou krijgen, maar ook niet uitgezet zou worden naar Eritrea.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. In geschil is of verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de asielaanvraag van eiser alsnog aan zich had moeten trekken. De rechtbank overweegt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen ten opzichte van eiser nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aan te tonen dat ten aanzien van Zwitserland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Zwitserland een reëel risico loopt op refoulement of een schending van artikel 3 van het EVRM.5 Dat eisers asielverzoek in Zwitserland is afgewezen, en dat dit is bevestigd door het BVG, verandert dit oordeel niet. De Nederlandse rechter dient immers niet te toetsen of het BVG en de Zwitserse autoriteiten tot inhoudelijke juiste oordelen zijn gekomen. Dat Nederland een ander beleid voert ten aanzien van Eritrese asielzoekers, betekent niet automatisch dat jegens Zwitserland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan of dat Eritrese asielzoekers hoeven te vrezen voor refoulement. Anders dan eiser stelt, blijkt uit een eerder arrest van het BVG juist dat afgewezen Eritrese asielzoekers niet naar Eritrea zullen worden uitgezet6. Eisers beroep op de uitspraak van het Gerechtshof van Lyon kan daarom niet slagen. Anders dan bij de uitspraak van zittingsplaats Zwolle, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Zwitserland heeft te vrezen voor refoulement.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder er terecht van uit gaat dat de Zwitserse autoriteiten de opvolgende asielaanvraag van eiser zorgvuldig zullen behandelen. Met het claimakkoord hebben de Zwitserse autoriteiten dit immers gegarandeerd. Anders dan eiser heeft betoogd kan uit de rapportage van AIDA7 niet de conclusie worden getrokken dat het indienen van een opvolgende aanvraag bij voorbaat zinloos is, of dat eiser bij een afwijzing van een opvolgende aanvraag geen deugdelijk rechtsmiddel zou hebben. In Zwitserland dient de indiener van een opvolgende aanvraag zijn aanvraag te motiveren met (nieuwe) schriftelijke elementen. Indien de indiener geen nieuwe elementen inbrengt, kan de aanvraag worden afgewezen zonder een formeel besluit. Echter staat ook in dat geval voor eiser een gang naar de rechtbank open.

7. Verweerder heeft ook terecht tegengeworpen dat indien eisers asielaanvraag opnieuw zou worden afgewezen, en hij zich alsnog niet kan vinden in het Zwitserse beschermings- of opvangbeleid, hij bij het EHRM terecht kan. In dat geval heeft eiser de mogelijkheid om een ‘interim measure’ aan te vragen en een beroep te doen op opvangvoorzieningen. Verweerder heeft in dit kader terecht verwezen naar het arrest M.O. tegen Zwitserland van het EHRM8. De rechtbank leidt uit dit arrest af dat, anders dan eiser stelt, zijn rechten op grond van het EVRM zullen worden beschermd indien hij een gang naar het EHRM maakt. Dat eisers huidige Zwitserse advocaat zonder betaling niet bereid zou zijn om een ‘interim measure’ aan te vragen, betekent nog niet dat hij geen enkele mogelijkheid heeft om een procedure bij het EHRM te starten.

8. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat, indien zijn asielaanvraag wordt afgewezen, hij verstoken van opvang zich in een juridische limbo zal bevinden. Voor zover eiser hiermee betoogt dat Zwitserland zich niet houdt aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, heeft verweerder terecht verwezen naar het arrest van het EHRM, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk9. Indien Zwitserland zich ten opzichte van eiser niet houdt aan zijn verplichtingen om hem opvang en een behoorlijke asielprocedure te bieden, dient eiser zich hierover te beklagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten.

9. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om het asielverzoek van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 Het Country Rapport Switzerland van het Asylum Information Database

3 ECLI:NL:RBOVE:2018:2734

4 17LYO2181 en 17LYO2184

5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

6 Uitspraak van het BVG van 17 augustus 2017, D-2311/2016, rechtsoverweging 19

7 AIDA, Country Rapport Switzerland, pagina 54 en 55

8 Uitspraak van het EHRM van 20 juni 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0620JUD004128216

9 Uitspraak van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:NL:XX:2008:BG9802, JV 2009/41