Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:470

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
C/09/5566153 / KG ZA 19/23
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Overbrenging gedetineerde naar Curaçao. Ontvankelijkheid. Vordering om Staat te verbieden eiser over te brengen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/566153 / KG ZA 19/23

Vonnis in kort geding van 8 januari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. S. Splinter te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Justitie en Veiligheid,

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 8 januari 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. Van de zijde van [eiser] zijn ter zitting, met instemming van de Staat, nog twee producties overgelegd.

1.2.

Op 8 januari 2019 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 21 januari 2019.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op vordering van de officier van justitie bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 21 juni 2016 heeft de rechter-commissaris bij het Gerecht op dezelfde datum een bevel tot bewaring voor een termijn van acht dagen tegen [eiser] afgegeven. In het bevel is bepaald dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een politiecel of huis van bewaring te Curaçao of in een plaats van detentie elders in het Koninkrijk der Nederlanden. Dit bevel is afgegeven met het oog op de vervolging van [eiser] door het Gerecht voor betrokkenheid bij moord / doodslag 15 juli 2014 en de omkoping van een politieambtenaar.

2.2.

In oktober 2016 is een “Red Notice” van Interpol betreffende [eiser] uitgegeven.

2.3.

Op 28 december 2018 heeft de officier van justitie bij het Gerecht een interregionaal rechtshulpverzoek met betrekking tot de opsporing en aanhouding van [eiser] aan het openbaar ministerie in Nederland gezonden. [eiser] is op dezelfde datum in Nederland aangehouden en in verzekering gesteld. Vervolgens is [eiser] op 29 december 2018 door de rechter-commissaris van deze rechtbank gehoord op het bevel tot bewaring van 21 juni 2016 en het rechtshulpverzoek van 28 december 2018.

2.4.

Bij beschikking van 4 januari 2019 van de rechter-commissaris van het Gerecht is het bevel tot bewaring van [eiser] met acht dagen verlengd.

2.5.

De Staat is voornemens [eiser] op 9 januari 2019 over te brengen van Nederland naar Curaçao.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven de Staat te verbieden:

  1. primair hem over te brengen naar Curaçao;

  2. subsidiair: hem over te brengen naar Curaçao zolang er geen garanties zijn afgegeven door de Staat over de detentieomstandigheden aldus dat deze zullen voldoen aan artikel 2 en 3 EVRM en zondig daartoe een rapportage op te stellen;

  3. meer subsidiair: hem over te brengen naar Curaçao zolang nog niet is beslist op een verzoek van [eiser] om detentie in Nederland door te brengen en/of het bevel tot bewaring op te heffen, dan wel te schorsen;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig door [eiser] over te brengen naar Curaçao. Door die overbrenging dreigt een situatie waarin voor [eiser] sprake zal zijn voor schending van artikel 2, 13 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsmede artikel 19 van het Handvest van de Europese Unie (EU Handvest). De detentieomstandigheden in Curaçao zijn zo slecht dat sprake is van foltering, onmenselijke behandeling en vernedering. Daarnaast vreest [eiser] voor zijn leven als hij wordt overgebracht, omdat er sprake is van afrekening tussen twee drugsbendes. [eiser] wordt verdacht van betrokkenheid bij de dood van (volgens de media) van een kopstuk van een van deze twee bendes. Er zijn al diverse schietincidenten geweest: de broer van [eiser] is doodgeschoten in Curaçao en in 2011 is een medeverdachte van [eiser] in detentie beschoten. Tot slot levert de overbrenging een schending van het recht op family life, artikel 8 EVRM, omdat [eiser] en zijn in Nederland woonachtige kinderen – met wie hij een uitgebreide omgangsregeling heeft – dan geen, of zeer beperkt, omgang met elkaar kunnen hebben. Omdat in het bevel tot bewaring is bepaald dat de voorlopige hechtenis ook in Nederland kan worden ondergaan, valt niet in te zien welk belang het openbaar ministerie heeft om hem in Curaçao te detineren. Bij afweging van de belangen, moet het belang van [eiser] zwaarder wegen.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

4.1.

De Staat heeft gesteld dat het Wetboek van Strafvordering Curaçao (hierna: Sv Curaçao) een strafvorderlijk kort geding kent, geregeld in artikel 43 Sv Curaçao. De door [eiser] in dit kort geding gevraagde voorziening, kan hij ook in dat strafvorderlijk kort geding vragen en in dat strafvorderlijk kort geding kan ook tijdig worden beslist. Dat is, aldus de Staat, een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang die de gang naar de voorzieningenrechter (die door [eiser] wordt aangezocht als restrechter) afsluit. Hoewel [eiser] niet betwist dat hij met bedoeld strafvorderlijk kort geding in beginsel hetzelfde resultaat kan bereiken als in onderhavige procedure, betwist hij dat hij in dit geval die weg zou moeten bewandelen. Hij stelt gemotiveerd dat de vereiste spoed bij de gevraagde ordemaatregel dat niet mogelijk maakt.

4.2.

Een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang vergt onder meer dat, onder spoedeisende omstandigheden, een beslissing van de rechter kan worden verkregen binnen een tijdsbestek dat rechtens nog voldoende aanvaardbaar kan worden geacht. Indien [eiser] met het strafvorderlijke kort geding niet een voldoende tijdige beslissing kan verkrijgen kan de civiele rechter, als ‘restrechter’, komen tot een inhoudelijk oordeel over diens op onrechtmatig handelen van de Staat gefundeerde vordering

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] in de gegeven omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan worden ontvangen in zijn vordering. Weliswaar moet worden aangenomen dat in het strafvorderlijk kort geding tijdig had kunnen worden beslist, als [eiser] dat kort geding direct, of in elk geval zeer kort, na zijn aanhouding aanhangig had gemaakt, maar dat [eiser] dat niet heeft gedaan kan in deze situatie niet aan hem worden tegengeworpen omdat dit in redelijkheid niet van hem gevergd kon worden. De voorzieningenrechter neemt in aanmerking:

 het moment waarop [eiser] is aangehouden (vrijdag 28 december 2018),

 zijn eerste contact met zijn advocaat (zaterdag 29 december 2018),

 de tussenliggende zondag (30 december 2018) en feestdag (dinsdag 1 januari 2019),

 de korte termijn tussen de aanhouding en het geplande moment van overbrenging (woensdag 9 januari 2019) én de datum waarop het moment van overbrenging aan [eiser] is medegedeeld (op donderdag 3 januari 2019 aan [eiser] zelf, waarbij de advocaat van [eiser] de bevestiging van die datum op vrijdag 4 januari 2019 van het openbaar ministerie vernam),

 de omstandigheid dat [eiser] door zijn hechtenis niet rechtstreeks bereikbaar is voor een advocaat, waarbij bij het aanhangig maken van een strafvorderlijk kort geding en de inschakeling van een Curaçaose advocaat het tijdsverschil met Curaçao nog een extra belemmering vormt,

en concludeert daaruit dat door de Staat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het voor [eiser] in dit geval een reële mogelijkheid was om tijdig in Curaçao een strafvorderlijk kort geding aanhangig te maken. Onder die omstandigheden is het strafvorderlijke kort geding voor [eiser] niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang waarmee hij – voldoende tijdig – een met dit kort geding vergelijkbaar resultaat kon bereiken. Gelet hierop kan [eiser] worden ontvangen in zijn vordering bij de civiele rechter.

Inhoudelijke beoordeling

4.4.

Alleen als van een werkelijke en reële dreiging jegens [eiser] sprake is en de autoriteiten (die dat wisten of in redelijkheid hadden moeten weten) laten na om in die situatie binnen hun kring van bevoegdheden maatregelen te nemen die dit risico in redelijkheid hadden kunnen voorkomen, is er sprake van schending van artikel 2 EVRM. Van een dreigende schending van artikel 3 EVRM kan slechts worden uitgegaan als er sprake is van gegronde redenen voor een reëel risico van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Aannemelijk moet zijn dat juist [eiser] dat risico loopt, of dat iedere gedetineerde in de gevangenis in Curaçao dat risico loopt. Alleen de mogelijkheid van een dergelijke schending is onvoldoende. Het ligt op de weg van [eiser] om aannemelijk te maken dat van voormelde omstandigheden sprake is. Daarin is hij niet geslaagd.

4.5.

Zoals uit hetgeen hierna over de detentieomstandigheden in Curaçao wordt overwogen valt af te leiden, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de detentieomstandigheden in Curaçao in algemene zin zodanig zijn dat die een werkelijke en reële bedreiging van het leven van [eiser] opleveren. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat het leven van [eiser] in detentie in Curaçao in gevaar komt. De enkele stelling dat leden van rivaliserende drugsbendes elkaar naar het leven staan en dat [eiser] ervan wordt verdacht betrokken te zijn bij de dood van één van de kopstukken van een van deze bendes, is daartoe ontoereikend. [eiser] heeft immers op geen enkele wijze geconcretiseerd dat er jegens hem sprake is van een werkelijke en reële dreiging. Dat er in 2011 een schietincident in de gevangenis is geweest dat verband hield met de bendeoorlog levert geen aanwijzing voor een werkelijke en reële dreiging jegens [eiser] op. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de broer van [eiser] in 2016 is doodgeschoten, nu niets is gesteld over de aanleiding voor of achtergrond van die schietpartij. Daar komt nog bij dat de Staat gemotiveerd heeft toegelicht dat leden van de rivaliserende bendes in de gevangenis gescheiden worden geplaatst en dat uit de door de Staat overgelegde reactie – waarvan de juistheid door [eiser] op dit punt niet is betwist – van het openbaar ministerie in Curaçao blijkt dat er sinds 2013 slechts twee mensen in de gevangenis in Curaçao zijn overleden, beiden aan een natuurlijke doodsoorzaak. Dat overbrenging naar Curaçao gevaar voor het leven en aldus een schending van artikel 2 en/of 3 EVRM oplevert is derhalve niet aannemelijk geworden.

4.6.

[eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen over de detentieomstandigheden in Curaçao onder meer naar een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mensen van 9 oktober 2018 in de zaak [A] tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2018:1009JUD002959317). Deze verwijzing snijdt alleen daarom al geen hout, aangezien het ooordeel van het Hof betrekking heeft op detentie in een politiecel in Sint Maarten, terwijl [eiser] zal worden gedetineerd op Curaçao. Ook de verwijzing van [eiser] naar een inspectierapport van de Raad voor rechtshandhaving naar de kwaliteit en de veiligheid van de gedetineerden en inrichtingspersoneel in de penitentiaire inrichting op Curaçao uit 2014 levert onvoldoende onderbouwing op van de stelling dat er in verband met de detentieomstandigheden sprake is van schending van artikel 3 EVRM. De Staat heeft immers terecht aangevoerd dat de Raad voor rechtshandhaving in mei 2017 een nieuw rapport heeft uitgebracht, waaruit blijkt dat er sprake is van diverse inspanningen ter verbetering van de situatie in de gevangenis. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of uit het rapport uit 2015 geconcludeerd kan worden dat de detentieomstandigheden destijds een schending van artikel 3 EVRM opleveren, heeft [eiser] in elk geval nagelaten te onderbouwen dat daarvan thans – met inachtneming van de verbeteringen zoals die volgen uit het rapport van mei 2017 – nog steeds sprake is. De verwijzingen naar “rapporten van NGO’s” en het Ministerie van Justitie – zonder nader te concretiseren op welke rapporten wordt gedoeld – en de door [eiser] overgelegde artikelen uit de media, zijn van te algemene aard om daaruit af te kunnen leiden dat van een schending van artikel 3 EVRM jegens [eiser] sprake zal zijn.

4.7.

Ten aanzien van de schending van artikel 8 EVRM stelt de Staat terecht dat detentie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een geoorloofde inbreuk op het in artikel 8 EVRM verwoorde recht op family life is. Dat de detentie in Curacao moet worden ondergaan, terwijl de kinderen van [eiser] in Nederland wonen, levert in dit geval niet een te vergaande inbreuk op het recht op family life op. Aangezien de strafzaak in Curacao loopt, valt het binnen de beleidsvrijheid van de Staat om te bepalen dat [eiser] de voorlopige hechtenis aldaar ondergaat.

4.8.

Al hetgeen [eiser] met betrekking tot een schending van artikel 2, 3 en 8 EVRM naar voren heeft gebracht staat derhalve niet aan zijn overbrenging naar Curaçao in de weg en vormt ook geen aanleiding voor toewijzing de subsidiair en meer subsidiair gevraagde ordemaatregelen. Dit wordt niet anders door de stelling van [eiser] dat het – gezien de huidige communicatiemiddelen – voor de behandeling van de strafzaak niet noodzakelijk is dat [eiser] naar Curaçao wordt overgebracht. Zoals gezegd valt het in de gegeven omstandigheden binnen de beleidsvrijheid van de Staat om te bepalen dat [eiser] de voorlopige hechtenis in Curaçao ondergaat. In de dagvaarding heeft [eiser] nog een beroep gedaan op schending van artikel 19 van het EU Handvest, maar aangezien hij heeft nagelaten te onderbouwen waarom dit artikel een andere toets zou opleveren dan de toets van artikel 3 EVRM, baat het beroep op dat artikel hem evenmin. [eiser] heeft in de dagvaarding ook nog gesteld dat er sprake zal zijn van een schending van artikel 13 EVRM, maar bij gebreke aan enige onderbouwing van die stelling, wordt daaraan voorbij gegaan. Slotsom is dat de gevraagde ordemaatregelen zullen worden geweigerd.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- weigert de gevraagde ordemaatregelen;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is in verkorte vorm (namelijk uitsluitend het dictum) door mr. H.J. Vetter in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019 en op 21 januari 2019 is de uitwerking vastgesteld en aan partijen toegezonden.

idt