Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4674

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
C/09/557508 / FA RK 18-5546
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verbetering geboorteakte, man geen juridische vader want huwelijk in Nederland niet rechtsgeldig, gerechtelijke vaststelling vaderschap, rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder c Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 18-5546

Zaaknummer: C/09/557508

Datum beschikking: 10 mei 2019

Verbetering akte register burgerlijke stand, gerechtelijke vaststelling ouderschap, gezag, wijziging geslachtsnaam

Beschikking op het op 27 juli 2018 ingekomen verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Den Haag.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[Y] ,

hierna: de man/vader,

en

[X] ,

hierna: de moeder,

hierna samen: de ouders,

wonende te [woonplaats] , België,

advocaat: mr. E.A.M. Brouwers- Bouwman te Wassenaar,

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats minderjarige]

zetelend te [geboorteplaats minderjarige] ,

de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van de officier van justitie;

- de brief met bijlagen van 29 augustus 2018 van de officier van justitie.

Op 25 oktober 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de ambtenaar in de personen van de heer [naam] en mevrouw [naam] . De officier van justitie is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek aangehouden en de man in de gelegenheid gesteld om een advocaat te zoeken en een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap over [minderjarige] in te dienen. De rechtbank heeft bepaald dat de verzoeken daarna gelijktijdig verder zullen worden behandeld.

Vervolgens heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- het F2-formulier van 12 november 2018 waarin mr. Brouwers-Bouwman zich als

advocaat voor de ouders stelt;

- de referteverklaring tevens zelfstandig verzoekschrift van de zijde van de ouders van 14 november 2018;

- het F9-formulier van 28 januari 2019 van de zijde van de ouders, met als bijlage een rapport van DNA Diagnostics Center met toelichting van 13 december 2018;

- de brief van 28 maart 2019 van de zijde van de ambtenaar.

Feiten

- De ouders zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] 2013 op het consulaat van Ecuador in [plaatsnaam]

- Uit de moeder is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] .

- Op de geboorteakte van [minderjarige] is de man als vader opgenomen. De man heeft tevens aangifte van de geboorte van [minderjarige] gedaan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats minderjarige]

- Uit een rapport van DNA-onderzoek blijkt met meer dan 99,999% zekerheid dat de man de biologische vader is van [minderjarige] .

- De man heeft vanaf zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit.

- De moeder heeft de Ecuadoraanse nationaliteit.

- Uit de Basisregistratie personen (brp) blijkt dat de man sinds zijn geboorte zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft gehad en dat hij sinds 15 november 2016 is geëmigreerd en in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) is ingeschreven met een verblijfplaats in België.

- De moeder is nooit ingeschreven geweest in de Nederlandse brp. De moeder is sinds 5 februari 2018 ingeschreven in de RNI met een verblijfplaats in België.

- Uit de brp blijkt dat [minderjarige] vanaf haar geboorte op [geboortedag] 2014 tot

15 november 2016 haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft gehad en dat zij sindsdien is geëmigreerd en in de RNI is ingeschreven met een verblijfplaats in België.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de officier van justitie strekt tot verbetering van de geboorteakte met nummer [nr.] van het jaar 2014, ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente [geboorteplaats minderjarige] op [een dag na de geboorte] 2014.

De ouders refereren zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het verzoek tot verbetering van de geboorteakte.

De ouders verzoeken tevens zelfstandig tot:

  • -

    gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over [minderjarige] ;

  • -

    bepaling dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige] ;

  • -

    toekenning van de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam Y] ’ aan [minderjarige] ,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Verbetering geboorteakte

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien het verzoek is gedaan door de Nederlandse officier van justitie, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).

Aangezien het verzoek strekt tot verbetering van een Nederlandse akte, is Nederlands recht van toepassing op het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Op grond van artikel 1:24, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan – voor zover hier van belang – de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verbetering gelasten van een akte die voorkomt in een register van de burgerlijke stand en die onvolledig is of een misslag bevat.

De officier van justitie stelt dat de man ten onrechte als vader is vermeld op de geboorteakte van [minderjarige] en verzoekt om verbetering op dit punt. Bij het opmaken van de geboorteakte is de man op grond van artikel 1:199 aanhef en onder a BW aangemerkt als de (juridische) vader van [minderjarige] , omdat hij ten tijde van haar geboorte was getrouwd met de moeder. Dit huwelijk wordt naar Nederlands rechts echter niet erkend, omdat het huwelijk is gesloten op het consulaat van Ecuador in Nederland terwijl de man de Nederlandse nationaliteit bezit. Op grond van artikel 10:30 BW kan immers een huwelijk in Nederland slechts worden voltrokken door consulaire ambtenaren indien geen der partijen uitsluitend of mede Nederlandse nationaliteit bezit. Als gevolg van het niet rechtsgeldig zijn van het huwelijk, kan de vader naar Nederlands recht niet als de juridische vader van [minderjarige] worden beschouwd en stond [minderjarige] ten tijde van haar geboorte alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder. Als gevolg hiervan heeft [minderjarige] niet (via de vader) de Nederlandse nationaliteit verkregen, maar heeft zij enkel de Ecuadoraanse nationaliteit verkregen, op basis van de nationaliteit van haar moeder. Derhalve wordt de geslachtsnaam van [minderjarige] op grond van artikel 10:19 BW bepaald door het Ecuadoraans recht, inhoudende dat een kind als geslachtsnaam de eerste van de twee geslachtsnamen van beide ouders heeft, in dit geval dus ‘ [geslachtsnaam Y] [1e geslachtsnaam X] ’. Op grond van bovenstaande verzoekt de officier van justitie om de gegevens van de vader van de geboorteakte te verwijderen en om als geslachtsnaam op te nemen ‘ [geslachtsnaam Y] [1e geslachtsnaam X] ’.

De rechtbank zal dit verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Rechtsmacht

Op grond van artikel 1 lid 3 sub a van de EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (hierna: Brussel II-bis) is deze verordening niet van toepassing op de vaststelling van familierechtelijke betrekkingen, zoals hier aan de orde. Dit geldt ook voor het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299 op grond van artikel 4 aanhef en onder a van dat verdrag.

Gelet op het vorenstaande dient de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, beantwoord te worden aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aangezien het verzoek geen betrekking heeft op ouderlijke verantwoordelijkheid maar op de vaststelling van familierechtelijke betrekkingen, acht de rechtbank artikel 5 Rv niet van toepassing.

Uit artikel 3 aanhef en onder a Rv volgt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de verzoeker(s) of belanghebbende(n) hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank is van oordeel dat de man, de moeder en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in België hebben. De man en [minderjarige] zijn immers sinds 15 november 2016 geëmigreerd en in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) ingeschreven met een verblijfadres in België. De moeder is nooit ingeschreven geweest in de Nederlandse brp en staat sinds 5 februari 2018 ingeschreven in de RNI met een verblijfadres in België. Derhalve komt de rechtbank geen rechtsmacht toe op grond van artikel 3 sub a Rv.

Wel komt de rechtbank rechtsmacht toe op grond van artikel 3 aanhef en onder c Rv, aangezien de zaak naar het oordeel van de rechtbank anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. De rechtbank overweegt daartoe dat de man de Nederlandse nationaliteit heeft en zijn hele leven, tot 15 november 2016, in Nederland heeft gewoond. [minderjarige] is in Nederland geboren en heeft de eerste twee jaar van haar leven in Nederland gewoond. De ouders hebben gesteld dat zij voor korte tijd naar België zijn verhuisd met de bedoeling om terug te keren naar [geboorteplaats minderjarige] De rechtbank heeft op basis van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken de indruk dat het (tijdelijke) vertrek naar België samenhangt met de problemen die de ouders ervaren doordat hun huwelijk in Nederland niet wordt erkend en de juridische gevolgen daarvan voor met name [minderjarige] . Gelet op dit alles – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden.

Toepasselijk recht

Op grond van artikel 10:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) past de rechtbank Belgisch recht toe op het verzoek, zijnde het recht van de staat waar de man en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben.

Op grond van artikel 322 tot en met 325 en 332quinquies van het Belgisch Burgerlijk Wetboek kan het vaderschap gerechtelijk worden vastgesteld. Daartoe moet het vaderschap worden bewezen. Wanneer twijfel over het vaderschap bestaat, wordt de man vermoed de vader van het kind te zien wanneer hij gedurende het conceptietijdvak met de moeder samenwoonde. Vaststelling van het vaderschap is niet toegestaan als tussen de man en de moeder een huwelijksbeletsel bestaat. Een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt niet toegewezen als een meerderjarig (verklaard) kind daar bezwaar tegen heeft of als die vaststelling duidelijk net in het belang van het kind is. De rechtbank wijst een verzoek in ieder geval af als bewezen is dat de man niet de biologische vader van het kind is.

Inhoudelijke beoordeling

Uit het overgelegde rapport van DNA-onderzoek blijkt dat met meer dan 99,999% zekerheid is aangetoond dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . Nu van overige bezwaren als bedoeld in artikel 322 tot en met 325 en 332quinquies van het Belgisch Burgerlijk Wetboek niet is gebleken zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

Gezag

Rechtsmacht

Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] buiten Nederland is, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot bepaling dat beide ouders met het gezag zijn belast.

De rechtbank merkt evenwel op dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over [minderjarige] ertoe leidt dat de ouders – zowel naar Nederlands als Belgisch recht – van rechtswege vanaf de geboorte van [minderjarige] gezamenlijk zijn belast met het gezag.

Wijziging geslachtsnaam

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat haar op grond van artikel 3 aanhef en onder c Rv rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek tot geslachtsnaamswijziging.

Op grond van artikel 10:20 worden de geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, bepaald door het Nederlandse recht. Aangezien de man de Nederlands nationaliteit heeft en de gevolgen van de gerechtelijke vaststelling terugwerken tot op het moment van de geboorte, heeft [minderjarige] vanaf haar geboorte (naast de Ecuadoraanse) de Nederlandse nationaliteit. Derhalve wordt haar geslachtsnaam bepaald door het Nederlandse recht.

Inhoudelijke beoordeling

Op grond van artikel 1:5 lid 2 BW houdt een kind, indien het door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de man, wiens vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. De rechtbank zal de verklaring van de ouders dat zij willen dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de vader, zijnde ‘ [geslachtsnaam Y] ’, zal dragen, vermelden in de beslissing.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de verbetering van de akte, nummer [nr.] van het jaar 2014, voorkomend in het register van geboorten van de gemeente [geboorteplaats minderjarige] in dier voege dat in deze akte:

in het eerste gedeelte (KIND):

- ‘ ‘Geslachtsnaam’ wordt verbeterd in: [geslachtsnaam Y] [1e geslachtsnaam X]

in het tweede gedeelte (OUDERS):

  • -

    ‘Geslachtsnaam vader’ wordt verbeterd in: -

  • -

    ‘Voornamen vader’ wordt verbeterd in: -

in het derde gedeelde (OVERIGE GEGEVENS, GEBOORTEGEGEVENS OUDERS):

  • -

    ‘Plaats van geboorte vader’ wordt verbeterd in: -

  • -

    ‘Dag van geboorte vader’ wordt verbeterd in: -

stelt vast het vaderschap van:

[Y] , geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,

over:

[geslachtsnaam Y] [1e geslachtsnaam X] , [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats]

uit:

[X] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] , Ecuador;

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen met het verzoek ten aanzien van het gezag;

stelt vast dat de verklaring van de moeder en de man luidt dat de minderjarige de geslachtsnaam van de man zal dragen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, tevens kinderrechter, bijgestaan door

mr. J.M.N. van Limpt-Schrover als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

10 mei 2019.