Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4864

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5327
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invorderingswet. Bestuurdersaansprakelijkheid. Eiser is terecht aangemerkt als bestuurder. Geen rechtsgeldige melding van betalingsonmacht mogelijk nu de naheffingsaanslagen het gevolg zijn van grove schuld van het lichaam. Eiser kan worden verweten dat er niet rechtsgeldig kon worden gemeld. Aansprakelijkstelling is niet te hoog vastgesteld. Geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-05-2019
V-N Vandaag 2019/1272
FutD 2019-1527 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/5327

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], [plaats] (Verenigd Koninkrijk), eiser

(gemachtigde: C. Overduin),

de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2018 eiser aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd aan [Ltd.] Ltd. (de belastingschuldige), alsmede voor de aan de belastingschuldige opgelegde vergrijpboeten en de aan haar in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente.

Bij beschikking van 6 maart 2018 is de aansprakelijkstelling ambtshalve verminderd in die zin dat eiser niet langer aansprakelijk wordt gesteld voor de aan de belastingschuldige opgelegde vergrijpboeten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 juni 2018 de beschikking aansprakelijkstelling gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019.

Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigde en [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. E.J.L. Heerenveen, mr. R.A.M. Vissers, mr. Y.M. Joesoef Djamil en drs. A.J. Braber.

De onderhavige zaak is ter zitting tegelijk behandeld met de zaak (nummer SGR 18/5326) van mevrouw [B] (de partner).

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is, samen met de partner, directeur-grootaandeelhouder van de belastingschuldige. De belastingschuldige is een op 18 oktober 1996 naar het recht van het Verenigd Koninkrijk (VK) opgerichte limited. De belastingschuldige is ingeschreven bij de Companies House in het VK.

2. Op 1 mei 2014 heeft verweerder bij de belastingschuldige een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften loonheffingen voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met

31 december 2012. Dit boekenonderzoek is op 2 mei 2014 uitgebreid naar de jaren 2009 tot en met 2011 en 2013. In 2015 is het boekenonderzoek uitgebreid naar de aangiften loonheffingen voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. De uitkomsten van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een controlerapport met dagtekening

1 juni 2016, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort.

3. Blijkens voormeld rapport heeft verweerder tijdens het boekenonderzoek onder andere geconstateerd dat de belastingschuldige de in haar verlies- en winstrekeningen opgenomen ‘directors fees’ ten onrechte niet in haar loonadministratie heeft verantwoord en voorts dat de belastingschuldige, naast de toepassing van de 30%-regeling, op declaratiebasis onbelaste kostenvergoedingen voor ‘house- en living allowances’ aan eiser en de partner heeft uitbetaald. Verweerder deelt mee dat een en ander zal worden gecorrigeerd en dat voorts aan de belastingschuldige vergrijpboeten zullen worden opgelegd.

4. Aan de belastingschuldige zijn vervolgens de hierna vermelde naheffingsaanslagen opgelegd:

- een naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met

31 december 2009, gedagtekend 16 december 2014, ten bedrage van € 75.000.

Hierbij is voorts een bedrag van € 10.692 aan heffingsrente in rekening gebracht;

- een naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met

31 december 2010, gedagtekend 14 december 2015, ten bedrage van € 180.219, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 45.054. Voorts is € 28.356 aan heffingsrente in rekening gebracht;

- een naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met

31 december 2011, gedagtekend 17 juni 2016, ten bedrage van € 167.016, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 41.754. Voorts is € 25.186 aan heffingsrente in rekening gebracht;

- een naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met

31 december 2012, gedagtekend 26 oktober 2016, ten bedrage van € 103.825, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 25.956. Voorts is € 14.714 aan belastingrente in rekening gebracht;

- een naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met

31 december 2013, gedagtekend 26 oktober 2016, ten bedrage van € 145.431, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 36.357. Voorts is € 16.264 aan belastingrente

in rekening gebracht;

- een naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met

31 december 2014, gedagtekend 26 oktober 2016, ten bedrage van € 107.183, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 26.795. Voorts is € 7.967 aan belastingrente in rekening gebracht.

5. De belastingschuldige heeft tegen de voormelde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 15 maart 2017 zijn

de naheffingsaanslagen in stand gelaten en de vergrijpboeten verminderd.

De belastingschuldige heeft daartegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van de rechtbank

Den Haag van 11 september 2018, zaaknummers: SGR 17/2894 t/m SGR 17/2899, ECLI:NL:RBDHA:2018:12021, zijn de beroepen van de belastingschuldige ongegrond verklaard. De belastingplichtige heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

6. De belastingschuldige heeft de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen en vergrijpboeten en de aan haar in rekening gebrachte heffings- en belastingrente niet betaald, hetgeen heeft geresulteerd in de hier aan de orde zijnde aansprakelijkstelling.

Geschil
7. In geschil is of eiser terecht aansprakelijk is gesteld. In het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vragen of:

  • -

    in de bezwaarfase alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd;

  • -

    eiser is aan te merken als bestuurder van de belastingschuldige;

  • -

    de betalingsonmacht van de belastingschuldige rechtsgeldig is gemeld;

  • -

    als er geen sprake is van een rechtsgeldige melding van de betalingsonmacht, dit aan eiser kan worden tegengeworpen;

  • -

    de ontvanger reeds uit anderen hoofde bekend was met de betalingsonmacht van de belastingschuldige;

  • -

    eiser voor een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld;

  • -

    er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur;

  • -

    de ontvanger heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Beoordeling van het geschil

Ter inzage legging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken

8. Eiser stelt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

9. Ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient verweerder het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat enkele stukken pas bij de uitspraak op bezwaar door verweerder zijn overgelegd. Het betreft stukken van de Companies House, te weten een formulier “appointment of director or secretary” en de oprichtingsakte van de belastingschuldige en daarnaast de jaarstukken voor de jaren 2008 tot en met 2014.

Eiser stelt derhalve in zoverre terecht dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, genoemde verplichting. Echter, nu eiser pas tijdens het hoorgesprek heeft betwist dat hij als bestuurder van de belastingschuldige is aan te merken en hij bovendien zelf de beschikking heeft over de voormelde stukken, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet is benadeeld door de omstandigheid dat die stukken pas bij de uitspraak op bezwaar door verweerder zijn overgelegd. De rechtbank gaat daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan dit gebrek voorbij.

11. Voor zover eiser tevens heeft willen stellen dat verweerder niet heeft voldaan aan artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, nu verweerder niet alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter heeft overgelegd, wordt opgemerkt dat eiser niet heeft geconcretiseerd welke op de zaak betrekking hebbende stukken niet zouden zijn overgelegd en evenmin gemotiveerd waarom die stukken van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming van verweerder.

Is eiser terecht aangemerkt als bestuurder?

12. Verweerder heeft zowel eiser als de partner als bestuurder van de belastingschuldige aansprakelijk gesteld. Eiser betwist dat hij als bestuurder van de belastingschuldige kan worden aangemerkt.

13. Uit de stukken van de inschrijving in de Companies House blijkt dat eiser en de partner zijn benoemd tot directeur van de belastingschuldige. Eerst per 10 juli 2014 wordt daarnaast [C] benoemd tot directeur van de belastingschuldige. Aldus waren eiser en de partner in ieder geval tot 10 juli 2014 als enige gerechtigd om het beleid te voeren en dienaangaande beslissingen te nemen. Tot de stukken van het geding behoren voorts kopieën van zogenoemde ‘director’s reports’ voor de jaren 2010, 2012, 2013 en 2014, waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat eiser en de partner in de desbetreffende jaren als directeur van de belastingschuldige optraden. Verder blijkt uit de kopieën van de aktes van bijeenkomsten van de directeuren dat eiser en de partner daarbij als enigen aanwezig waren. Aldus is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser terecht als bestuurder van de belastingschuldige heeft aangemerkt. Eiser heeft met zijn blote stelling dat hij geen bestuurder is, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Melding betalingsonmacht belastingschuldige

14. De belastingschuldige heeft op 31 maart 2017 een melding van betalingsonmacht gedaan. Bij beslissing van 11 april 2017 heeft verweerder meegedeeld dat de melding van betalingsonmacht voor de loonheffingen over de tijdvakken 2009 tot en met 2014 niet rechtsgeldig is. Eiser stelt dat de betalingsonmacht wel rechtsgeldig is gemeld. Subsidiair stelt hij dat, als er geen sprake is van een rechtsgeldige melding, dit niet aan hem kan worden tegengeworpen. Eiser stelt meer subsidiair dat een melding van betalingsonmacht niet nodig was, omdat verweerder al langs andere weg op de hoogte was van de betalingsonmacht.

15. Nu aan de belastingschuldige naheffingsaanslagen zijn opgelegd, is uitsluitend de meldingsregeling van artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (het Uitvoeringsbesluit) van toepassing. Dit artikellid luidt:

“In geval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan, voor zover die omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam, in afwijking van het eerste lid, de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag.”

16. Uit de tekst van artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, volgt dat geen rechtsgeldige melding van betalingsonmacht kan worden gedaan voor een naheffingsaanslag die het gevolg is van opzet of grove schuld van het lichaam.

17. In de hiervoor onder 5 vermelde uitspraak van 11 september 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk heeft gemaakt dat het aan grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig loonheffingen zijn afgedragen. Er zijn in de onderhavige procedure geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die de rechtbank aanleiding geven om thans anders te oordelen, waardoor het oordeel dat de naheffingsaanslagen te wijten zijn aan grove schuld van het lichaam wordt gevolgd. Ingevolge voormeld artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, kan er dan geen rechtsgeldige melding van betalingsonmacht worden gedaan. Dat de belastingschuldige feitelijk wel een melding heeft gedaan, doet niet ter zake. Evenmin is van belang of verweerder al dan niet langs andere weg op de hoogte was van de betalingsonmacht (vgl. HR 23 december 2011, nr. 10/01211, ECLI:NL:HR:2011:BR7038 en HR 6 april 2012, 11/01496, ECLI:NL:HR:2012:BR7065).

18. Nu geen rechtsgeldige melding van betalingsonmacht kon worden gedaan, heeft dat tot gevolg dat wordt vermoed dat het niet betalen aan eiser, of althans mede aan eiser, is te wijten. Eiser wordt slechts toegelaten tot weerlegging van dat vermoeden als hij aannemelijk maakt dat het feit dat er niet rechtsgeldig kon worden gemeld, niet aan hem is te wijten.

Kan eiser worden verweten dat er niet rechtsgeldig kon worden gemeld?

19. Eiser stelt dat het niet aan hem is te wijten dat de betalingsonmacht niet rechtsgeldig is gemeld. Hij voert daartoe aan dat de grove schuld van de belastingschuldige hem niet kan worden tegengeworpen.

20. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals de rechtbank hiervoor onder 13 heeft geoordeeld, waren eiser en de partner, in ieder geval tot 10 juli 2014, de enige bestuurders van de belastingschuldige. Zij namen de beslissingen en zij hebben feitelijk namens de belastingschuldige gehandeld. De grove schuld van de belastingschuldige is daarmee een rechtstreeks gevolg van de beslissingen en het handelen van eiser en de partner. Daaraan doet niet af dat, naar eiser stelt, er voor de loonadministratie een deskundig kantoor is ingeschakeld. Zoals ook geoordeeld door de rechtbank in haar beslissing van 11 september 2018 onder rechtsoverweging 34, is gesteld noch gebleken dat een deskundig kantoor ter zake om advies is gevraagd of dat een dergelijk kantoor zich jegens de belastingschuldige (en daarmee ook jegens eiser en zijn partner) heeft uitgelaten over de voorwaarden die verbonden zijn aan het onbelast kunnen uitbetalen van de ‘directors fees’ en de kostenvergoedingen. Aldus is het evengoed aan eiser - die samen met de partner feitelijk het bestuur voert van de belastingschuldige - te wijten dat er niet rechtsgeldig kon worden gemeld. Eiser kan daarom niet worden toegelaten tot weerlegging van het vermoeden dat het niet betalen aan hem is te wijten. De stelling van eiser dat geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur behoeft daarom geen behandeling.

Hoogte van de aansprakelijkstelling

21. Eiser stelt dat hij voor een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld. Hij voert daartoe aan dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor de vergrijpboeten, de invorderings-, de heffings- en belastingrente. Voorts stelt eiser dat de naheffingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

22. Reeds bij beschikking van 6 maart 2018 heeft verweerder de aansprakelijkstelling ambtshalve verminderd in die zin dat eiser niet langer aansprakelijk wordt gesteld voor de aan de belastingschuldige opgelegde vergrijpboeten. Ook is eiser niet aansprakelijk gesteld voor de invorderingsrente. In zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag.

23. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen heeft de rechtbank in haar uitspraak van 11 september 2018 geoordeeld dat verweerder de correcties terecht heeft aangebracht en heeft de rechtbank verweerder gevolgd in zijn berekeningen van die correcties zoals neergelegd in het controlerapport. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen.

24. Met betrekking tot de stelling van eiser dat hem ter zake van het belopen van de heffings- en belastingrente geen verwijt kan worden gemaakt en hij daarom ten onrechte ook voor die bedragen aansprakelijk is gesteld, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 20 heeft overwogen, volgt dat het aan de beslissingen en het handelen van eiser en de partner is te wijten dat er aanvankelijk te weinig loonheffingen zijn afgedragen en er naheffingsaanslagen moesten worden opgelegd. Aldus is ook het belopen van de heffingsrente en de belastingrente (mede) aan eiser te wijten. Eiser is daarom terecht aansprakelijk gesteld voor de aan de belastingschuldige in rekening gebrachte heffings- en belastingrente.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

25. Eiser stelt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij voert daartoe onder meer aan dat verweerder heeft gevraagd naar de aan de belastingschuldige gegeven fiscale adviezen. Verweerder zou aldus hebben gehandeld in strijd met het beginsel van fair play. Eiser wijst hierbij naar het arrest van

23 september 2005, ECLI:NL:HR:AU3140.

26. In even vermeld arrest van 23 september 2005 heeft de Hoge Raad overwogen dat het beginsel van fair play zich ertegen verzet dat de inspecteur van zijn bevoegdheid op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gebruik maakt om kennis te krijgen van rapporten en andere geschriften van derden voor zover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daaromtrent te adviseren.

27. Vooropgesteld moet worden dat in deze procedure alleen het handelen van verweerder, derhalve de Ontvanger, aan de orde kan worden gesteld en deze heeft geen bevoegdheden op grond van artikel 47 van de Awr. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat destijds de indruk werd gewekt dat de handelwijze met betrekking tot de hier aan de orde zijnde loonbestanddelen zou zijn geadviseerd door een derde. Verweerder heeft om die reden gevraagd naar bewijs voor dergelijke adviezen. Eiser heeft deze gang van zaken niet weersproken. Dienaangaande merkt de rechtbank op dat het verweerder vrij staat om te vragen naar bewijs voor iets wat de wederpartij stelt of lijkt te stellen. Van een schending van het fair-play beginsel is onder die omstandigheden geen sprake.

28. Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte niet alle bestuurders aansprakelijk heeft gesteld. Aldus zou verweerder hebben gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

29. Verweerder is in beginsel gehouden om alle bestuurders aansprakelijk te stellen, maar dat hij daar op goede gronden van mag afwijken, bijvoorbeeld als een bepaalde bestuurder meer verhaalsmogelijkheden biedt. Verweerder heeft zowel eiser als de partner aansprakelijk gesteld. Zij waren tot 10 juli 2014 de bestuurders van de belastingschuldige. Gesteld noch gebleken is dat er tot die datum nog andere personen als bestuurder hebben opgetreden. Eerst per 10 juli 2014 is ook [C] benoemd tot directeur. Echter, gelet op haar destijds al zeer hoge leeftijd (tachtig jaar), acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [C] ook feitelijk als bestuurder van de belastingschuldige heeft opgetreden. Verweerder heeft er daarom voor kunnen en mogen kiezen om [C] niet aansprakelijk te stellen. Van een onzorgvuldige belangenafweging is geen sprake.

Evenmin valt in te zien waarom verweerder zou hebben gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

30. Eiser komt voorts op tegen de beslissing van verweerder van 11 juli 2018 om in de beroepsfase geen uitstel van betaling te verlenen, alsmede tegen het gelegde conservatoir beslag.

31. Ingevolge artikel 8:5 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb).

32. In artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Hoofdstuk 1. Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan geen beroep worden ingesteld.

(…)

Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.”

33. De beslissing van verweerder van 11 juli 2018 om geen uitstel van betaling te verlenen, is genomen op grond van artikel 25 van de Invorderingswet 1990 (IW 1990). Het conservatoir beslag is geregeld in artikel 51 van de IW 1990. De rechtbank is daarom niet bevoegd om daarover te oordelen. Een geschil hierover kan alleen aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

34. Eiser heeft in het kader van zijn stelling dat verweerder heeft gehandeld in strijd

met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft gewacht op de reactie van eiser op het hoorverslag alvorens uitspraak op bezwaar te doen.

35. Hoewel de klacht terecht is en verweerder de termijn voor het geven van een reactie op het hoorverslag had moeten afwachten alvorens uitspraak op het bezwaar te doen, is dit verzuim naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig ernstig dat moet worden geoordeeld dat verweerder hiermee het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Voorts heeft de rechtbank in beroep kennis genomen van de opmerkingen van eiser op het hoorverslag.

36. Eiser heeft tot slot nog gesteld dat verweerder er geen blijk van heeft gegeven een individuele afweging te hebben gemaakt. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. In de beschikking aansprakelijkstelling heeft verweerder voldoende uiteengezet op welke gronden eiser aansprakelijk is gesteld. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder wel degelijk een individuele afweging heeft gemaakt. Daaraan doet niet af dat verweerder voorafgaand aan de aansprakelijkstelling geen rapport of schriftelijk stuk heeft opgesteld. Evenmin doet daaraan af dat verweerder bij zijn afweging om eiser al dan niet aansprakelijk te stellen rekening zal hebben gehouden met informatie afkomstig van de inspecteur.

Slotsom

37. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat eiser terecht en voor een juist bedrag aansprakelijk is gesteld. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

38. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de beslissing van verweerder om geen uitstel van betaling te verlenen en tegen het gelegde conservatoir beslag;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. A.D. van Riel en

mr. D.M. Drok, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.