Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
AWB 19/1484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een Armeense vrouw mag niet met haar minderjarige dochter naar haar echtgenoot in Nederland komen zolang haar bezwaarprocedure nog in behandeling is bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1484

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2019 in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1984, van Armeense nationaliteit, verzoekster,

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink)

Procesverloop

Met het besluit van 18 februari 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) afgewezen. Verzoekster heeft op 26 februari 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Met de brief van dezelfde datum heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een mvv. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 25 april 2019. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ook was aanwezig haar echtgenoot, [echtgenoot] . Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Verzoekster is in 2010 Nederland ingereisd en heeft toen asiel aangevraagd. In 2011 is zij gaan samenwonen met de heer [echtgenoot] en in 2012 is hun dochter [dochter] geboren en zijn zij getrouwd. Op 7 november 2012 zijn verzoekster en [dochter] met hulp van het IOM naar Armenië teruggegaan om in Armenië een mvv aan te vragen voor verblijf bij haar echtgenoot. Vanwege medische problemen van haar echtgenoot en ook in verband met de inkomenseis heeft zij pas op 25 september 2018 de aanvraag kunnen doen. Zij heeft zowel voor zichzelf als voor [dochter] een mvv aangevraagd.

  2. Verweerder heeft beide aanvragen eerst op 14 januari 2019 ingewilligd. Daarna heeft verweerder met het bestreden besluit het besluit van 14 januari 2019 ten aanzien van verzoekster ingetrokken en de aanvraag alsnog afgewezen. De reden hiervoor is dat verzoekster volgens verweerder een gevaar voor de openbare orde is, omdat zij op 3 mei 2013 is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur op grond van een op 4 september 2012 gepleegd misdrijf. Omdat verzoekster de taakstraf niet heeft voltooid, is deze omgezet in 20 dagen hechtenis, met een executiedatum van 13 december 2029. De mvv voor [dochter] heeft verweerder niet ingetrokken.

  3. Verzoekster voert ten eerste aan dat verweerder ten onrechte niet het Unierechtelijke openbare orde begrip heeft toegepast, dat sprake moet zijn van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verzoekster heeft gewezen op de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juni 20181.

Bovendien is zij slechts éénmaal in aanraking gekomen met Justitie. Zij is bij verstek veroordeeld, kon zich niet vinden in het vonnis en heeft hoger beroep ingesteld, maar was daarmee te laat. Omdat zij haar straf niet in Nederland kan uitzitten, zal zij pas in 2049 aan de voorwaarden voor een mvv kunnen voldoen. Dit staat niet in verhouding met het gepleegde feit en de opgelegde straf. Het is vanwege deze bijzondere omstandigheden onredelijk om strikte toepassing te geven aan de beleidsregels.

Verder is weigering van de mvv volgens verzoekster in strijd met artikel 8 van het EVRM2. Daarbij speelt mee dat het voor verzoeksters echtgenoot vanwege zijn baan en vanwege zijn hartproblemen niet mogelijk is het gezinsleven in Armenië uit te oefenen. Verweerder heeft bij de belangenafweging de criteria uit de arresten [arrest 1] en [arrest 2] onjuist toegepast.
Volgens verzoekster moet daarom sterk getwijfeld worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Omdat [dochter] gelet op haar leeftijd niet alleen naar Nederland kan reizen, vraagt verzoekster om een voorlopige voorziening, zodat zij samen met [dochter] naar haar echtgenoot kan komen. De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting subsidiair gevraagd of de voorzieningenrechter verweerder kan bevelen binnen twee weken op het bezwaar te beslissen, zodat binnen de daarvoor geldende termijn gebruik gemaakt kan worden van de aan [dochter] verstrekte mvv.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft, omdat deze ertoe strekt om de komst van verzoekster naar Nederland mogelijk te maken, wat in het kader van de mvv-procedure ter beoordeling aan verweerder is. Toewijzing van de gevraagde voorziening betekent dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor een dergelijke vergaande beslissing is op grond van vaste rechtspraak in beginsel alleen plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noopt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Daarvan is volgens verweerder geen sprake.
Beoordeling door de voorzieningenrechter

5.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat vooralsnog de kans van slagen van het bezwaar ongewis is. Daarbij speelt ten eerste mee dat verzoekster haar straf in Nederland niet heeft kunnen uitzitten. Het is niet duidelijk hoe verweerder die omstandigheid heeft meegewogen in zijn besluit. Ook is onduidelijk of het nationale of het Unierechtelijke openbare orde criterium moet worden gebruikt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft nog niet geantwoord op de prejudiciële vragen van de Afdeling.

5.2.

De voorzieningenrechter moet daarom het belang van verweerder bij een strikt toelatingsbeleid afwegen tegen de belangen van verzoekster. In dat verband vindt de voorzieningenrechter het volgende van belang. Verzoekster verblijft sinds november 2012 met [dochter] , gescheiden van haar echtgenoot, in Armenië. Verzoekster kan tot een beslissing op het bezwaar is genomen het gezinsleven blijven uitoefenen zoals zij dat al jaren doet. Bovendien heeft het treffen van de gevraagde voorziening een vrijwel definitief karakter. Daarvoor is alleen aanleiding indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden of een zeer zwaarwegend spoedeisend belang. Daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Ook de aan [dochter] verstrekte mvv is geen reden om de gevraagde voorziening toe te wijzen, omdat op de zitting is gebleken dat verzoekers echtgenoot naar Armenië kan reizen om [dochter] op te halen. Dat zij niet zonder haar moeder wil reizen, is onvoldoende reden om desondanks de gevraagde voorziening te treffen.

5.3.

De griffier heeft na de zitting contact gehad met verweerder over het subsidiaire verzoek om te bepalen dat verweerder binnen twee weken op het bezwaar beslist. Verweerder heeft aangegeven dat verzoekster over haar bezwaar zal worden gehoord en dat daarom niet binnen twee weken op het bezwaar kan worden beslist. Verweerder heeft toegezegd de zaak met prioriteit te behandelen en ernaar te streven om binnen zes weken een beslissing op het bezwaar te nemen. Er is daarom voor de voorzieningenrechter geen aanleiding verweerder te bevelen binnen een bepaalde termijn op het bezwaar te beslissen.
Conclusie

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

1 ECLI:NL:RVS:2018:1739.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.