Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4831

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
C/09/551876 / HA ZA 18-456
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1448, Overig
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dekking schade door brand ten onrechte afgewezen. Zelfstandig verweer verzekeraar onvoldoende onderbouwd om te kunnen concluderen tot brandstichting of grove schuld. Registratie incidentenregister niet gerechtvaardigd. Art. 7:941 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/551876 / HA ZA 18-456

Vonnis van 2 januari 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.J. van der Kolk te Zwolle,

tegen

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V. te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C.C. Janssen te Den Haag.

Partijen zullen hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Aegon’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 april 2018, met productie 1 tot en met 12;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 25 juli 2018, met productie 1 tot en met 15;

  • -

    het tussenvonnis van 26 september 2018, waarin een datum voor de comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 22 november 2018 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt: [eiser] bij brief van 11 december 2018, Aegon bij brief van 12 december 2018.

1.3.

De rechtbank zal geen acht slaan op de reacties van partijen voor zover deze aanvullingen en verduidelijkingen van tijdens de zitting ingenomen standpunten inhouden. Voor het overige wordt dit vonnis gewezen met inachtneming van eventuele feitelijke correcties.

1.4.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft bij Aegon een inboedel- en woonhuisverzekering afgesloten onder polisnummer [nummer] . Het betreft een ‘Aegon Woon- & VrijeTijdpakket’, inclusief een een ‘Aegon Woonhuisverzekering Allrisk’ en een ‘Aegon Inboedelverzekering Allrisk’.

2.2.

In de toepasselijke polisvoorwaarden ‘Aegon Woonhuisverzekering nr. 3021’ (hierna: polisvoorwaarden Woonhuis) is opgenomen, voor zover hier relevant:

1.6.3. Wanneer mogen wij de verzekering beëindigen?

Wij mogen de verzekering beëindigen:

(…)

als u informatie achterhoudt bij schade. De verzekering eindigt dan direct;

als er sprake is van fraude, bedrog of oplichting. De verzekering eindigt dan direct.

(…).

2.1.

Woonhuis Basis

Wat is verzekerd?

U bent verzekerd voor beschadiging of diefstal van onderdelen van je woonhuis door de volgende gebeurtenissen. De gebeurtenis moet van buiten komend, onverwacht en onvoorzien zijn en plaatsvinden tijdens de looptijd van de verzekering.

(…).

2.2.

Woonhuis Allrisk

Wat is verzekerd?

De gebeurtenissen die genoemd staan onder 2.1 zijn verzekerd. Daarnaast geldt dat bijna iedere andere onvoorziene gebeurtenis, die een beschadiging veroorzaakt en plotseling en onverwachts ontstaat, ook verzekerd is. In artikel 2.9 leest u in welke gevallen er geen dekking is.

(…)

2.9.

Wat is niet verzekerd (standaard- en aanvullende dekking(en))?

U bent niet verzekerd:

(…)

voor schade door bewuste of ernstige mate van eigen schuld;

voor schade waarover u ons met opzet onjuiste gegevens heeft verstrekt;

(…).

2.3.

In de toepasselijke polisvoorwaarden ‘Aegon Inboedelverzekering nr. 3022’ is opgenomen, voor zover hier relevant:

1.6.3. Wanneer mogen wij de verzekering beëindigen?

Wij mogen de verzekering beëindigen:

(…)

als u informatie achterhoudt bij schade. De verzekering eindigt dan direct;

als er sprake is van fraude, bedrog of oplichting. De verzekering eindigt dan direct.

(…).

1.17.

Welke schades vergoeden wij nooit?

(…)

als blijkt dat ons bij het afsluiten van de verzekering of bij het melden van de schade opzettelijk verkeerde informatie is verstrekt of als blijkt dat belangrijke informatie is achtergehouden;

als u of een verzekerde bij de afhandeling van de schademelding niet wilt meewerken en daardoor onze belangen worden geschaad;

voor schade als gevolg van opzet;

(…).

2.8.4.

Wat is niet verzekerd?

U bent niet verzekerd:

(…)

voor schade door bewuste of ernstige mate van eigen schuld;

voor schade waarover u ons met opzet onjuiste gegevens heeft gegeven;

(…).

2.4.

Op 23 juli 2013 heeft [eiser] een schade door brand in zijn vrijstaande schuur bij Aegon gemeld en geclaimd.

2.5.

Aegon heeft Onafhankelijk Onderzoeksbureau I-TEK B.V. (‘I-TEK’) ingeschakeld, met het verzoek de oorzaak en omstandigheden waaronder de brand had plaatsgevonden, te onderzoeken. De heer [A] (‘ [A] ’), aldaar werkzaam als technisch / tactisch onderzoeker, heeft bij verkort onderzoeksrapport van 25 juli 2013 als schadeoorzaak vastgesteld: “De brand in de schuur is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ontstaan als gevolg van warmtestuwing, afkomstig van één van de lampen in deze schuur.

2.6.

Aegon heeft aan [eiser] een bedrag uitgekeerd van EUR 197.932,00.

2.7.

Op 2 januari 2014 heeft [eiser] een brand in zijn schuur die tevens dienst deed als stal voor vee bij Aegon gemeld en geclaimd. Op verzoek van Aegon heeft [A] ook deze brand onderzocht. In een verkort onderzoeksrapport van 7 januari 2014 heeft [A] geschreven: “De oorzaak voor het ontstaan van de brand in de dubbele schuur op het schadeadres kon niet meer worden vastgesteld. Dit als gevolg van sloopwerkzaamheden die waren uitgevoerd ten tijde van de bluswerkzaamheden van de brandweer. Tijdens het onderzoek is aandacht besteed aan mogelijke oorzaken voor het ontstaan van de brand. Desondanks bleef de oorzaak voor het ontstaan van de brand onduidelijk."

2.8.

Aegon heeft aan [eiser] een bedrag uitgekeerd van EUR 107.543,00.

2.9.

Op 19 januari 2017 is opnieuw brand bij [eiser] ontstaan, ditmaal op de derde woonlaag van de woning, daar waar zich de zolder bevindt.

2.10.

Op 20 januari 2017 heeft de assurantietussenpersoon van [eiser] , de heer [B] van Bolk Assurantiën (‘ [B] ’), namens [eiser] bij Aegon melding gemaakt van de brandschade.

2.11.

Aegon heeft I-TEK wederom ingeschakeld met het verzoek de oorzaak en omstandigheden waaronder de brand had plaatsgevonden, te onderzoeken.

2.12.

Op 20 januari 2017 heeft [A] samen met een collega (technisch onderzoeker), de heer [C] (‘ [C] ’), onderzoek verricht. Van de vulling van een matras dat zij buiten hadden aangetroffen en dat op zolder had gelegen, hebben zij een monster genomen. Na het onderzoek is nog een tactisch onderzoeker aan het onderzoeksteam toegevoegd, te weten de heer [D] (‘ [D] ’). [D] is niet werkzaam bij I-TEK.

2.13.

Op 24 januari 2017 hebben [A] en [D] aanvullend onderzoek verricht. Tevens hebben zij verklaringen opgenomen van [eiser] en zijn buurman, de heer [de buurman] (‘ [de buurman] ’). [de buurman] heeft daarbij als volgt verklaard, voor zover hier relevant:

“ Zonder vooraankondiging ben ik met de auto naar [eiser] zijn woning gereden en was daar rond 16.00 – 16.05 uur. (…). Toen ik was uitgestapt wilde ik naar binnen gaan via de voordeur. (…). Toen zag ik [eiser] vanuit de richting van de kapschuur komen lopen. Wij zijn op elkaar toegelopen. Ik heb op dat moment niets bijzonders aan het gedrag van [eiser] gemerkt. (…). Vanuit de kleine woonkamer heb je zicht op dit deel van het erf, tussen de woning en de weg. Kennelijk had [de echtgenote van eiser] – de vrouw van [eiser] – ons zien staan, want zij kwam op dat moment naar buiten via de voordeur. Na de begroeting vertelde ik haar dat ik even naar de motor van hun Opel zou bekijken en dat [eiser] de sleutels uit de berging haalde. Ook aan het gedrag van [de echtgenote van eiser] heb ik op dat moment niets bijzonders gemerkt. Gelijk daarop zei [de echtgenote van eiser] dat zij geknetter hoorde. Ik hoorde echter nog niets. Aansluitend aan haar opmerking over het geknetter keek zij omhoog naar het schuine pannendak van de woning. Ik volgde haar blik en zag – vrijwel gelijktijdig met [de echtgenote van eiser] – dat er rookslierten vanonder de pannen boven in de nok van het dak kwamen. Ik had gelijk in de gaten dat er brand op zolder was, maar ik stond perplex daar het voor mijn gevoel niet waar kon zijn, gezien het feit dat deze familie al twee keer eerder brand heeft gehad. Ook [de echtgenote van eiser] stond perplex. Ik zei dat er brand was en dat de brandweer gebeld moest worden. [de echtgenote van eiser] ging gelijk naar binnen maar kwam kort daarop weer naar buiten met de mededeling dat de vaste telefoonlijn dood was. (…). Daarna [rechtbank: ben ik] samen met [eiser] door de kamer, de hal, via de trap naar de overloop op de eerste verdieping gelopen. Daar aangekomen trok [eiser] de vlizotrap naar beneden. (…). Ik ben via de vlizotrap met de brandblusser in de hand naar de zolder gegaan. Toen ik boven kwam zag ik rechts van het trapgat op de voorste zolder pikzwarte zeer dichte rook. Ik heb geen vlammen kunnen zien. Ik heb dan ook niet geblust daar ik niet wist waar de brandhaard zich bevond. (…).

De brandweer heeft de brandhaard snel kunnen lokaliseren en blussen. Hierdoor is de brand beperkt gebleven tot de voorste zolder. De restanten die op de plaats van de brandhaard door de brandweer zijn aangetroffen zijn door hen naar buiten gebracht en liggen onder het zeildoek naast de woning.

Ik ben naderhand nog op de zolder geweest. Het is mij een raadsel hoe deze brand is ontstaan. Zowel [eiser] als zijn vrouw [de echtgenote van eiser] waren geheel van slag en gedesoriënteerd. We hebben geluk gehad dat de brand zo snel door [de echtgenote van eiser] werd ontdekt en wij niet binnen zaten te koffiedrinken. (…).”

2.14.

Op 24 januari 2017 heeft [A] [eiser] geïnformeerd over zijn bevindingen tot dat moment. [A] heeft daarbij gezegd dat: “de brand alleen kon zijn ontstaan als gevolg van het bijbrengen en achterlaten van open vuur, daar het ontbrak aan sporen en/of aanwijzingen die in relatie konden worden gebracht tot een (elektro)technische, natuurkundige, chemische of biologische oorzaak voor het ontstaan van de brand.

2.15.

Op 25 januari 2017 is het onder 2.12 bedoelde monster voor onderzoek opgestuurd naar het laboratorium van Oleotest N.V. (hierna: ‘Oleotest’). [A] heeft op deze dag zijn bevindingen zoals weergegeven onder 2.14, voorts gedeeld met [B] .

2.16.

Op 27 januari 2017 heeft de heer [E] (‘ [E] ’), werkzaam bij Aegon als schade-expert, de woning van [eiser] bezocht. [B] was daarbij aanwezig. [E] heeft tijdens dat bezoek de schade voorlopig geschat op een bedrag van EUR 15.000,00.

2.17.

In een e-mailbericht van 31 januari 2017 schrijft [B] aan Aegon dat [eiser]

de heer [F ] van ‘ [X] ’ (‘ [F ] ’) heeft benaderd met het verzoek een contra-expertise uit te voeren, bestaande uit (i) het onderzoeken van de oorzaak en omstandigheden waaronder de brand heeft plaatsgevonden en (ii) een beoordeling van de bevindingen van I-TEK.

2.18.

In een op 1 februari 2017 gedateerd “beproevingsverslag” beschrijft Oleotest aan I-TEK de resultaten van haar onderzoek. Het verzoek aan Oleotest behelsde: “Monster(s) te onderzoeken op de aanwezigheid van ontvlambare vloeistoffen. Daarnaast bepalen of het aannemelijk is dat er, gelet op de samenstelling van het matras, broei kan zijn ontstaan of het brandmonster producten bevat die kunnen wijzen op broei als oorzaak voor het ontstaan van de brand.” Ten aanzien van het eerste verzoek schrijft Oleotest: “Aanwezigheid van: (…) Residuen van ondermeer - Aceton en - n-Propylacetaat. Genoemde producten komen samen voor in thinners, verdunners, nagellakverwijderaar, vlekkenverwijderaar, enz.” Over de mogelijkheid tot het ontstaan van broei / zelfontbranding schrijft Oleotest: “Schuimrubber op basis van polyurethaan (PUR) kan tot enkele uren na de productie eventueel aanleiding geven tot zelfontbranding. (…). De neiging tot zelfontbranding (broei) verdwijnt echter volledig na enkele uren. Het kan worden uitgesloten dat matrassen die reeds geruime uit productie zijn tot zelfontbranding zouden komen.”

2.19.

Op 9 februari 2017 vindt er overleg plaats tussen [A] en [F ] . Zij delen en bespreken elkaars bevindingen. [F ] laat [A] weten dat de brand mogelijk kan zijn ontstaan door een chemische reactie in de batterijen van aangetroffen speelgoedtreintje/radiografisch bestuurbare auto’s. I-TEK zou daarnaar nader onderzoek doen.

2.20.

I-TEK heeft het op 15 februari 2017 gedateerde rapport met bevindingen aan Aegon gestuurd. Daarin schrijft zij, voor zover hier relevant:

3.3 Brandbeeld zolder

Aan de hand van het aangetroffen brandbeeld en de mate en wijze van aantasting aan de constructief samenstellende delen van de zolder en het zadeldak is vastgesteld, dat de brand ontstond in de ruimte aan de rechterzijde van de zolder, gezien vanaf de plaats waar de zolder kon worden betreden middels de vlizotrap.

(…).

Nagenoeg direct onder de locatie van de aantasting van de voornoemde gordingen, sporenbalken, panlatten en asbesthoudende platen, was sprake van aantasting door vuur van de houten vloerplanken. Deze houten vloerplanken waren op meerdere locaties aan de bovenzijde aangetast door vuur. De onderzijde van deze houten vloerplanken was niet of nauwelijks aangetast door vuur.

Opgemerkt wordt dat delen, van onder andere kunststof, aan de onderzijde van de houten vloerplanken terecht waren gekomen. Dienaangaande wordt opgemerkt dat, zoals reeds omschreven, de houten vloerplanken los lagen op de houten gordingen van de verdiepingsvloer. Als gevolg van het los liggen bevonden zich tussen deze houten vloerplanken spleten en/of kieren. Kunststof voorwerpen zijn als gevolg van de brand gesmolten en weggevloeid op de houten vloerplanken. Gesmolten kunststof is daarbij, via de spleten/kieren, terechtgekomen in de ruimte onder houten vloerplanken en boven het plafond van de daaronder gesitueerde ruimte.

Aan de hand van de mate en wijze van aantasting van de constructief samenstellende delen van de zolder en het zadeldak van de zolder is vastgesteld, dat de brand zijn oorsprong had gevonden aan de bovenzijde van de houten vloerplanken van de zolder, als gevolg waarvan de houten gordingen, sporen balken, panlatten en asbesthoudende platen op die locatie zijn aangetast door vuur. Het vuur moet zich daarbij hebben gevoed aan inboedelzaken die zich op die vloerplanken en op die zolder hadden bevonden.

3.4

Brandbeeld goederen

Zoals reeds vermeld waren grote delen van inboedelzaken, die ten tijde van de brand op de zolder aanwezig waren, door de brandweer aan de buitenzijde van de woning neergelegd. Vastgesteld is dat een groot deel van deze inboedelzaken slechts in beperkte mate waren aangetast door vuur en/of rook en roet. De bewuste zaken betroffen onder andere drie matrassen, meerdere zitkussens en divers speelgoed en opslag van allerlei inboedelzaken.

Met name de matrassen en de kussens waren ernstig aangetast door vuur. Alle drie de matrassen waren aan één zijde aangetast door vuur, een gedeelte van al die drie matrassen was volledig weggebrand. Daarnaast was één van de kussens gedeeltelijk aangetast door vuur en gedeeltelijk weggebrand. De zwaarste mate van aantasting is aangetroffen aan één van de drie matrassen, namelijk aan een tweepersoonsmatras, waarvan de vulling bestond uit schuimrubber.

Naast de mate en wijze van aantasting van de matrassen en kussens zijn ook restanten van (kunststof) speelgoed aangetroffen die waren aangetast door vuur. Enkele artikelen van dit (kunststof) speelgoed waren voorzien geweest van batterijen. Gelet op de mate en wijze van aantasting van dit (kunststof) speelgoed ten opzichte van de mate en wijze van aantasting van de matrassen, kon een brand die was ingeleid als gevolg van dit speelgoed, worden uitgesloten.

Gelet op bovenstaande kon worden vastgesteld dat de brand op de zolder zijn oorsprong vond op of in de directe nabijheid van de matrassen. Gelet op het algehele aangetroffen brandbeeld op de zolder van de woning, hebben de matrassen gelegen op/rondom de locatie alwaar de zwaarste mate van aantasting op de bewuste zolder is aangetroffen, zoals omschreven in paragraaf 3.3 van dit hoofdstuk.

3.5

Brandoorzaak

(…)

(Elektro)technische oorzaak:

Onderzoek op de zolder van de woning leerde dat op de locatie voor het ontstaan van de brand geen spanningvoerende en/of stroomverbruikende apparaten aanwezig waren. Opgemerkt wordt dat er al dan niet door vuur aangetaste restanten van (kunststof) speelgoed zijn aangetroffen die waren voorzien van batterijen. Zoals reeds vermeld is aan de hand van de mate en wijze van aantasting aan dit speelgoed vastgesteld dat de brand hierin niet zijn oorsprong vond en dat restanten van speelgoed waren aangetast door vuur als gevolg van een al reeds woedende brand.

(…).

Onderzoek licht ontvlambare (vloei)stoffen:

Met behulp van de (…) gasdetector is een onderzoek verricht naar de mogelijke aanwezigheid van residuen van licht ontvlambare (vloei)stoffen. Dit onderzoek vond plaats aan de schuimrubberen vullingen van een tweetal matrassen die boven op elkaar lagen. Hierbij zijn direct naast de inbrandingen in die matrassen en vanuit de vullingen van, met name, het onderop liggende matras meerdere indicaties van circa 15 tot 20 ppm verkregen, die duidden op de mogelijke aanwezigheid van sporen en/of residuen van licht ontvlambare (vloei)stoffen.

Naar aanleiding van de verkregen indicaties is uit de vulling van het onderop liggende matras een brandmonster getrokken en veiliggesteld.

(…).

5.2

Batterijen

Gelet op de uitkomsten van het technisch onderzoek van de heer [F ] , namelijk dat de onderhavige brand was ontstaan als gevolg van een chemische reactie in één of meerderde D cell batterijen, is onderzoek verricht op het internet, waarbij diverse technische rapporten van studies zijn geraadpleegd.

Op het internet is geen informatie verkregen waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de onderhavige brand zou zijn ontstaan als gevolg van een chemische reactie in dergelijke D cell batterijen.

In het verlengde van het bovengenoemde onderzoek op het internet is gesproken met meerdere gerenommeerde en ervaren technisch (brand)-onderzoekers en een elektrotechnisch deskundige. Geen van hen was bekend met het fenomeen dat een chemische reactie in dergelijke D cell batterijen brand zou kunnen veroorzaken.

Los van bovenstaande leerde een bestudering van deze foto’s hetgeen reeds eerder is gesteld, namelijk dat de mate en wijze van aantasting van het kunststof van dit treintje wijst op een brand die niet hierin zijn oorsprong vond. Immers, het direct daarnaast gelegen speelgoed in casu, een trein-railtje en een belletje dat kennelijk bij het treintje zelf behoorde, zijn niet of nagenoeg niet aangetast door vuur. Daarbij ligt het in de lijn der verwachting dat indien de brand zou zijn ontstaan door een chemische reactie in één van die batterijen, zich hierover geen versmolten en door vuur aangetast kunststof bevindt. Een en ander nog los van de mate van verbranding van de matrassen en de hoeveelheid materiaal van die matrassen die volledig is weggebrand.

(…).”

2.21.

Bij brief van 20 februari 2017 bevestigt Aegon aan [eiser] dat de door hem geclaimde schade niet door haar zal worden vergoed. Ter onderbouwing van dit standpunt schrijft zij, voor zover hier relevant:

Samenvatting resultaten onderzoek

Samengevat is aan de hand van het onderzoek het navolgende vastgesteld:

De brand op de zolder van de woning is ontstaan op of in de directe nabijheid van matrassen die op de zolder lagen;

Een natuurkundige-, chemische-, biologische- en (elektro)technische oorzaak voor het ontstaan van de brand is uitgesloten;

In één van de matrassen zijn de residuen van een licht ontvlambare vloeistof aangetroffen, namelijk producten die samen voorkomen in thinners, verdunners, nagellakverwijderaar, vlekkenverwijderaar, enz.;

De brand op zolder is ontdekt in het bijzijn van uw buurman, de heer [de buurman] , terwijl die onaangekondigd bij u en uw echtgenote op bezoek kwam;

Voorafgaand aan de ontdekking van de brand waren u en uw echtgenote als enigen aanwezig bij en/of in de woning;

De bewuste matrassen die op zolder lagen, waarop of in de directe nabijheid de brand ontstond, waren aldaar ruim 20 jaar aanwezig;

Volgens u en uw echtgenote waren op de zolder geen licht ontvlambare (vloei)stoffen aanwezig;

Uw zoon is vóór oud en nieuw als laatste van het gezin op de zolder geweest om een kerstboompje en een lang snoer op de zolder neer te leggen en het gevelraampje aan de achterzijde van de zolder te sluiten.

Conclusie

Op grond van de hierboven omschreven bevindingen en uit het plaatsgevonden onderzoek wordt de volgende conclusie getrokken.

De brand op de zolder is ontstaan als gevolg van het opzettelijk bijbrengen en achterlaten van open vuur, waarbij gebruik is gemaakt van een licht ontvlambare vloeistof als brandversnellend middel. Aangezien u en uw echtgenote als enigen aanwezig waren bij en/of in de woning voorafgaand aan de ontdekking van de brand in de woning, kan het niet anders zijn dat u en/of uw echtgenote negatief betrokken zijn bij het ontstaan van deze brand. Dit is dan ook de reden dat wij de door u geclaimde schade afwijzen.”

2.22.

Voorts laat Aegon in voornoemde brief aan [eiser] weten dat alle verzekeringen met onmiddellijke ingang zullen worden beëindigd en dat zijn persoonsgegevens zullen worden opgenomen in het (interne) Incidentenregister Veiligheidszaken en het Externe Verwijzingsregister (‘EVR’) alsmede dat het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (‘CBV’) van het Verbond van Verzekeraars van de gebeurtenissen op de hoogte is gebracht.

2.23.

Op 20 maart 2017 heeft [F ] monsters afgenomen van het matras waarvan [A] en [C] eerder een monster hadden afgenomen. [F ] heeft deze monsters bewerkt, in die zin dat twee monsters deels werden verbrand, één monster werd besprenkeld met thinner en één monster werd blanco gehouden. [F ] heeft de monsters ook aan Oleotest gestuurd met als onderzoeksvraag: “Welke ontvlambare vloeistoffen kunnen middels gaschromatografie (GC) in het brandmonster worden aangetoond?

2.24.

In zijn op 29 mei 2017 gedateerd rapport schrijft [F ] het volgende, voor zover hier relevant:

11 Vaststellen plaats van ontstaan van de brand

(…).

Inbrandingen in de eiken vloerdelen op de zolder bevonden zich op een afstand van ongeveer 4 meter van de opgang van de vlizotrap. De grootste en laagste mate van verbranding bevond zich ter hoogte van de plaats waar kennelijk een plastic zak met speelgoed, zoals een spoorbaan en een treintje, opgeslagen lagen. De mate van inbranding in de vloerdelen wordt in belangrijke mate bepaald door de wijze waarop materalen kunnen verbranden en zijn gepositioneerd voor het ontstaan van de brand. De exacte positie van de plastic zak met speelgoed kan niet anders worden bepaald dan dat deze op een gegeven moment in contact met het vloerhout is gekomen. Bij het verbranden van de plastic zak zal de positie van het speelgoed kunnen verplaatsen dan wel van positie veranderen. De matrassen hebben een aanzienlijk hoger brandvermogen dan het speelgoed in de plastic zak, hetgeen betekent dat deze sneller en met een hogere mate van warmteafgifte zullen verbranden. Gelet op de stapeling van de matrassen zullen deze voor een toename van warmteafgifte hebben gezorgd, waardoor de asbestplaten door een toenemende mate van warmte dan wel door direct vlamcontact zijn gesprongen, hetgeen door [de echtgenote van eiser] in eerste aanleg werd opgemerkt. De brand werd omstreeks 16.13 uur ontdekt en omstreeks 16.20 uur was de brandweer ter plaatse om vervolgens de brand te blussen. De mate van branduitbreiding komt overeen met mate waarin de korte zijde van de matrassen is verbrand. De mate van inbranding in de vloerdelen zal hoogstwaarschijnlijk meer tijd vergen.

Op basis van vorenstaande is het zeer waarschijnlijk dat het ontstaansgebied is gesitueerd ter hoogte van de plastic zak met speelgoed.

12 Analyse oorzaak

(…).

Uit het onderzoek zijn geen aanwijzingen verkregen dat de schade het gevolg is van het ‘opzettelijk’ bijbrengen en/of achterlaten van vuur. (…). Het brandverloop in samenhang met het bijbrengen van een ontvlambare vloeistof, zoals gesuggereerd thinner, geeft een dermate snelle branduitbreiding die in zeer korte tijd zal hebben geleid tot het hoorbaar vernield raken van het met asbestplaten afgewerkt dakbeschot. Indien daar al sprake van zou zijn geweest, zou een dermate snelle branduitbreiding en hitte-inwerking op het dakbeschot plaatsvinden zodat het niet aannemelijk is dat in het geval van bijvoorbeeld brandstichting door [de echtgenote van eiser] , zij op een rustige manier van de zolder zou komen, de vlizotrap af te sluiten, de huishoudtrap in te klappen en deze vervolgens mee naar beneden te nemen en op te bergen in de bijkeuken om vervolgens zonder enige inspanningsverschijnselen en enige emotie rustig buiten de buurman aan te spreken.

Buiten de aanwezige batterijen en de daarmee verbonden elektrische bedrading en componenten werd geen verklaarbare oorzaak voor het ontstaan van de brand aangetroffen.

Op basis van de verkregen informatie en analyse van de aangetroffen brandsporen is het zeer aannemelijk dat de oorzaak voor het ontstaan van de brand is gelegen in het ontstaan van een (elektro)technisch / chemische onvolkomenheid in relatie tot de aanwezige ernstig aangetaste twee D-cell batterijen. (…).

(…).

14.8

Conclusie brandmonsteranalyse

Op basis van de onderlinge vergelijking wordt vastgesteld dat het brandmonster veliggesteld door Itek niet anders kan worden geïnterpreteerd als een op thinner gelijkend product. De analyse betreft een samenspel van pyrolyseproducten dat is vrijgekomen na verbanding van de matras. Bij de meting door Itek op de matras werd een verhoging variërend tussen 12 en 15 ppm gemeten. Een soortgelijke geringe meting werd eveneens bij de meting na verbranding van de referentie-proefstukken gemeten die niet waren besprenkeld met thinner. Het met thinner besprenkelde proefstuk gaf na verbranding een waarde van 5000 PPM. Tevens werd aan het brandmonster genomen door Itek, slechts een overheersende brandgeur geroken, terwijl aan het brandmonster 2 dat was besprenkeld met thinner een overheersende thinnergeur werd waargenomen.

(…)

16 Samenvatting

(…).

In het belang van de heer [eiser] werd met de onderzoekers van Itek contact opgenomen en werden onderzoeksresultaten uitgewisseld. Tijdens deze informatie-uitwisseling werd duidelijk dat bepaalde zaken niet waren onderzocht dan wel op voorhand als oorzaak waren uitgesloten. (…). Op basis van de bevindingen van het door ondergetekende ingestelde onderzoek worden de volgende zaken vastgesteld:

Binnen het ontstaansgebied bevinden zich twee batterijen in een speelgoedtreintje die door brand ernstig zijn beschadigd.

De batterijen in het verbrande speelgoed tonen inwendig in vergelijking met ongeveer even oude batterijen die onder gelijke klimatologische omstandigheden op de zolder hebben gelegen, aan dat deze zijn aangetast.

In eveneens langdurig op zolder opgeborgen batterijen nog stroom werd gemeten.

De restanten van het verbrande speelgoed centraal ter hoogte van de grootste mate van inbranding van de vloerdelen hebben gelegen ten tijde van de brand.

(…).

Door Itek niet wordt gesproken over de aantasting van de aangetroffen batterijen in het verbrandde speelgoed.

Door Itek geen onderzoek werd gedaan naar de aanwezigheid van reststroom in batterijen.

(…).

Incidenten bij de batterij zijn gemeld tijdens het gebruik, tijdens opslag en tijdens het opladen van de batterijen

Anders dan door Itek wordt gesteld er wel degelijk onderzoek is gedaan naar D-cell batterijen zoals vermeld in het boek Battery Hazards and Accident Prevention.

(…).

Op basis van de bestudeerde informatie moet worden vastgesteld dat op verschillende manieren als gevolg van een (elektro)technische / chemische onvolkomenheid warmte kan ontstaan in en rond een batterij en als ontstekingsbron een brand kan initiëren.

Door Itek geen referentie-brandmonster werd veiliggesteld.

Onduidelijk is wanneer het door Itek op de schadelocatie veiliggestelde brandmonster met een anti-fraude zegel is verzegeld.

Aan het laboratorium Oleotest uitsluitend werd verzocht het brandmonster op de aanwezigheid van ontvlambare vloeistoffen te onderzoeken zonder te vragen of betreffende stoffen ook producteigen stoffen kunnen zijn.

Door Itek aan Oleotest niet wordt nagevraagd of vaste stof producten na verbranding ook mogelijke residuen in de samenstelling van Aceton en n-Propylacetaat kunnen vrijgeven.

(…).

17 Conclusie

Gelet op de resultaten van het technisch onderzoek en de ingewonnen informatie wordt gesteld dat het ontstaansgebied van deze brand is gelegen ter hoogte van het op de zolder opgeslagen speelgoed voorzien van twee D-cell batterijen. Er geen aanwijzingen zijn verkregen dat deze brand het gevolg is van het ‘opzettelijk’ bijbrengen en of achterlaten van vuur. De verkregen informatie uit research en analyse van de aangetroffen brandsporen maken het waarschijnlijk dat de oorzaak voor het ontstaan van de brand is gelegen in het ontstaan van een (elektro)technisch / chemische onvolkomenheid in relatie tot de aanwezige ernstige aangetaste twee D-cell batterijen.

2.25.

Na ontvangst van het rapport van [F ] verzoekt I-TEK de heer ir. [G] werkzaam bij ‘ [Y] ’ (‘ [G] ’) zijn visie op dat rapport te geven.

2.26.

Op 7 juli 2017 laat [G] I-TEK weten dat hij de conclusie van [F ] verwerpt dat batterijen een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan van de brand, omdat:

(…). [F ] in zijn onderzoek studies heeft aangehaald die in veel gevallen en soms volledig betrekking hadden op andere typen batterijen dan waarop zijn onderzoek feitelijk was gericht”, “[F ] er beter aan had gedaan zich te beperken tot publicatie en studies welke uitsluitend betrekking hebben op primaire batterijen”, “(…). In zijn overwegingen onder hoofdstuk 13 en de daaruit voortvloeiende gevolgtrekkingen laat hij meermaals de voorgeschreven terugkoppeling naar en toetsing aan de feiten achterwege”, “Toetsing van de omstandigheden waaronder 1,5 V-batterijen aanleiding kunnen zijn van het ontstaan van een brand, aan de omstandigheden, zoals deze heersten in de periode tot aan het ontstaan van de brand, leidt tot verwerping van de hypothese dat bedoelde batterijen daarbij een rol hebben gespeeld. Naar mijn oordeel is onderzoeker [F ] dan ook niet geslaagd in zijn bewijsvoering dienaangaande.

2.27.

In een op 21 december 2017 gedateerd ‘Technisch Advies’ reageert Oleotest op het op 28 juni 2017 ontvangen verzoek van [A] om zich te buigen over het door [F ] gestelde in hoofdstuk 14 van zijn rapport (2.24) en op de door [F ] gestuurde proefmonsters (2.23). Zij schrijft, voor zover hier relevant:

De opmerking m.b.t. het niet aanbieden van een referentiemonster is terecht. Niettegenstaande is het polyether matrasvullingsmateriaal ons uit ervaring welbekend en weten wij welke mogelijkheden pyrolseproducten kunnen worden gevormd.”

Voorts schrijft zij dat “Oleotest enkel maar een interpretatie doet naar de aan- of afwezigheid van residuen van ontvlambare vloeistoffen en de identificatie ervan. Nooit wordt door Oleotest een verband gelegd met de toedracht van de zaak.” (…)

Oleotest concludeert dat de eerder door haar ingenomen conclusie voor monster 4 correct is. Daarbij merkt zij op: “Polyether matrasvulling kan door pyrolyse inderdaad aanleiding geven tot de vorming van Aceton. Dit werd trouwens duidelijk aangetoond bij de analyse van het proefmonster 1 van de heer [F ] waarbij Aceton werd aangetoond. N-Propylacetaat staat echter niet bekend als pyrolyseproduct van polyether. Dit product wordt dan ook niet aangetoond in de proefmonsters bezorgd door de heer [F ] maar was duidelijk wel aanwezig in het monster aangeboden door de heer [A] . (…). Op basis van de combinatie van Aceton en n-Propylacetaat werd aanvankelijk besloten tot de aanwezigheid van resten van een thinner. Thans wordt door de bijkomende aanwezigheid van n-Propanol en Ethylacetaat dit besluit nog versterkt.

2.28.

In een op 2 februari 2018 gedateerd rapport reageert [F ] (wiens kantoor inmiddels is genaamd ‘OBEG Brandonderzoek’, hierna: ‘OBEG’) op het rapport van Oleotest en dat van [G] .

[F ] herziet in de conclusie zijn standpunt niet ten aanzien van het ontstaansgebied van de brand ter hoogte van het opgeslagen speelgoed voorzien van twee D-cellbatterijen. Hij schrijft: “Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat deze brand het gevolg is van het ‘opzettelijk’ bijbrengen en of achterlaten van vuur. De geanalyseerde brandmonsters zijn kennelijk onjuist geïnterpreteerd op basis van een onvolledig en verstoord profiel. De verkregen informatie uit research en analyse van de aangetroffen brandsporen maken het waarschijnlijk dat de oorzaak voor het ontstaan van de brand is gelegen in het ontstaan van een (elektro)technisch / chemische onvolkomenheid in relatie tot de twee aanwezige ernstig aangetaste D-cell batterijen.”

2.29.

Op 22 juni 2018 volgt een reactie van [G] op laatstgenoemd bericht van [F ] . Volgens [G] geeft geen van de door [F ] aangevoerde argumenten aanleiding de eerdere zienswijzen van Oleotest of hemzelf te herzien of aan te passen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren dat Aegon overeenkomstig de verzekeringsovereenkomst onder polis [nummer] dekking moet verlenen voor de brandschade;

II. Aegon te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het vonnis alle personalia van [eiser] te verwijderen uit het Incidentenregister Veiligheidszaken, het EVR en het CBV, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 per dag;

III. Aegon te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten van EUR 4.715,86 exclusief btw binnen tien dagen na betekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

IV. Aegon te veroordelen tot betaling van de kosten van de onderzoeken van [F ] / OBEG van EUR 17.075,10 in totaal, binnen tien dagen na betekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

V. Aegon te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten advocaat van EUR 131,00 zonder betekening dan wel EUR 199,00 ingeval van betekening, met bepaling dat over de totale kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de vijfde dag na het te wijzen vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de brand van 19 januari 2017 een gebeurtenis is die gedekt is onder de polis en dat Aegon daarom gehouden is tot uitkering van de door [eiser] geclaimde schade. Hij heeft aan zijn schademeldings- en informatieplicht zoals bedoeld in artikel 7:941 lid 1 en 2 Burgerlijk Wetboek (‘BW’) voldaan. Het door Aegon aangevoerde bewijs kan haar stelling dat sprake is van brandstichting door [eiser] en/of zijn echtgenote niet dragen. Dekking van de schade is dan ook ten onrechte door Aegon afgewezen; daarmee schiet zij tekort in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de verzekeringsovereenkomst. Dit leidt er tevens toe dat de inschrijving van de persoonsgegevens van [eiser] in voornoemde registers (2.22), niet kan worden gerechtvaardigd.

3.3.

Aegon voert verweer. Volgens Aegon heeft [eiser] niet bewezen althans niet aannemelijk gemaakt dat de oorzaak van de brand is gelegen in een onvoorziene van buiten komende oorzaak, terwijl Aegon (tegen)bewijs heeft geleverd met overlegging van de deskundigenrapporten van I-TEK, Oleotest en [G] . Subsidiair stelt Aegon zich op het standpunt dat de schade een gevolg is van opzet / roekeloosheid althans dat [eiser] een op hem rustende mededelingsplicht niet is nagekomen met het opzet Aegon te misleiden, althans dat de schade een gevolg is van bewuste of ernstige mate van eigen schuld van [eiser] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Aegon vordert, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser] tot betaling van EUR 11.516,18 aan gemaakte onderzoekskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.6.

Aegon legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser] gezien zijn betrokkenheid bij de brand toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de verzekeringsovereenkomst althans dat hij onrechtmatig jegens Aegon heeft gehandeld. Daarmee is [eiser] aansprakelijk voor de door Aegon geleden schade, bestaande uit de onderzoekskosten van I-TEK, Oleotest en [G] .

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

Voorop staat dat Aegon op grond van artikel 2.1 van de polisvoorwaarden Woonhuis in beginsel gehouden is de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van de brand aan zijn woning en inboedel heeft geleden. Brand is immers, anders dan Aegon betoogt, te beschouwen als een gebeurtenis die “van buiten komend, onverwacht en onvoorzien” is. Dit wordt anders als de brand “door bewuste of ernstige mate van eigen schuld” van [eiser] is ontstaan (artikel 2.9 polisvoorwaarden Woonhuis). In die situatie behoeft Aegon geen dekking te verlenen.

Aegon heeft gesteld dat [eiser] de brand heeft gesticht, dat er daarom sprake is van ernstige mate van eigen schuld en dat zij mitsdien niet is gehouden tot uitkering van de verzekeringspenningen. Nu Aegon het rechtsgevolg van deze stelling inroept, is het aan haar deze stelling met feiten te onderbouwen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen. Op Aegon rust dan het risico als onbewezen blijft dat de brand op 19 januari 2017 door eigen schuld van [eiser] is ontstaan.

4.2.

Om de oorzaak van de brand te kunnen achterhalen, heeft Aegon deskundigenrapportages laten opmaken door I-TEK, Oleotest en [G] . Daaruit blijkt volgens Aegon, verkort weergegeven, het volgende:

  • -

    de brand is ontstaan op of in de directe nabijheid van matrassen;

  • -

    in één van de matrassen zijn residuen van een licht ontvlambare vloeistof (thinner) als brandversnellend middel aangetroffen;

  • -

    deze licht ontvlambare vloeistof is door een persoon korte tijd voor het ontstaan van de brand aangebracht; het is onmogelijk dat deze vloeistof langere tijd geleden is aangebracht;

  • -

    voorafgaand aan de ontdekking van de brand waren [eiser] en zijn echtgenote als enigen aanwezig bij en/of in de woning;

  • -

    een natuurkundige-, chemische-, biologische- en (elektro)technische oorzaak voor het ontstaan van de brand is uitgesloten.

[eiser] heeft een contra-expertise door deskundige [F ] laten uitvoeren waarin de uitkomsten van de rapporten van Aegon gemotiveerd zijn betwist. De conclusie van [F ] is, kort samengevat, dat de brand niet kan zijn veroorzaakt door uitgegoten thinner op een matras, maar dat het ontstaansgebied van de brand is gelegen ter hoogte van het op zolder opgeslagen speelgoed voorzien van twee ernstig aangetaste D-cell batterijen. Hij wijst er ten slotte op dat een motief voor brandstichting ontbreekt.

Om de rapportages op hun merites te kunnen beoordelen, zal de rechtbank eerst de feitelijke situatie op zolder schetsen zoals die tussen partijen vast is komen te staan, om vervolgens te boordelen op basis van de inhoud van de rapporten of sprake is geweest van brandstichting.

Beschrijving zolder

4.3.

Op zolder lagen drie min of meer op elkaar gestapelde matrassen: één tweepersoonsmatras en twee eenpersoonsmatrassen. Deze waren alle aan de korte zijde aangetast door vuur. De zwaarste mate van aantasting is aangetroffen aan het tweepersoonsmatras, waarvan de vulling bestond uit schuimrubber. Uit de vulling van, zoals uit het rapport van [F ] blijkt, dit matras heeft I-TEK een monster genomen. Ook restanten van kunststof speelgoed waren aangetast door vuur, waarvan enkele artikelen voorzien waren geweest van batterijen. De brandweer had de spullen van zolder – onder meer de matrassen en het speelgoed – naar buiten gebracht en aldaar onder een zeildoek gelegd.

De zolder bestond in feite uit drie delen: een linker-, midden- en rechterdeel; een betonnen steunmuurtje met daarin een lage (deur)opening stond links en rechts van het trapgat en verdeelde als het ware de zolder. De matrassen lagen in het rechterdeel links tegen het muurtje aan, ongeveer vier meter van de opgang van de vlizotrap vandaan. Vanuit het trapgat kon iemand niet, zonder enkele stappen bij de matrassen komen om er thinner over te verspreiden. Daartoe moest men in elk geval de zolder opklimmen. Op zolder lagen losliggende vloerplanken die op houten gordingen waren gelegd. Uit een foto in het rapport van [F ] (rapport, p. 10) blijkt dat het dakbeschot zich ongeveer één meter ter hoogte van de inbranding bevond. Op zolder kon worden gekomen door op de eerste verdieping een vlizotrap met behulp van een hendel naar beneden te trekken. Iemand die niet lang was, had daartoe een trapje nodig (dat normaal op de begane grond stond). Op de eerste verdieping bevond zich naast de vlizotrap een brandmelder (en overigens ook een in de woonkamer).

Rapporten

4.4.

Hierna zal op basis van de door Aegon overgelegde deskundigenrapportages achtereenvolgens worden ingegaan op enkele cruciale vragen: kunnen de heer en/of mevrouw [eiser] de brand hebben gesticht? Op welke locatie is de brand precies ontstaan? Wat is de oorzaak van de brand geweest: het matras of kan ook het speelgoed oorzaak zijn geweest? Hoe was het brandverloop?

Betrokkenheid heer en/of mevrouw [eiser]

4.4.1.

In de stukken lijkt Aegon zich op het standpunt te stellen dat [de echtgenote van eiser] degene moet zijn geweest die de brand heeft gesticht. Op de comparitie maakt Aegon duidelijk dat ook de heer [eiser] brandstichter zou kunnen zijn geweest: de zolderruimte was volgens Aegon voor zowel de heer als mevrouw [eiser] “eenvoudig bereikbaar” en “in praktische zin ook zeker mogelijk (…) waarbij minimaal gevaar of risico werd gelopen.” De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit twee door I-TEK afgenomen en in het geding gebrachte verklaringen – van [eiser] en van een buurman – blijkt dat de buurman de dag van de brand geheel onaangekondigd rond 16.00-16.05 uur bij de familie [eiser] langskwam (hierboven 2.13). De 71-jarige [eiser] was niet in huis, maar kwam uit de kapschuur lopen. [eiser] en de buurman zijn vervolgens samen naar de grote schuur gelopen omdat daar een vogeltje zat, hebben de overheaddeur geopend, zijn naar binnen gegaan, en zijn, nadat het vogeltje eruit was gevlogen, weer naar buiten gelopen en hebben daarna de deur gesloten. De buurman verklaart dat ze op het erf even samen hebben staan praten en dat toen de echtgenote van [eiser] (die binnen was) naar buiten is gekomen om hem te begroeten; vrijwel direct nadien bleek dat er brand was omdat plots geknetter hoorbaar was en rookslierten zichtbaar waren. De buurman heeft daarop – om 16.13 uur – 112 gebeld en is samen met de heer [eiser] naar de eerste verdieping gerend, waarbij de heer [eiser] het trapje dat zich beneden bevond, had meegenomen. De brandmelder op de overloop had toen nog geen brandwaarschuwing gegeven. Uit de verklaring van de buurman, die de heer en mevrouw [eiser] met enige regelmaat bezoekt en hen goed kent, kan niet worden opgemaakt dat zij zich op enigerlei wijze ‘betrapt’ hebben gedragen. Hij verklaart: “Zowel [eiser] als zijn vrouw [de echtgenote van eiser] waren geheel van slag en gedesoriënteerd.

Van [de echtgenote van eiser] heeft I-TEK geen verklaring afgenomen. Op de comparitie verklaarde de (naar de rechtbank heeft vastgesteld eveneens bejaarde) echtgenote van [eiser] dat zij al heel lang niet op zolder was geweest vanwege twee kunstheupen; haar zoon doet dat altijd voor haar, die dit ter zitting heeft bevestigd en heeft toegevoegd dat hij er kerst 2016 voor het laatst was geweest om kerstspullen op te bergen. Zij verklaarde dat zij vanwege haar lengte een trapje nodig heeft om de hendel van de vlizotrap omlaag te kunnen trekken. Dat trapje moet zij dan meenemen van de begane grond en boven uitklappen. Zij verklaarde voorts dat zij ten tijde van de brand sowieso niet erg mobiel was vanwege een operatie kort voordien (in december) aan een melanoom op haar been; van haar lies is toen weefsel gehaald om de wond op haar onderbeen te dichten. Ten slotte verklaarde zij dat zij nooit thinner in huis heeft.

Aegon gaat in de rapportage op de toedracht, de tijdslijn voorafgaand en ten tijde van de brand en het (ontbreken van) motief verder niet in. Zij benadrukt vooral dat haar rapportage ‘gelaagd’ is opgebouwd en dat brandstichting door een van hen, na uitsluiting van andere oorzaken, daarom de enige conclusie kan zijn. Voor de rechtbank is echter niet zonder meer komen vast te staan dat de heer of mevrouw [eiser] de brand moet kunnen hebben gesticht tegen de achtergrond van de niet gemakkelijk bereikbare situatie op zolder, de gebrekkige mobiliteit van [de echtgenote van eiser] , het verblijf buiten het woonhuis van de heer [eiser] toen de buurman kwam en de eigen stelling van Aegon dat de thinner korte tijd vóór het ontstaan van de brand moet zijn aangebracht.

Ontstaansgebied brand

4.4.2.

Het rapport van I-TEK (hierboven onder 2.20) omschrijft niet duidelijk waar de brand is ontstaan. In het rapport (onder 3.3) staat hieromtrent het volgende: “Aan de hand van de mate en wijze van aantasting van de constructief samenstellende delen van de zolder en het zadeldak van de zolder is vastgesteld dat de brand zijn oorsprong had gevonden aan de bovenzijde van de houten vloerplanken van de zolder, als gevolg waarvan (…) asbesthoudende platen op die locatie zijn aangetast door vuur. Het vuur moet zich daarbij hebben gevoed aan inboedelzaken die zich op die vloerplanken en op die zolder hadden bevonden.” En voorts (onder 3.4): “Gelet op de mate en wijze van aantasting van dit (kunststof)speelgoed ten opzichte van de mate en wijze van aantasting van de matrassen, kon een brand die was ingeleid als gevolg van speelgoed worden uitgesloten. Gelet op bovenstaande kon worden vastgesteld dat de brand op de zolder zijn oorsprong vond op of in de directe nabijheid van de matrassen.

De conclusie van I-TEK laat dus ruimte waar de exacte locatie is geweest; “in de directe nabijheid van de matrassen” kan betekenen dat het matras niet de brandhaard behoeft te zijn geweest.

Onderzoek matrassen

4.4.3.

Het onderzoek van de matrassen acht de rechtbank niet erg gedegen. Een precieze beschrijving hoe de matrassen vóór de brand ten opzichte van elkaar op zolder waren gepositioneerd, ontbreekt in het rapport van I-TEK. Er zijn geen verklaringen van de brandweer opgenomen noch zijn de heer en/of mevrouw [eiser] daarop bevraagd. [de echtgenote van eiser] verklaarde op de comparitie dat zij niet wist hoe ze lagen omdat ze in jaren niet meer boven is geweest. Ook de zoon verklaarde dat hij niet wist welk matras onder- of bovenop lag.

De situatie die I-TEK buiten aantrof toen zij haar onderzoek aanving, is summier omschreven en roept vragen op, evenals het uit het matras getrokken brandmonster. De matrassen waren volgens Aegon alle drie aan één zijde aangetast door vuur. De zwaarste mate van aantasting had het tweepersoonsmatras (rapport I-TEK, onder 3.4). Met behulp van een gasdetector had I-TEK eerst onderzoek verricht “aan de schuimrubberen vullingen van een tweetal matrassen die boven op elkaar lagen. Hierbij zijn direct naast de inbrandingen in die matrassen en vanuit de vullingen van, met name, het onderop liggende matras meerdere indicaties van circa 15 tot 20 ppm verkregen, die duidden op de mogelijke aanwezigheid van sporen en/of residuen van licht ontvlambare (vloei)stoffen (rapport I-TEK, p. 17). Naar aanleiding van de verkregen indicaties is uit de vulling van het onderop liggende matras een brandmonster getrokken en veiliggesteld.” Naar de rechtbank begrijpt uit hetgeen onder 3.4 van het rapport staat, moet dit het tweepersoonsmatras zijn geweest.

Vragen die rijzen zijn: lagen de matrassen alleen op zolder boven op elkaar of ook tijdens het onderzoek buiten? Indien dat op zolder was: hoe kwam Aegon aan de wetenschap dat het tweepersoonsmatras onderop heeft gelegen? Hoe moet volgens Aegon de toedracht van brandstichting zijn geweest? Is volgens Aegon over beide matrassen – dus zowel over het een- als over het eronder liggende tweepersoonsmatras – thinner verspreid? Aegon zegt daar niets over. Moet worden aangenomen dat de thinner aan de verbrande zijde van de matrassen was aangestoken? Waarom was het tweepersoonsmatras het ergste verbrand als dat juist onderop lag? Ligt het niet meer voor de hand om, als brand ten gevolge van thinner zeer snel om zich heen grijpt, zoals Aegon betoogt, juist een matras aan te steken dat bovenop ligt en is dan het bovenste matras niet het ergste verbrand?

Evenmin blijkt uit de door I-TEK gemaakte beschrijving of foto’s hoe de matrassen door de brandweer buiten waren neergelegd toen I-TEK haar onderzoek aanving. Er zijn twee, overigens tamelijk onduidelijke foto’s in het geding gebracht (foto 9 en 10, op p. 11 van het rapport) met hetzelfde bijschrift: “opname van de aangetroffen inboedelzaken aan de buitenzijde van de woning.”. Op elke foto is een matras met spullen erop te zien; op foto nummer 10 een éénpersoonsmatras. De maat van het matras op de andere foto (9) is niet goed vast te stellen; een beschrijving ontbreekt. Niet duidelijk is dus of van dit matras door I-TEK het monster is afgenomen.

Gesteld dat dit het tweepersoonsmatras is, dan stelt de rechtbank vast dat er ook op dit matras inboedelzaken lagen. Dat zou eventueel contaminatie hebben kunnen veroorzaken, zoals [F ] betoogt. Ook Oleotest schrijft in haar rapport van 21 december 2018 dat kruiscontaminatie een mogelijkheid is: “Men mag niet vergeten dat de hedendaagse analysetechnieken bijzonder gevoelig zijn en de minste aanwezigheid kunnen meten.” Dit alles klemt ook daarom omdat I-TEK slechts één monster van één matras heeft afgenomen en geen blanco referentiemonster terwijl Aegon haar conclusies in verregaande mate heeft gebaseerd op slechts één door haar afgenomen monster.

Brandverloop

4.4.4.

Aegon heeft beperkt inzicht in het brandverloop verstrekt. De vraag is of de mate van inbranding van de vloerdelen past bij het ontstaan van de brand door het aansteken van thinner uitgegoten over een matras. In het rapport van I-TEK staat (onder 3.3) dat aan de hand van de mate en wijze van aantasting van de constructief samenstellende delen van de zolder en het zadeldak van de zolder de brand zijn oorsprong had gevonden aan de bovenzijde van de houten vloerplanken van de zolder.

Het rapport van [F ] (hierboven onder 2.24) is op dit punt veel uitvoeriger (onder 11). Hij betoogt dat de mate van inbranding in de vloerdelen in belangrijke mate worden bepaald door de wijze waarop materialen kunnen verbranden. De grootste mate van verbranding bevond zich ter hoogte van de plaats waar kennelijk een plastic zak met speelgoed, zoals een spoorbaan en een treintje, opgeslagen lag. Matrassen met thinner hebben een aanzienlijk hoger brandvermogen dan het speelgoed, hetgeen betekent dat de mate van inbranding zeer waarschijnlijk meer tijd zal hebben gevergd dan de brand heeft geduurd.

Onduidelijk is hoe de ernstige mate van inbranding aan de bovenzijde van de vloerplanken is te verklaren, gelet op het feit dat I-TEK zelf stelt dat vlam vatten van thinner heel snel zijn uitwerking heeft.

Speelgoed

4.4.5.

Aegon heeft beperkt onderzoek gedaan naar het speelgoed, de precieze positie ervan op zolder en welke rol het speelgoed dat direct naast de matrassen heeft gelegen, bij het ontstaan van de brand heeft gespeeld. I-TEK schrijft in haar rapport (onder 3.4) dat enkele artikelen van dit (kunststof) speelgoed voorzien waren geweest van batterijen, maar concludeert dat brand als gevolg van speelgoed is uitgesloten; batterijen had zij kennelijk niet aangetroffen (onder 3.5: Elektrotechnische oorzaak) en een foto van het verbrande speelgoed ontbreekt. [F ] heeft het aangetroffen speelgoed van meet af aan in zijn onderzoek betrokken en concludeert dat het ontstaansgebied zeer waarschijnlijk is gesitueerd ter hoogte van de plastic zak met speelgoed en dat bij de daarin aanwezige batterijen een verklaarbare oorzaak voor de brand moet worden gezocht.

[F ] had, anders dan I-TEK, wél batterijen aangetroffen en ook, anders dan I-TEK, onderzocht: in de restanten van een plastic zak werden delen van een spoorbaantje en een elektrische trein aangetroffen met daarin twee zwaar aangetaste D-cell batterijen. [F ] heeft op basis van uitvoerig literatuuronderzoek beschreven dat batterijen onderhevig aan lekkage een potentieel gevaar voor oververhitting zijn en dat op basis van de onderzoeksbevindingen niet kan worden uitgesloten dat de batterijen geen potentiële ontstekingsbron kunnen zijn.

Pas in reactie op de bevindingen van [F ] gaat I-TEK onder 5.2 van het rapport in op het technisch onderzoek van [F ] naar de batterijen. Aegon verzoekt vervolgens deskundige [G] zijn visie op het rapport te geven. Deze verwerpt de conclusie van [F ] dat batterijen een rol kunnen hebben gespeeld (hierboven 2.26), waarna [F ] op zijn beurt de beschouwingen van [G] gemotiveerd betwist (hierboven 2.29).

Conclusie

4.5.

In het licht van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat de rapporten van Aegon geen plausibele verklaring geven voor de gestelde oorzaak van de brand; relevante vragen zijn onbeantwoord gebleven. Aegon heeft niet kunnen volstaan met haar stelling dat sprake is van brandstichting, gebaseerd op het feit dat (slechts) in één monster van een matras sporen van een licht ontvlambare stof zijn gevonden en dat [eiser] en zijn echtgenote ten tijde van de brand alleen thuis waren. Deze feiten brengen nog geen negatieve betrokkenheid van [eiser] of zijn echtgenote mee (zoals de rechtbank hiervoor onder 4.4.1 heeft overwogen) en sluiten andere mogelijke oorzaken niet uit. Juist in die situatie had het op de weg van Aegon gelegen, die immers stelplicht heeft, motief, toedracht van de brandstichting en mogelijke andere scenario’s over de oorzaak van de brand grondig te onderzoeken.

4.6.

De rechtbank ziet geen aanleiding een nieuw deskundigenbericht te gelasten. Het door Aegon verrichtte onderzoek voldoet niet aan de gestelde eisen; Aegon stelt zichzelf daarentegen op het standpunt dat “alle onderzoeken op zorgvuldige en grondige wijze zijn verricht door personen die deskundig zijn en kundig zijn op het vakgebied waarin hen is gevraagd onderzoek te verrichten”. Aegon stelt voorts dat daarin de opmerkingen of de kritiek van de deskundige [F ] zijn besproken en weerlegd, terwijl zij ter comparitie (nogmaals) heeft bevestigd niet te twijfelen aan de deskundigheid van I-TEK, Oleotest of [G] . De rechtbank merkt ten slotte op dat [A] al op 24 januari 2017, vier dagen na het ontstaan van de brand, het verregaande standpunt heeft ingenomen dat de brand alleen kon zijn ontstaan als gevolg van het bijbrengen en achterlaten van open vuur omdat andere sporen ontbraken (hierboven 2.14). Het onderzoek was toen immers nog maar net begonnen, tussen de brandrestanten had [A] geen batterijen aangetroffen en er waren nog geen onderzoeksresultaten van Oleotest bekend.

4.7.

De rechtbank passeert dan ook het bewijsaanbod van Aegon om [A] als getuige te horen, nog daargelaten dat [A] een deskundige is die die niet in of bij de woning aanwezig was op de middag van de brand en dus niet uit eigen wetenschap kan verklaren over de betrokkenheid van de heer en/of mevrouw [eiser] bij de brand en over de positie van de matrassen op zolder. Wanneer Aegon bedoelt heeft [A] als partijdeskundige te horen, heeft de rechtbank daaraan evenmin behoefte, aangezien diens verklaring kennelijk slechts dient ter ondersteuning van de in het rapport getrokken conclusies.

4.8.

De rechtbank komt op grond van al het bovenstaande tot de conclusie dat Aegon haar (zelfstandig) verweer onvoldoende heeft onderbouwd om te kunnen concluderen dat de oorzaak van de brand is gelegen in brandstichting door [eiser] en dus dat er sprake is van grove schuld in de zin van artikel 2.9 polisvoorwaarden Woonhuis. Dat betekent dat de brand gekenmerkt kan worden als een van buiten komende oorzaak die onverwacht en onvoorzien is in de zin van artikel 2.1 polisvoorwaarden Woonhuis. [eiser] is zijn overeengekomen meldingsplicht nagekomen, zodat Aegon is gehouden om over te gaan tot uitkering van de door [eiser] geclaimde schade. De vordering van [eiser] (hierboven 3.1.I.) zal derhalve worden toegewezen.

4.9.

Het voorgaande impliceert tevens dat registratie van de persoonsgegevens van [eiser] in het Incidentenregister van Aegon en het EVR alsmede uitwisseling van hun persoonsgegevens met het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude niet gerechtvaardigd is. Dit betekent dat ook de vordering van [eiser] tot het verwijderen van de persoonsgegevens (3.1.II) uit voornoemde registers zal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.10.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en vordert in dat verband een vergoeding van EUR 4.715,86 exclusief btw. De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat Aegon dit niet heeft betwist. De vordering onder 3.1.III zal worden toegewezen.

De kosten van de onderzoeken van [F ] / OBEG

4.11.

[eiser] maakt voorts aanspraak op vergoeding van de door hem gemaakte onderzoekskosten, bestaande uit de werkzaamheden van [F ] / OBEG. In dat verband vordert hij bedragen van EUR 15.695,70 en EUR 1.379,40, derhalve EUR 17.075,10 in totaal. De rechtbank stelt vast dat [eiser] de onderliggende facturen heeft overgelegd en dat deze vordering evenmin door Aegon is betwist, zodat de vordering onder 3.1.IV eveneens zal worden toegewezen.

Proceskosten

4.12.

Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 105,01

- griffierecht 895,00

- salaris advocaat 1.390,00 (2 punten x tarief EUR 695,00)

Totaal 2.390,01

4.13.

Voor veroordeling in de gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu een kostenveroordeling ook hiervoor een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010: BL1116, NJ 2011/237). Wel zal de rechtbank, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief. Voorts zal de over de proceskosten en de nakosten gevorderde rente worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

In reconventie

4.14.

Gelet op de beslissing in conventie ontbeert de vordering in reconventie grondslag, zodat die zal worden afgewezen.

4.15.

Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris advocaat 347,50 (0,5 punt x tarief EUR 695,00)

Totaal 347,50

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat Aegon overeenkomstig de verzekeringsovereenkomst dekking dient te verlenen op de polis met nummer [nummer] voor de gemelde brandschade aan de zolder / kapconstructie / inboedel in het pand van [eiser] ;

5.2.

veroordeelt Aegon om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis alle personalia van [eiser] te verwijderen uit het Incidentenregister Veiligheidszaken, het Externe Verwijzingsregister en het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 per dag, met een maximum van EUR 50.000,00;

5.3.

veroordeelt Aegon tot voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten van EUR 4.715,86 exclusief btw binnen tien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2018;

5.4.

veroordeelt Aegon tot betaling van de kosten van de onderzoeken van [F ] / OBEG van in totaal EUR 17.075,10 binnen tien dagen na betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2018;

5.5.

veroordeelt Aegon in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 2.390,01, daaronder begrepen de nakosten van EUR 131,00 zonder betekening dan wel EUR 199,00 in geval van betekening, met bepaling dat over de totale kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af;

5.8.

veroordeelt Aegon in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 347,50;

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.1

1 type: 2513 coll: