Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4643

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
NL18.5152
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2042, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BMA is volgens verweerder niet in staat om de vragen die uit C.K. tegen Slovenië volgen te beantwoorden - interstatelijk vertrouwensbeginsel betekent niet dat informatie van de andere lidstaten kritiekloos moet worden overgenomen.

Verweerder erkent niet volledig te hebben voldaan aan de onderzoeksopdracht van de voorzieningenrechter omdat het belang van goede diplomatieke verhoudingen prevaleerde boven het voldoen aan de opdracht van de voorzieningenrechter. De rechtbank heeft daarop aangegeven dat het belang van goede diplomatieke verhoudingen zeker wordt onderkend. Echter, indien in het onderhavige geval dat belang prevaleert boven het voldoen aan een rechterlijke uitspraak had het op de weg van verweerder gelegen om het bestreden besluit in te trekken en eiser alsnog tot de nationale asielprocedure toe te laten. De rechtbank heeft tevens voorgehouden dat (mogen) uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet betekent dat informatie van de andere lidstaten kritiekloos moet worden overgenomen.

De vraag die partijen met name verdeeld houdt is de vraag of de enkele overdracht met zich zal brengen dat de medische situatie van eiser verslechtert en in welke mate dat zal zijn.

Het toetsingskader voor de beoordeling van de beroepsgrond die ziet op deze vraag volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. De rechtbank stelt hierbij vast, zoals ook met partijen ter zitting besproken, dat BMA in het geheel niet is ingegaan op de vraag of de overdracht op zichzelf gevolgen heeft voor de gezondheid van eiser. BMA heeft beoordeeld of de reis, dus de feitelijke overdracht die enkele uren zal duren, mogelijk is en welke voorzieningen vooraf, gedurende en direct na de reis nodig zijn. De vraag die volgt uit het arrest van het Europese Hof strekt echter verder dan het beoordelen of en hoe de reis mogelijk is. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de vraagstelling zoals die in de onderhavige zaak is voorgelegd aan BMA standaardmatig en steeds hetzelfde is. Verweerder heeft tevens aangegeven dat BMA niet in staat is om de vragen die uit C.K. tegen Slovenië volgen te beantwoorden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.5152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2019 in de zaak tussen


[naam] , geboren op [geboortedag] 1998, van Sierra Leoonse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. B. Anik),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL18.5153). Dit verzoek is behandeld op 3 april 2018 en bij uitspraak van 10 april 2018 toegewezen.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft aanvankelijk plaatsgevonden op 19 juni 2018. In overleg met partijen is de behandeling aangehouden om meer duidelijkheid te verkrijgen over de medische situatie van eiser. De behandeling is voortgezet op 22 januari 2019. Eiser is steeds verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening (604/2013) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek.

2. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen hij heeft aangevoerd gaat de rechtbank – voor zover van belang – in het navolgende in.

3. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 10 april 2018 verweerder opgedragen nadere informatie te verkrijgen van de Italiaanse autoriteiten. Bij de behandeling ter zitting op 19 juni 2018 heeft verweerder, in reactie op de beroepsgronden, erkend dat niet volledig is voldaan aan de onderzoeksopdracht. Ter toelichting heeft verweerder aangegeven dat het belang van goede diplomatieke verhoudingen prevaleerde boven het voldoen aan de opdracht van de voorzieningenrechter. De rechtbank heeft daarop aangegeven dat het belang van goede diplomatieke verhoudingen zeker wordt onderkend. Echter, indien in het onderhavige geval dat belang prevaleert boven het voldoen aan een rechterlijke uitspraak had het op de weg van verweerder gelegen om het bestreden besluit in te trekken en eiser alsnog tot de nationale asielprocedure toe te laten. Nu verweerder het besluit ongewijzigd heeft gehandhaafd zal de rechtbank het besluit vernietigen omdat niet is voldaan aan de onderzoeksopdracht van de voorzieningenrechter.

4. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting van 19 juni 2018 is voorgehouden dat het onbegrijpelijk is dat verweerder voetstoots aanneemt wat de Italiaanse autoriteiten aangeven ter beantwoording van de onderzoeksvragen. De rechtbank heeft voorgehouden dat (mogen) uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet betekent dat informatie van de andere lidstaten kritiekloos moet worden overgenomen. De rechtbank heeft hierbij betrokken wat op dat moment (ambtshalve) bekend was uit openbare bronnen over het aantal Sprar-locaties en over welke vreemdelingen toegang hadden tot deze opvang. Gelet op deze gegevens heeft de rechtbank voorgehouden dat het verbaast dat verweerder de reactie van de Italiaanse autoriteiten dat eiser heeft verbleven in een Sprar-locatie zonder enige kritische kanttekening bij deze reactie te plaatsen ter beantwoording van de onderzoeksopdracht van de voorzieningenrechter overlegt. Verweerder heeft ter zitting van 19 juni 2018 deze besproken gegevens niet betwist.

Verweerder heeft ter zitting van 22 januari 2019 aangegeven naar aanleiding van deze opmerkingen van de rechtbank contact te hebben gehad met de liaison. Uit dit contact is naar voren gekomen dat de rechtbank ter zitting van 19 juni 2018 is uitgegaan van onjuiste gegevens over de Sprar-opvang. Verweerder heeft aangegeven dat uit gegevens van de Italiaanse website van Sprar blijkt dat er een paar duizend in plaats van 161 opvangplaatsen zijn in de Sprar-locaties en dat deze in beginsel toegankelijk zijn voor alle vreemdelingen maar dat gezinnen met voorrang worden toegelaten. De rechtbank heeft hierop aangegeven dat uiteraard wordt gewaardeerd dat verweerder zich nader heeft vergewist en de verkregen informatie ter zitting naar voren brengt zodat deze informatie kan worden besproken en worden betrokken bij de rechterlijke toets van het besluit.

De ingebrachte informatie doet echter niet af aan de conclusie dat niet volledig is voldaan aan de onderzoeksopdracht en doet evenmin af aan de overweging dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet betekent dat niet een kritische grondhouding moet worden aangenomen bij de contacten met de andere lidstaten. De ingebrachte informatie en de naar aanleiding hiervan gevoerde discussie ter zitting brengt wel mee dat verweerder in het onderhavige geval niet aanstonds de reactie van de Italiaanse autoriteiten naast zich neer had moeten leggen en eiser reeds hierom had moeten toelaten tot de nationale procedure.

5. De vraag die partijen met name verdeeld houdt is de vraag of de enkele overdracht met zich zal brengen dat de medische situatie van eiser verslechtert en in welke mate dat zal zijn.

Het toetsingskader voor de beoordeling van de beroepsgrond die ziet op deze vraag volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127 waarin het Hof heeft bepaald dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. Of dit het geval is, moet volgens het Hof worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of, in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat, als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de staatssecretaris bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen en welke voorzorgsmaatregelen eventueel noodzakelijk zijn bij de overdracht.

6. Eiser heeft in een eerder stadium van de onderhavige procedure zijn patiëntendossier overgelegd. Bij schrijven van 4 september 2018 heeft eiser nadere medische informatie ingebracht, te weten een brief van GGZ Centraal van 28 augustus 2018 opgesteld door psycholoog C.M. Hartman en psychiater/regiebehandelaar A. Buning. Tevens is een e-mail-wisseling tussen de gemachtigde van eiser en Psycholoog Hartman overgelegd.

7. In bovengenoemd schrijven van GGZ Centraal is -onder meer- het navolgende opgenomen:

“Huidige medicatie

Quellapine 25mg 1 dd2

Topiramaal 25mg 1dd2

Doelen en methoden van behandeling

Behandelplan:

1.Doelen

-opbouwen werkrelatie

-stabilisatie van PTSS

-stabilisatie van depressieve stoornis

-suïcidepreventie

-verbeteren van functioneren

-vermindering van sociale isolatie

-toewerken naar traumaverwerkingsbehandeling

2.Plan van aanpak

-behandelgesprekken: steunend-structurerend, CGT interventies, stabilisatievaardigheden voor PTSS aanleren, activering

-medicamenteuze behandeling

-monitoren suïcidaliteit

-laagdrempelige toegang tot GGZ o.a. doordat cliënt het mobiele nummer van de hulpverlener heeft

-uitbreiden van sociaal netwerk om suïciderisico te verminderen

-vaktherapie: beeldend

-traumaverwerkingsbehandeling.

3.Noodzakelijke inzet van mantelzorg

- vrienden, COA medeweerkers en beveiliging kijken geregeld op hun eigen initiatief bij cliënt hoe het met hem gaat en stellen hem gerust indien nodig. Dit helpt cliënt om het vol te houden om geen gehoor te geven aan de gedachtes tot suïcide. Hiermee wordt aan suïcidepreventie gewerkt.

Beloop en resultaten van de behandeling

Tijdens gesprekken is er eerst sprake van minimale stabilisatie vanwege de positieve effecten van de medicatie. Echter nemen de PTSS klachten van cliënt te naar mate de rechtszitting met betrekking tot zijn asielprocedure in Nederland dichterbij komt door de gedachtes aan een mogelijke terugkeer naar Italië.”

8. De bovengenoemde e-mail-wisseling betreft de vraag van de gemachtigde van eiser aan psycholoog Hartman of de klachten van eiser zullen verergeren als hij wordt overgedragen aan Italië en de beantwoording van deze vraag.

Psycholoog Hartman heeft per e-mail d.d.4 september 2018 het navolgende geantwoord:

“U vraagt ons of wij inschatten dat de klachten van cliënt zullen toenemen als hij naar Italië uitgezet wordt.

Hierop kunnen we u melden dat cliënt erg bang is om in Italië terug te zijn zoals al in onze brief d.d. 31-08-2018 is aangegeven door ons. Ter aanvulling kunnen we vermelden dat cliënt op 11-9-2018 een hoorzitting zal hebben bij de IND ( de rechtbank: bedoeld zal zijn de aanvankelijk op 11 september 2018 geplande voortzetting van de behandeling van het beroep bij de rechtbank). Hierdoor is zijn angst om terug te moeten naar Italië toegenomen. De PTSS klachten zijn hierdoor fors toegenomen. We spraken cliënt vandaag en hij vertelt het navolgende:

“Cl. vertelt dat zijn nachtmerries erger zijn geworden en dat hij veel last heeft van hoofdpijn. Hij is erg angstig hierdoor en is erg gespannen door zijn aankomende hoorzitting. In deze hoorzitting wordt besloten of cl. terug zal moeten naar Italië. Cl. is erg bang dat er besloten wordt om te worden teruggestuurd. Hij vertelt dat zijn leven in Italië in gevaar zal zijn, hij is bang dat de mensen die hem hebben vastgehouden hem weer zullen vinden. Cl vertelt dat als wordt besloten dat hij terug moet naar Italië dat voor hem zo gevaarlijk is dat hij geen hoop meer heeft voor een goede afloop. Hij zal liever in Nederland op straat willen leven dan teruggaan naar Italië aangezien hij niet naar Italië durft te gaan. Hij heeft gedachtes over het beëindigen van zijn leven als besloten wordt dat hij terug moet naar Italië.”

Uit bovenstaande informatie volgt dat op dit moment de PTSS klachten van cliënt al toenemen bij de gedachte terug te gaan naar Italië. Tevens zijn suïcidale gedachten toegenomen vanuit angstklachten.

9. Verweerder betwist niet dat de actuele gezondheidsproblemen van eiser moeten worden betrokken bij het overdrachtsbesluit omdat uit de door eiser overgelegde objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand blijkt. Verweerder heeft, in lijn met bovenstaande uitspraak van het Hof, nader medisch onderzoek laten verrichten en een medisch advies van BMA van 5 december 2018 overgelegd. Verweerder heeft zich op grond van dit advies op het standpunt gesteld dat de medische situatie van eiser niet in de weg staat aan overdracht aan Italië zodat derhalve geen aanleiding bestaat om het besluit in te trekken.

In het BMA-advies, waaruit blijkt dat BMA kennis heeft genomen van bovenstaande stukken inclusief de e-mailwisseling is –onder meer- het navolgende opgenomen:

“Betrokkene zegt zelf dat hij geen doodswens heeft, maar dat hij soms zo emotioneel en wanhopig kan zijn dat hij zich toch in een opwelling zou kunnen suïcideren, aldus informatie van de behandelaar. Bij gedachten aan een mogelijke terugkeer naar Italië, en bij naderende rechtszitting met betrekking tot de asielprocedure nemen de klachten toe.

Bij eiser is de diagnose PTSS en een recidiverende depressieve stoornis gesteld. De PTSS klachten zouden volgens informatie van de behandelaar zijn geluxeerd door gebeurtenissen in Libië en Italië. Eiser is hiervoor onder behandeling bij een svp en een psychiater. De behandeling bestaat uit steunende en structurerende gesprekken, cognitieve gedragstherapie, stabilisatie en activering en is in principe van tijdelijke aard. Eiser gebruikt medicatie in de vorm van Topiramaat (tegen nachtmerries) en Lorazepam (kalmerend, slaapbevorderend).

Niet bij naam genoemde personen waaronder vrienden, COA medewerkers en beveiliging gaan op eigen initiatief bij eiser kijken hoe het met hem gaat en stellen hem indien nodig gerust. Hiermee wordt aan suïcide preventie gewerkt, aldus de informatie.

Aan deze weinig concrete informatie kan niet de conclusie worden verbonden dat hier sprake is van mantelzorg die essentieel is voor het slagen van de PTSS behandeling. De behandeling van een PTSS duurt over het algemeen een jaar.

Geconcludeerd wordt dat eiser kan reizen maar dat er vooraf, tijdens en direct na de reis medische reisvoorwaarden nodig zijn. Het is noodzakelijk dat eiser vanwege zijn suïcidale gedachten en neigingen, welke mede gerelateerd lijken te zijn met de juridische procedure, tijdens de reis wordt begeleid door een psychiatrische geschoolde medewerker. Tevens wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens meeneemt en hij voldoende medicatie meeneemt om de reis te overbruggen. Fysieke overdracht aan een medische instelling c.q. behandelaar wordt niet voorgeschreven.”

10. De rechtbank stelt vast, zoals ter zitting terecht door eiser is aangegeven, dat het BMA-advies onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het niet volledig is. BMA heeft de door de behandelaars van eiser verstrekte informatie onvolledig weergegeven zodat het BMA-advies niet kan dienen als onderbouwing van het standpunt van verweerder. Zoals hiervoor is weergegeven vindt ook traumaverwerkingsbehandeling plaats. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij in dit kader wekelijks gesprekken heeft met sociaal verpleegkundige L. de Jongh bij wie de BMA-arts informatie heeft opgevraagd. Eiser heeft aanvullend aangegeven dat hij inmiddels in het kader van traumaverwerking eveneens EMDR-therapie volgt. Ter zitting is niet duidelijk geworden of eiser hiermee is gestart voordat het BMA-advies is uitgebracht zodat geen conclusie kan worden verbonden aan het gegeven dat de EMDR-therapie niet is vermeld in het advies dat is opgesteld op 5 december 2018. De rechtbank overweegt wel dat niet inzichtelijk is dat BMA met betrekking tot de mantelzorg enkel concludeert dat deze niet essentieel is voor het slagen van de PTSS behandeling. Immers uit hiervoor weergegeven informatie die door eiser is overgelegd staat onder de kop “noodzakelijke inzet van mantelzorg” dat dit geschiedt ter preventie van suïcide, zoals ook is opgenomen in de behandeldoelen en het plan van aanpak. De vermelding door de BMA-arts dat dit weinig concreet is, is voor de rechtbank, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk. Dat de namen van de personen die de mantelzorg verlenen niet bekend zijn bij de BMA-arts en/of niet is uitgeschreven wie wanneer en hoe lang mantelzorg heeft verleend doet immers niet af aan de vermelding dat de mantelzorg dient ter preventie van suïcide. Juist nu uit de overgelegde informatie blijkt dat de spanningen bij eiser oplopen en het BMA nu juist is ingeschakeld om te beoordelen of de overdracht van eiser aan Italië gevolgen heeft voor de gezondheid, valt niet in te zien dat BMA de mantelzorg niet relateert aan de suïcidepreventie .

De rechtbank stelt hierbij vast, zoals ook met partijen ter zitting besproken, dat BMA in het geheel niet is ingegaan op de vraag of de overdracht op zichzelf gevolgen heeft voor de gezondheid van eiser. BMA heeft beoordeeld of de reis, dus de feitelijke overdracht die enkele uren zal duren, mogelijk is en welke voorzieningen vooraf, gedurende en direct na de reis nodig zijn. De vraag die volgt uit het arrest van het Europese Hof strekt echter verder dan het beoordelen of en hoe de reis mogelijk is.

Psycholoog Hartman heeft naar aanleiding van exact deze vraag aangegeven dat op dit moment de PTSS klachten van cliënt al toenemen bij de gedachte terug te gaan naar Italië. Tevens zijn suïcidale gedachten toegenomen vanuit angstklachten

BMA had juist op deze informatie in moeten gaan en deze aspecten moeten beoordelen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de vraagstelling zoals die in de onderhavige zaak is voorgelegd aan BMA standaardmatig en steeds hetzelfde is. Verweerder heeft tevens aangegeven dat BMA niet in staat is om de vragen die uit C.K. tegen Slovenië volgen te beantwoorden.

Wat hier ook van zij, de rechtbank concludeert dat verweerder inderdaad gehouden was om BMA in te schakelen, maar dat de vraag die voorligt niet is beantwoord.

11. De rechtbank heeft reeds overwogen dat verweerder niet volledig heeft voldaan aan de onderzoeksopdracht van de voorzieningenrechter. De rechtbank overweegt tevens dat BMA de door eiser verstrekte informatie niet volledig heeft weergegeven in zijn advies en niet voldoende is ingegaan op de gevolgen van de overdracht zoals bedoeld in C.K. tegen Slovenië. De rechtbank concludeert derhalve dat verweerder, gelet op de door eiser ingebrachte objectieve informatie, onvoldoende heeft onderzocht hoe groot het risico is dat de overdracht aan Italië een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser zal inhouden.

Het bestreden besluit kan derhalve geen stand houden.

12. Het beroep is gegrond en verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank zal voor het verschijnen ter zitting twee punten toekennen. De behandeling van het beroep is weliswaar aangehouden om eiser in de gelegenheid te stellen een medische diagnose te verkrijgen. Dit laat echter onverlet dat eiser bij beide zittingen is bijgestaan door een gemachtigde en de kosten hiervan bezwaarlijk voor rekening van de gemachtigde kunnen komen.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

C. van Osch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.