Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4431

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
AWB 18/7324
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezinsherenigingsrichtlijn; artikel 4:6 Awb

De rechtbank is met eisers van oordeel dat het toepassen van de strikte toets van artikel 4:6 van de Awb, gelet op het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn, namelijk de hereniging van in dit geval een moeder met haar kinderen, evident onredelijk is. Het gaat hier enkel om de toestemmingsverklaring of anders gezegd: het ontbreken daarvan. In de eerdere procedure is geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er voldoende inspanningen zijn verricht om aannemelijk te maken dat er geen toestemmingsverklaring kan worden overgelegd. Na afloop van die procedure hebben eisers nog meer onderzoek verricht en de uitkomsten daarvan ten grondslag gelegd aan hun onderhavige aanvraag. Door met toepassing van artikel 4:6 van de Awb te oordelen dat de resultaten van dat onderzoek niet kunnen worden aangemerkt als nova, omdat die in de eerste procedure hadden kunnen en derhalve hadden moeten worden ingebracht, maakt dat het nadere onderzoek dat eisers hebben gedaan min of meer zinledig is en niet zal kunnen leiden tot een hereniging van referente met haar kinderen. De rechtbank is van oordeel dat zulks in strijd is met het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/7324

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] ,

[eiser 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] ,

[eiser 3] ,

geboren op [geboortedatum 3] ,

allen van Eritrese nationaliteit,

eisers,

(gemachtigde: mr. M.L. van Riel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.

Bij besluit van 4 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Referente [naam 1] is verschenen. Als tolk is de heer [naam 2] verschenen. Verweerder is, zoals vooraf aangekondigd, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Referente heeft sinds 28 oktober 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij heeft op 6 november 2014 namens eisers een eerste aanvraag ingediend om verlening van een mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis. Referente stelt de moeder van eisers te zijn. Bij besluit van 15 juni 2015 is deze aanvraag afgewezen. Eisers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 1 december 2015 is het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard. Voorts is het beroepschrift bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 23 december 2015 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het hoger beroepschrift bij uitspraak van 28 juli 2016 kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 23 december 2015 bevestigd. Het besluit van 15 juni 2015 staat daarmee in rechte vast.

  2. Vervolgens heeft referente op 2 juni 2017 namens eisers onderhavige en tweede aanvraag ingediend om verlening van een mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis. Daartoe heeft zij de volgende documenten overgelegd:
    - UNHCR Verification Request;
    - E-mail van UNHCR (van onbekende datum) waarin staat dat de UNHCR Nederland het verblijf van de man van referente in een vluchtelingenkamp in Ethiopië en Soedan niet heeft kunnen bevestigen;
    - Nieuwe brief van referente aan het Nederlandse Rode Kruis van 13 december 2016 met betrekking tot een tracingsverzoek;
    - Schriftelijke reactie van het Nederlandse Rode Kruis van 20 december 2016: het dossier is gesloten;
    - Facebook bericht ‘missing Eritreans’;
    - Brief van Eritrese Orthodoxe Tewahdo Kerk te Keren van 30 juni 2016, inclusief vertaling;
    - Kopie van een familiekaart/bewonerspas van referente met vermelding van de naam van de kinderen, afgegeven op 21 juli 2010;
    - Brief of e-mail van onbekende datum gericht aan [naam 3] en van onbekende afzender(s), inclusief vertaling en met een kopie van de enveloppe;
    - Begeleidend schrijven van de gemachtigde van eisers van 31 mei 2017 met informatie inzake bewijsnood identiteit en familieband (kopieën van drie doopaktes met vertaling), alsmede achtergrond informatie over referente, haar echtgenoot, zijn verdwijning en de zoektocht naar de vermiste man.

  3. Verweerder heeft (bij primair besluit en gehandhaafd bij het bestreden besluit) de tweede aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij is van belang geacht dat waar het contact met en de documenten van de UNHCR betrof niet viel in te zien om welke reden eisers niet eerder, bijvoorbeeld tijdens de vorige mvv-aanvraag, contact hebben gezocht met de UNHCR. Dit oordeel geldt tevens voor de documenten en verklaringen die eisers inzake het tracingsverzoek van het Rode Kruis, het bericht op Facebook en het contact met de tante van eisers hebben overgelegd. De brief van de Orthodoxe kerk van 30 juni 2016 betreft een verklaring van derden en informatie uit een niet objectieve verifieerbare bron waardoor aan de brief niet de door eisers gewenste waarde kon worden gehecht en deze daarom – net als de hiervoor vermelde documenten – geen rechtens relevant novum betreft. Ook de achtergrondinformatie over de vermiste ouder/partner van referente en de zoektocht naar hem betreft geen rechtens relevant novum nu ook die informatie eerder verstrekt en geconcretiseerd had kunnen worden.

  4. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Voor zover van belang wordt in het navolgende ingegaan op hetgeen namens eisers tegen het bestreden besluit is aangevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131), is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er bij overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

5.2.

Als het bestuursorgaan overeenkomstige toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn (eerste stap).

5.3

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. De aanvrager dient de nova uiterlijk in de bezwaarfase naar voren te brengen, zie bijvoorbeeld de uitspaak van de Afdeling van 19 mei 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM4952).

5.4

De rechtbank oordeelt dat verweerder, gelet op de stukken die eisers hebben overgelegd bij hun herhaalde aanvraag, zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onder rechtsoverweging 2 vermelde verklaringen reeds in de vorige procedure ingebracht hadden kunnen en moeten worden.

5.5

Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nova zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is, zie de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1632).

5.6

Eisers hebben gesteld dat de gebruikmaking van verweerder van zijn bevoegdheid om de herhaalde aanvraag af te wijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb evident onredelijk is, omdat het in strijd is met het doel en nuttig effect van de Richtlijn 2003/86 (de Gezinsherenigingsrichtlijn), alsmede in strijd is met het belang van de kinderen die zonder ouders opgroeien en in wiens belang het is zich zo spoedig mogelijk met hun moeder te herenigen, aldus eisers.

5.7

Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat hoewel referente wel onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt, dat niet voor eisers geldt. Artikel 4, eerste lid, onder c van de Gezinsherenigingsrichtlijn schrijft volgens verweerder voor dat de lidstaten toestemming tot toegang en verblijf geven aan de minderjarige kinderen van de gezinshereniger, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd. Daarvan is niet gebleken en reeds hierom kan volgens verweerder eisers beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn niet slagen. Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat het enkele feit dat de toestemmingsverklaring er niet is, niet wil zeggen dat de gehele Gezinsherenigingsrichtlijn niet op eisers van toepassing is. De Gezinsherenigingsrichtlijn is volgens eisers ingevolge artikel 3, eerste lid van toepassing, omdat de gezinshereniger/referente in Nederland verblijft. Daarnaast dient er een belangenafweging plaats te vinden die in het voordeel van eisers dient uit te vallen. Ingevolge artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn dient verweerder met de hechtheid van het gezin rekening te houden.

5.8

Artikel 3, eerste lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalt, voor zover hier relevant, het volgende:

1. Deze richtlijn is van toepassing wanneer de gezinshereniger wettig in een lidstaat verblijft, in het bezit is van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel met een geldigheidsduur van één jaar of langer en reden heeft om te verwachten dat hem een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend, indien de leden van zijn gezin onderdanen van een derde land met ongeacht welke status zijn.

De rechtbank overweegt dat uit voormeld artikel volgt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn zowel op referente/gezinshereniger als eisers/de leden van haar gezin van toepassing is. Immers, referente verblijft wettig in Nederland, zij heeft sinds 28 oktober 2014 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zij heeft tevens reden om te verwachten dat haar een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend, en eisers zijn onderdanen van een derde land.

5.9

Artikel 4, eerste lid, onder c van de Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“1. De lidstaten geven uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de volgende gezinsleden:

(…)

“c) de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de gezinshereniger, indien de gezinshereniger het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd;”

De rechtbank overweegt dat uit voormeld artikel blijkt dat op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn toestemming wordt gegeven tot toegang en verblijf. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat hieruit volgt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn ook op eisers van toepassing is. Echter, zolang de toestemmingsverklaring er niet is, hoeft verweerder geen toestemming tot toegang en verblijf te verlenen.

5.10

Gelet op het hiervoor overwogene onder 5.8 en 5.9 is de rechtbank van oordeel dat de Gezinsherenigingsrichtlijn zowel op referente als eisers van toepassing is. Voorts is de rechtbank met eisers van oordeel dat het toepassen van de strikte toets van artikel 4:6 van de Awb, gelet op het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn, namelijk de hereniging van in dit geval een moeder met haar kinderen, evident onredelijk is. Het gaat hier enkel om de toestemmingsverklaring of anders gezegd: het ontbreken daarvan. In de eerdere procedure is geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er voldoende inspanningen zijn verricht om aannemelijk te maken dat er geen toestemmingsverklaring kan worden overgelegd. Na afloop van die procedure hebben eisers nog meer onderzoek verricht en de uitkomsten daarvan ten grondslag gelegd aan hun onderhavige aanvraag. Door met toepassing van artikel 4:6 van de Awb te oordelen dat de resultaten van dat onderzoek niet kunnen worden aangemerkt als nova, omdat die in de eerste procedure hadden kunnen en derhalve hadden moeten worden ingebracht, maakt dat het nadere onderzoek dat eisers hebben gedaan min of meer zinledig is en niet zal kunnen leiden tot een hereniging van referente met haar kinderen. De rechtbank is van oordeel dat zulks in strijd is met het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

5.11

De rechtbank stelt wel vast dat verweerder in het bestreden besluit het subsidiaire standpunt heeft ingenomen dat de in bezwaar gegeven verklaringen en overgelegde bescheiden, naast dat deze alle eerder overgelegd hadden kunnen en dus moeten worden, geen nova vormen nu deze niet af kunnen doen aan het onherroepelijk geworden besluit op de eerste aanvragen. Verweerder heeft evenwel in het primaire besluit enkel geoordeeld dat geen sprake is van nova. De inhoudelijke beoordeling van de stukken heeft derhalve eerst plaatsgevonden in het bestreden besluit. Gelet hierop had het voor de hand gelegen dat verweerder referente en eisers had gehoord om met eisers te bespreken waarom verweerder vindt dat de overgelegde stukken niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit dat in rechte is komen vast te staan. Met andere woorden: verweerder had tijdens de hoorzitting aan eisers duidelijk kunnen maken waarom met deze stukken nog steeds niet aannemelijk is gemaakt dat er voldoende inspanningen zijn verricht om aannemelijk te maken dat er geen toestemmingsverklaring kan worden overgelegd. Eisers hadden daarop dan kunnen reageren en/of hadden eventueel nog nader onderzoek kunnen aankondigen om zo tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. In de gronden van beroep en de aanvullende gronden van 28 december 2018 gaan eisers ook uitgebreid in op de redenen waarom zij wel degelijk vinden dat aannemelijk is gemaakt dat een toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd omdat hun vader verdwenen is. Overigens is verweerder op voormelde uitgebreide toelichting in zijn verweerschrift van 18 december 2018 niet ingegaan en was verweerder ook niet ter zitting aanwezig om daarop alsnog te reageren. Voorts hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat verweerder zijn subsidiaire standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd door elk stuk afzonderlijk te beoordelen in plaats van alle stukken in onderling verband en samenhang bezien, ook met het relaas en de algemene situatie in Eritrea.

6. Gelet op het voorgaande is er in strijd gehandeld met de hoorplicht en met het motiveringsvereiste. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met in achtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

7. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.024,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 512,00 en een wegingsfactor 1).

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 170,00 zal vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.