Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4650

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
NL19.4840
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vk; AA; Dublin Italië; weer opvang van gezinnen met kinderen; circular letter Italiaanse autoriteiten; verweerder niet (meer) gehouden vooraf garanties te vragen als in Tarakhel; kwetsbare personen; overdracht zwangere vrouw; geen ambtshalve verblijfsvergunning mensenhandel bij niet in behandeling nemen asielaanvraag; beroep ogg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.4840


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.4841, plaatsgevonden op 13 maart 2019. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek.

3. Eiseres betoogt dat zij niet aan Italië kan worden overgedragen zonder dat verweerder garanties van de Italiaanse autoriteiten heeft verkregen. Zij stelt dat zij (circa 22 weken) zwanger is en dat zij daarom dient te worden aangemerkt als (extreem) kwetsbare persoon in de zin van artikel 21 en artikel 22 van de Opvangrichtlijn en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 (Tarakhel v. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712; Tarakhel). In haar uitspraak van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3246 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) weliswaar heeft geoordeeld dat in algemeen ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar het Salvini-decreet is daarbij niet meegewogen. Verder stelt eiseres dat het vanwege het vergevorderde stadium van haar zwangerschap te verwachten valt dat zij zal bevallen van haar kind wanneer haar asielprocedure in Italië nog loopt. In verband hiermee verwijst zij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 22 november 2018, NL18.20043 en de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2097.

3.1.

In het algemeen mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan.

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat eiseres haar gestelde zwangerschap niet met een medische verklaring heeft onderbouwd. Indien en voor zover eiseres zwanger is, overweegt de rechtbank het volgende.

De uitspraken waarnaar eiseres verwijst, zijn achterhaald door de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131. De Afdeling heeft daarin overwogen dat verweerder ten aanzien van Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat en dat het Salvini-decreet niet tot gevolg heeft dat (kwetsbare) Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. De Afdeling heeft in die uitspraak verder geoordeeld dat van belang is dat verweerder conform artikel 32 van de Dublinverordening melding blijft maken van de bijzondere behoeften en omstandigheden van een vreemdeling en dat hij de overdracht opschort zodra duidelijk is dat Italië daar niet aan kan voldoen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd op grond van die bepaling de Italiaanse autoriteiten vooraf te zullen informeren over de toestand van eiseres en van overdracht af te zien als zou blijken dat de Italiaanse autoriteiten, gelet op haar toestand, geen passende opvang kunnen bieden.

3.3.

Verweerder heeft verder aangevoerd dat de opvangvoorzieningen van asielzoekers in Italië zijn gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die bestond ten tijde van het arrest Tarakhel. De voormalige SPRAR-locaties (nu SIPROIMI genaamd) zijn nu alleen nog maar beschikbaar voor statushouders en alleenstaande minderjarigen. De overige opvangstructuren in Italië zijn adequaat voor alle asielzoekers, dusdanig dat de fundamentele rechten gewaarborgd zijn, met name de gezinseenheid en de bescherming van minderjarigen. Dat blijkt uit de zogenaamde circular letter die de Italiaanse autoriteiten op 8 januari 2019 aan de lidstaten hebben verzonden. Gelet hierop stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet langer garanties hoeft te verkrijgen van de Italiaanse autoriteiten dat gezinsleden samen, en in voor hen geschikte voorzieningen, zullen worden opgevangen. In februari 2019 heeft verweerder daarom besloten de overdracht van gezinnen met kinderen aan Italië te hervatten. Er bestaat daarom geen reden om eraan te twijfelen dat Italië aan eiseres, als kwetsbare persoon vanwege het stadium van haar zwangerschap (of, later, als moeder met een pasgeboren kind), opvang zal verlenen die in overeenstemming is met de Opvangrichtlijn. Uit de nu beschikbare informatie blijkt volgens verweerder niet dat in Italië de opvangvoorzieningen dermate slecht zijn dat bij overdracht aan Italië sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook de opvangcapaciteit zou volgens verweerder voldoende moeten zijn. Eiseres heeft dit alles niet betwist, zodat de rechtbank hier vanuit zal gaan. Verweerder mag daarom ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en, anders dan eiseres betoogt, is verweerder daarom in haar geval niet gehouden garanties te vragen bij de Italiaanse autoriteiten dat zij zal worden opgevangen in een voorziening die voor haar en haar (nu nog ongeboren) kind geschikt is. Eiseres heeft ook geen objectieve (landen)informatie ingebracht die grond biedt voor een ander oordeel. Het betoog slaagt niet.

4. Eiseres betoogt verder dat verweerder ten onrechte voorbijgaat aan de omstandig-heid dat zij stelt slachtoffer te zijn van mensenhandel. Zij heeft op 18 januari 2019 al wel een intake gehad bij de politie, maar heeft tot op heden geen aangifte kunnen doen als gevolg van lange wachttijden bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). Dat zal zij kunnen doen binnen drie maanden na de intake, aldus eiseres.

4.1.

Artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bepaalt dat bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever, slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is, indien de asielaanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Vw, zoals in deze zaak het geval is.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan op grond van artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb en paragraaf C1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) in een Dublinprocedure niet worden toegekomen aan de vraag of een vreemdeling in aanmerking zou komen voor de hiervoor bedoelde verblijfsvergunning. Daarom bestaat geen aanleiding eiseres bedenktijd te gunnen op grond van artikel 8, aanhef en onder k, van de Vw, zoals beschreven in paragraaf B8/3.1 van de Vc. Bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn, terwijl eiseres na het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4297).

Verder merkt verweerder volgens zijn beleid in paragraaf B8/3.1 van de Vc de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (Model M55) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie of de Koninklijke Marechaussee is doorgestuurd naar verweerder. Nu eiseres (nog) geen aangifte heeft gedaan en er dus ook (nog) geen kennisgeving aan verweerder is gedaan, is hij ook niet gehouden haar ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen. In de omstandigheid dat eiseres vanwege lange wachttijden bij de politie nog geen aangifte heeft kunnen doen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de Dublinprocedure op te schorten, nu een eventuele aangifte niet bepalend is voor de vaststelling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

5. Eiseres betoogt dat overdracht aan Italië in haar geval van een onevenredige hardheid getuigt.

5.1.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. Verweerder gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

5.2.

In de zienswijze heeft eiseres alleen verwezen naar de door haar gestelde ervaringen. In beroep stelt zij enkel dat verweerder daarin ten onrechte geen bijzondere individuele omstandigheden heeft gezien op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Italië. Zij licht niet toe waarom de motivering van het bestreden besluit op dit punt ontoereikend is. Het betoog slaagt daarom niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.