Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4554

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
7509260 EJ19-80544
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

vernietiging ontslag op staande voet afgewezen; werknemer heeft werkgever voorgelogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0497
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

zaaknr.: 7509260 EJ VERZ 19-80544

Beschikking van de kantonrechter d.d. 30 april 2019 in de zaak van:

[verzoekende partij, tevens verwerende partij],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, tevens verwerende partij,

gemachtigde: mr. F.B.A. Verbeek,

en

de besloten vennootschap Doeco B.V.,

gevestigd te Waddinxveen,

verwerende partij, tevens verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.A. Putting.

1 Het verloop van de procedures

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de navolgende stukken, waaruit tevens het verloop van de procedure blijkt:

- het verzoekschrift d.d. 28 januari 2019, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 31 januari 2019;

- het verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek;

- de brief met bijlagen d.d. 29 maart 2019 van mr. Verbeek;

- de pleitaantekeningen van mr. Putting;

- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 5 april 2019.

2 De overwegingen

2.1

Verzoekende partij, tevens verwerende partij, hierna te noemen [verzoekende partij, tevens verwerende partij] , verzoekt het volgende:

A. In het incident:

De veroordeling van verwerende partij, tevens verzoekende partij, hierna te noemen: Doeco, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

a. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te voldoen het salaris ad € 2.100,= bruto per maand vermeerderd met alle emolumenten, waaronder de vakantie toeslag, vanaf 11 december 2018 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd;

b. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te verstrekken, binnen 5 dagen na de dag waarop de beschikking wordt gegeven, de salarisspecificaties vanaf 11 december 2018, waarin de betaling van het sub a genoemde salaris is verwerkt, op straffe van een dwangsom ad € 100,= per dag, met een maximum ad € 100.000,=, voor elke dag dat Doeco hieraan niet voldoet;

c. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te betalen de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging over het hem toekomende loon;

d. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te betalen de buitengerechtelijke kosten;

e. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te betalen de wettelijke rente over de vorengenoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

B. In de hoofdzaak:

Primair:

De veroordeling van Doeco, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

a. om [verzoekende partij, tevens verwerende partij] binnen twee dagen na de datum waarop deze beschikking wordt gegeven toe te laten tot het werk om de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom ad € 500,= voor elke dag of een gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;

b. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te betalen de wettelijke rente over de onder f genoemde kosten vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

De veroordeling van Doeco, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

c. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te betalen de billijke vergoeding ad € 12.600,=;

d. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te betalen een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren / van rechtswege zou zijn geëindigd, te weten een bedrag ad € 12.600,=;

e. om aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] binnen twee dagen na de datum waarop deze beschikking wordt gegeven een schriftelijke en deugdelijke netto / bruto specificaties te verstrekken, waarin de bedragen en betaling van sub c en d zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ad € 100,= per dag, met een maximum van € 10.000,= voor elke dag dat zij hieraan niet voldoet;

f. de betaling aan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] van de wettelijke verhoging van 50% over het [verzoekende partij, tevens verwerende partij] toekomende loon;

g. de betaling [verzoekende partij, tevens verwerende partij] van de wettelijke rente over de sub c, d, e en f genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

C. In het incident en in de hoofdzaak:

Met veroordeling van Doeco in de kosten van de procedures, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum waarop deze beschikking wordt gegeven.

2.2

[verzoekende partij, tevens verwerende partij] legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Hij is vanaf 18 juni 2018 bij Doeco in dienst als junior accountmanager binnen- buitendienst. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 2.100,= bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten. Doeco heeft hem op 11 december 20178 een brief geschreven waarin zij onder meer het volgende heeft vermeld:

Hierbij bevestig ik ons gesprek van vandaag. Helaas heb ik moeten besluiten om jou vandaag op staande voet te ontslaan. De reden luiden als volgt.

Je bent bij ons werkzaam op basis van een tijdelijk dienstverband in een functie waarmee je enorm veel contacten hebt met onze klanten. Als je op bezoek bent bij deze relaties,ben ik daar zelf meestal niet bij. Ik kan dus niet controleren wat er gezegd wordt, omdat jij buiten mijn gezichtsveld opereert. Ik moet jou daarom altijd blind kunnen vertrouwen.

Dit vertrouwen is ernstig geschaad door het feit dat je afspraken met klanten niet nakomt. Gisteren, 10-12-2018 ben je direct van kantoor naar huis gegaan terwijl je volgens je agenda nog twee afspraken had staan. (…)

(…)

[verzoekende partij, tevens verwerende partij] kan zich niet in deze opzegging vinden en verzoekt primair de vernietiging van het ontslag. Hij heeft steeds naar behoren gefunctioneerd. Uit de verklaring van [bedrijf] (productie A bij de brief van mr. Verbeek d.d. 29 maart 2019) blijkt dat hij die klant op 10 december 2018 heeft bezocht. Hij was, zoals zijn advocaat ter terechtzitting heeft toegelicht, op 10 december 2018 vanuit Waddinxveen eerst naar huis gereden, alwaar hij [een collega] heeft gezien en heeft gesproken, om daar oude, van Doeco afkomstige pallets te brengen als hout voor de open haard. Daarna is hij alsnog naar zijn afspraak gegaan. [verzoekende partij, tevens verwerende partij] heeft geen baan van negen tot vijf; hij moet omzet scoren. Bij zijn incidentele verzoeken heeft hij een spoedeisend belang.

2.3

Doeco verzoekt om de afwijzing van de verzoeken van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] , met veroordeling van hem in de kosten van de procedures. Daartoe voert hij het volgende aan. [verzoekende partij, tevens verwerende partij] is op 18 juni 2018 voor 1 jaar als junior accountmanager in dienst getreden van Doeco. Uit hoofde van zijn functie bezoekt hij zelfstandig klanten en relaties van Doeco. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is vastgelegd dat hij werkt van maandag tot en met donderdag van 08.30 uur tot 17.00 uur en op vrijdag van 08.30 uur tot 16.00 uur. De accountmanagers bij Doeco werken voornamelijk buiten het zicht van Doeco. Om enige controle mogelijk te maken moeten de accountmanagers elke week een planning maken, welke wordt gedeeld met de rest van het team en met de commercieel directeur, en moeten zij bezoekverslagen maken. Vrij nsel na de indiensttreding van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] bleek dat hij niet goed plande. Er was kritiek op zijn functioneren. Hij bezocht te weinige klanten en vaak te kleine klanten. Zijn routes waren niet efficient en gespreksverslagen ontbraken. Daarnaast bezocht hij klanten zonder een voorafgaande afspraak, waardoor hij vaak voor niets kwam. Het was kortom niet duidelijk waaraan [verzoekende partij, tevens verwerende partij] zijn werktijd besteedde. [verzoekende partij, tevens verwerende partij] is er bij herhaling op aangesproken dat hij zijn planning moest verbeteren en hem is gezegd hoe hij dat moest doen. Op verzoek van de directeur van Doeco heeft een collega hem daarbij geholpen. Tot een verbetering leidde dit niet. Hij bleef te weinig bezoeken inplannen, hij bleek bezoeken af te leggen zonder voorafgaande afspraak en bezocht in een korte periode dezelfde cliënten bij herhaling. De kritiek op het functioneren van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] sloeg eind 2018 om in wantrouwen. De indruk bestond dat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] niet helemaal eerlijk was over de werkzaamheden die hij wel of juist niet verrichtte. De vraag rees of [verzoekende partij, tevens verwerende partij] de afspraken die in zijn agenda stonden daadwerkelijk nakwam. Het viel collega’s op dat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] bij het wegrijden van de vestiging van Doeco te Waddinxveen niet de afslag nam richting de snelweg naar Rotterdam, waar hij volgens zijn agenda afspraken had, maar de afslag nam richting de snelweg naar Utrecht / richting [woonplaats] , alwaar hij woont. Op 10 december 2018 zou [verzoekende partij, tevens verwerende partij] samen met [een collega] een planning maken voor de klantbezoeken in of omstreeks week 50. De agenda was hiervoor vrij gehouden. Tijdens het overleg meldde [verzoekende partij, tevens verwerende partij] onverwacht dat hij die middag in Wateringen een klant moest bezoeken. Hij is te circa 14.30 uur vertrokken van kantoor. Uit de controle van zijn agenda bleek dat hij die middag twee afspraken had, één te Wateringen en één te Blaricum. Deze afspraken waren niet eerder in zijn agenda gezien. Deze afspraken waren, gelet op de te rijden afstanden, bovendien niet logisch gepland. Nadat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] van kantoor was vertrokken heeft de directeur van Doeco [een collega] gevraagd om langs het huis van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te [woonplaats] te rijden om te controleren of hij daar was. [een collega] is te 15.15 uur uit Waddinxveen vertrokken. Aangekomen in de straat waar [verzoekende partij, tevens verwerende partij] woont, zag hij daar diens auto staan, zag hij hem vlak daarna uit zijn woning komen en heeft hij kort met hem gesproken. Op 11 december 2018 heeft de directeur van Doeco met [verzoekende partij, tevens verwerende partij] gesproken en heeft hij hem om uitleg gevraagd. Een afdoende verklaring voor het gebeurde heeft hij niet gegeven. De verklaring die zijn advocaat ter terechtzitting heeft gegeven, is ongeloofwaardig. Doeco heeft [verzoekende partij, tevens verwerende partij] om die reden terecht op staande voet ontslagen, zodat geen van zijn verzoeken is toe te wijzen. Voor het geval het hem gegeven ontslag geen stand zou houden is te concluderen dat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, althans heeft gedisfunctioneerd, althans dat de verhouding tussen partijen ernstig is verstoord, zodat de arbeidsovereenkomst met hem ontbonden moet worden.

2.4

Doeco verzoekt, voor het geval de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, met veroordeling van hem in de proceskosten.

2.5

Doeco legt aan haar verzoek ten grondslag hetgeen hiervoor is vermeld. [verzoekende partij, tevens verwerende partij] verweert zich hier tegen met hetgeen hiervoor is vermeld.

2.6

De kantonrechter overweegt het volgende.

2.7

Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat het volgende vast. [verzoekende partij, tevens verwerende partij] is met ingang van 18 juni 2018 voor de duur van 1 jaar bij Doeco in dienst getreden als junior accountmanager binnen- en buitendienst. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is vastgelegd dat hij werkt van maandag tot en met donderdag van 08.30 uur tot 17.00 uur en op vrijdag van 08.30 uur tot 16.00 uur. Het salaris van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] bedroeg laatstelijk € 2.100,= bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Op 10 december 2018 heeft hij met [een collega] in de middag, ten kantore van Doeco te Waddinxveen, overleg gevoerd over de planning van zijn klantbezoeken in of omstreeks week 50. Tijdens dat overleg gaf [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te kennen dat hij die middag te Wateringen een klantbezoek had af te leggen. In zijn agenda bleken voor die middag twee klantbezoeken te zijn genoteerd, te weten het klantbezoek te Wateringen en een klantbezoek te Blaricum. Op 10 december 2018 te circa 14.30 uur is [verzoekende partij, tevens verwerende partij] vanuit het kantoor van Doeco te Waddinxveen vertrokken. [een collega] is te circa 15.15 uur vanuit dezelfde locatie vertrokken. Hij is naar de woning van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] te [woonplaats] gereden. Bij hem in de straat heeft hij zijn auto zien staan, heeft hij hem uit zijn woning zien komen en hebben zij kort met elkaar gesproken. Op 11 december 2018 heeft de directeur van Doeco over dit voorval met [verzoekende partij, tevens verwerende partij] gesproken. Hij heeft hem die dag op staande voet ontslagen, welk ontslag hem is bevestigd bij de in rechtsoverweging 2.2 geciteerde brief.

2.8

De eerst tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak betrokken stelling van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] , dat hij 10 december 2018 te circa 14.30 uur vanuit de vestiging van Doeco te Waddinxveen naar huis is gereden, om thuis oude, van Doeco afkomstige, voor de open haard bestemde pallets af te leveren, waarna hij vanuit [woonplaats] naar Wateringen is gereden om aldaar [bedrijf] te bezoeken, is niet aannemelijk. Het valt niet in te zien dat een vertegenwoordiger als [verzoekende partij, tevens verwerende partij] vanuit Waddinxveen naar zijn woning te [woonplaats] rijdt (een in oostelijke richting af te leggen afstand van circa 42 kilometer) om vervolgens vanuit [woonplaats] alsnog naar Wateringen te rijden (een in westelijke richting af te leggen afstand van circa 89 kilometer). Een dergelijke route is niet logisch. De verklaring van [bedrijf] , die [verzoekende partij, tevens verwerende partij] bij de brief van zijn gemachtigde d.d. 29 maart 2019 in het geding heeft gebracht (inhoudende: Op 10 december was je bij langs geweest ivm met het showroom van ons te Wateringen. Samen hebben we bekeken wat jullie als Doeco nog zouden kunnen aanvullen aan kranen, spoelbakken etc.) leidt niet tot een andere conclusie. Bij de waardering van die verklaring is van belang dat Doeco onbetwist heeft aangevoerd dat de eigenaar van [bedrijf] een goede kennis of vriend is van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] . Doeco heeft daar niet ten onrechte de conclusie aan verbonden dat niet is uit te sluiten dat die verklaring pour les besoins de la cause is opgemaakt. Van belang is verder dat uit die verklaring niet blijkt op welk tijdstip [verzoekende partij, tevens verwerende partij] bij het bedrijf te Wateringen zou zijn gearriveerd. Van belang is voorts dat niet vast staat dat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] in de middag van 10 december 2018 met oude pallets in zijn auto naar zijn woning is gereden, nu Doeco ter terechtzitting onbetwist heeft gezegd dat zij [verzoekende partij, tevens verwerende partij] dit niet eerder heeft horen verklaren en de pallets van Doeco de pallets van Doeco zijn, zodat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] deze niet zonder haar toestemming, welke niet is gevraagd of gegeven, mag afvoeren. De advocaat van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] heeft op de terechtzitting van 5 april 2019 desgevraagd voorts niet kunnen bevestigen dat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] , die zelf niet ter terechtzitting is verschenen, de beschikking heeft over een open haard. Het is voorts niet gebleken dat de afspraak die [verzoekende partij, tevens verwerende partij] in zijn agenda had genoteerd voor een klantbezoek te Blaricum, reëel was en dat hij daar op 10 december 2018 is geweest. Eén en ander leidt tot de conclusie dat als vaststaand is aan te nemen dat [verzoekende partij, tevens verwerende partij] op 10 december 2018 te circa 14.30 uur, gedurende werktijd, van het werk is vertrokken en naar huis is gegaan en hij zijn werkgeefster, met zijn in zijn agenda genoteerde afspraken, heeft voorgelogen dat hij naar Wateringen en Blaricum moest, alwaar hij toen niet is geweest. Dit levert een dringende reden (in de zin van artikel 7:678 BW) op voor zijn ontslag. Daarbij is van belang dat, zoals Doeco heeft aangevoerd, een werkgever als Doeco er in beginsel blindelings op moet kunnen vertrouwen dat een vertegenwoordiger als [verzoekende partij, tevens verwerende partij] de klantbezoeken aflegt die in zijn agenda zijn genoteerd, omdat het niet of lastig controleerbaar voor haar is of hij dat doet. Feiten en omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat in de gegeven omstandigheden anders is te oordelen, zijn niet (voldoende) gesteld of anderszins gebleken. De verzoeken van [verzoekende partij, tevens verwerende partij] zijn daarom af te wijzen. Op het voorwaardelijke tegenverzoek van Doeco behoeft aldus niet te worden beslist.

2.9

[verzoekende partij, tevens verwerende partij] is de partij die bij deze beschikking in het ongelijk wordt gesteld. Hij wordt om die reden veroordeeld in de kosten van de procedure.

3 De beslissing

De kantonrechter:

In het incident en in de hoofdzaak:

wijst de verzoeken af;

veroordeelt [verzoekende partij, tevens verwerende partij] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van Doeco tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 800,= voor salaris gemachtigde.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Nijenhuis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2019.