Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4410

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
C-09-571403-KG ZA 19-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Nakoming vaststellingsovereenkomst tussen (beboete) huizenhandelaren en de ACM, met het oog op de afgesproken (voortvarende) afwikkeling van aanvullende vermogensschade van de huizenhandelaren. Geen afstand beroep op ontbreken causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/571403 / KG ZA 19-331

Vonnis in kort geding van 3 mei 2019

in de zaak van

1 [eisers 1 tot en met 24]

te [woonplaatsen] .

eisers,

advocaten mrs. S.M.M.C. Vinken te Waalre en J.M.M. van de Hel te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag,

(ministerie van Economische Zaken en Klimaat, in het bijzonder de Autoriteit Consument en Markt),

gedaagde,

advocaten mrs. W.I. Wisman en E.H. Pijnacker Hordijk te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als enerzijds 'Eisers' en anderzijds 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 april 2019, met producties;

- het herstelexploot van 15 april 2019;

- de brief van Eisers van 15 april 2019, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de op 19 april 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De Autoriteit Consument en Markt (hierna 'ACM') is een onafhankelijke toezichthouder die onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken en Klimaat valt. Zij houdt toezicht op de mededinging, een aantal specifieke sectoren en het consumentenrecht.

2.2.

In 2009 is de ACM een onderzoek gestart naar vermeende kartelafspraken tussen huizenhandelaren op executieveilingen. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat door middel van boetebesluiten op 13 december 2011 aan 14 huizenhandelaren en op 7 januari 2013 aan 65 huizenhandelaren boetes zijn opgelegd wegens betrokkenheid bij vermeende kartelvorming op executieveilingen in de periode van 2000 tot en met 2009.

2.3.

De betreffende huizenhandelaren, onder wie Eisers, hebben tegen de boetebesluiten bezwaar gemaakt, dat door de ACM ongegrond is verklaard. Daartegen zijn de huizenhandelaren in beroep gegaan bij de rechtbank Rotterdam, die de besluiten op bezwaar van de ACM in stand liet.

2.4.

Vervolgens hebben 61 van de beboete huizenhandelaren hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna 'CBb'). Bij uitspraak van 3 juli 2017 heeft het CBb dat beroep gegrond verklaard, onder vernietiging van de oorspronkelijke boetebesluiten van de ACM.

2.5.

Hierna hebben tussen (de advocaten van) Eisers en de ACM onderhandelingen plaatsgevonden over een minnelijke regeling met betrekking tot de door de huizenhandelaren geleden schade als gevolg van de vernietigde boetebesluiten.

2.6.

Die onderhandelingen hebben er uiteindelijk toe geleid dat tussen de Staat (lees: de ACM) en een aantal huizenhandelaren - onder wie Eisers, doch telkens afzonderlijk - een vaststellingsovereenkomst ('VSO') tot stand is gekomen. Voor zover hier van belang is daarin het volgende opgenomen:

" Overwegende:

(…)

(f) Partijen hebben overeenstemming bereikt over de finale beëindiging van het aldus ontstane geschil en de hoogte van de vergoeding te betalen door ACM aan (…) met dien verstande dat ACM aanvaardt dat (…) geen afstand doet van het recht om van ACM een aanvullende vergoeding van vermogensschade te vorderen binnen de grenzen en onder de voorwaarden als in deze vaststellingsovereenkomst omschreven.

(g) Partijen verbinden zich om na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst te komen tot een voortvarende afwikkeling van de aanvullende vermogensschade voor zover (…) deze uiterlijk op 1 december 2018 (voorzien van een nadere onderbouwing en bewijsmiddelen) aan de ACM kenbaar heeft gemaakt.

(h) Partijen beogen met deze overeenkomst te voorzien in een allesomvattende regeling ter zake alle mogelijke gevolgen (voorzienbaar en onvoorzienbaar, bekend en onbekend, huidig en toekomstig) van het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, met uitzondering van de hiervoor onder (f) bedoelde vermogensschadeschadeposten voor zover het totaal aan te vorderen vermogensschade het bedrag zoals opgenomen in artikel 1.2, onder a van deze vaststellingsovereenkomst overstijgt.

(…)

Komen als volgt overeen:

Artikel 1 (vergoeding en betaling)

1.1

ACM betaalt aan (…) een bedrag van in totaal € 35.000 overeenkomstig artikelen 1.2 en 1.3 hieronder en onder de voorwaarden zoals opgenomen in deze vaststellingsovereenkomst (" Schikkingsbedrag ").

1.2

Het schikkingsbedrag is als volgt opgebouwd:

a.

- € 17.000,= indien uiterlijk op 1 december 2018 in totaal minder dan 30 gelijkluidende overeenkomsten door de betreffende handelaren rechtsgeldig zijn ondertekend en aan ACM ter hand gesteld; of

- € 20.000,= indien uiterlijk op 1 december 2018 in totaal meer dan 29 maar minder dan 44 gelijkluidende overeenkomsten door de betreffende handelaren rechtsgeldig zijn ondertekend en aan ACM ter hand gesteld; of

- € 25.000,= indien uiterlijk op 1 december 2018 in totaal ten minste 44 handelaren gelijkluidende overeenkomsten door de betreffende handelaren rechtsgeldig zijn ondertekend en aan ACM ter hand gesteld,

strekt tot vergoeding van vermogensschade zoals omschreven in artikel 4.2 als gevolg van de Besluiten alsmede ter vergoeding van kosten van juridisch advies ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte, een en ander als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b. en c. BW; en

b. € 10.000,= strekt tot vergoeding van alle andere schade (waaronder, maar niet beperkt tot niet-vermogensschade) welke (…) stelt te hebben geleden als gevolg van het onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving.

(…)

Artikel 2 (aansprakelijkheid)

2.1 (…)

bevestigt dat betaling van het schikkingsbedrag niet impliceert dat ACM enige aansprakelijkheid met betrekking tot het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, heeft erkend.

Artikel 3 (finale kwijting)

3.1 (…)

verklaart hierbij dat zij behoudens het in artikel 4 van deze overeenkomst bepaalde, niets (meer) van ACM te vorderen heeft met betrekking tot het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, ook voor zover aanspraken mochten voortvloeien uit feiten, oorzaken en/of omstandigheden welke ten tijde van het ondertekenen van deze overeenkomst niet bekend waren of konden zijn en alle daaruit voortgevloeide en nog voortvloeiende gevolgen en daarmee anderszins verband houdende gevolgen, van welke aard dan ook.

3.2 (…)

verleent, behoudens het in artikel 4 van deze overeenkomst bepaalde, ACM in verband met voornoemde feiten en omstandigheden volledige en finale kwijting.

(…)

Artikel 4 (uitzonderingen op finale kwijting)

4.1

De hiervoor in artikel 3 bedoelde finale kwijting omvat alle schade van (…) (voorzienbaar en onvoorzienbaar, bekend en onbekend, huidig en toekomstig) als gevolg van het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, met uitzondering van de in artikel 4.2 uitputtend omschreven vermogensschadeposten voor zover het totaal aan te vorderen vermogensschade het bedrag zoals opgenomen in artikel 1.2, onder a. van deze vaststellingsovereenkomst overstijgt.

4.2

De volgende vermogensschadeposten zijn uitgezonderd van de in artikel 3 opgenomen finale kwijting, mits:

i. de vermogensschade onder a. tot en met f. hieronder is ontstaan in de periode vanaf de datum van het Boetebesluit tot 3 juli 2017, voor zover deze het bedrag vermeld in artikel 1.2, onder a. van deze vaststellingsovereenkomst overstijgt; alsmede

ii. (…) uiterlijk op 1 december 2018 bij ACM het bedrag en de onderbouwing van haar vordering, vergezeld van de nodige schriftelijke bewijsstukken, heeft meegedeeld respectievelijk heeft ingediend,

steeds voor zover ACM wettelijk verplicht is deze vermogensschadeposten te vergoeden:

a. vermogensschade door (hogere) kosten voor de financiering van transacties en beleggingen in onroerend goed, waaronder door (…) betaalde hogere rente als gevolg van de opzegging door een (of meer) derde(n) (waaronder banken) van een (of meer) (krediet)relatie(s) als gevolg van de Besluiten;

b. gederfde winst of geleden verlies als gevolg van gedwongen verkoop van onroerend goed door (…) als gevolg van de Besluiten;

c. vermogensschade door (hogere) kosten in verband met het oversluiten van een of meerdere (hypotheek)lening(en) voor onroerende goederen door (…) als gevolg van de Besluiten;

d. gederfde winst of geleden verlies als gevolg van een (of meer) niet doorgegane en/of misgelopen transactie(s) in onroerend goed tussen (…) en een of meer derden als gevolg van de Besluiten;

e. gederfde winst of geleden verlies met betrekking tot de aan- en verkoop van onroerend goed door (…) als gevolg van de Besluiten;

f. redelijke kosten van juridisch en financieel advies ter vaststelling van schade, alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte, een en ander als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b. en c. BW, voor zover gemaakt tussen 3 juli 2017 en 1 december 2018 ter verkrijgen van vergoeding van de hiervoor onder a. tot en met e. genoemde schadeposten;

een en ander maximaal tot het bedrag zoals door (…) ingevolge het hiervoor onder ii. bepaalde uiterlijk op 1 december 2018 aan ACM is meegedeeld, zulks te vermeerderen met:

i. wettelijke rente over de hiervoor onder a. tot en met e. genoemde schadeposten vanaf het moment van het ontstaan van de verplichting tot betaling van schadevergoeding van ACM aan (…) tot het moment van betaling; en

iii. redelijke kosten van juridisch en financieel advies ter vaststelling van schade, alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte, een en ander als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b. en c. BW, voor zover gemaakt na 1 december 2018 ter verkrijgen van vergoeding van de hiervoor onder a. tot en met e. genoemde schadeposten.

(…)

4.4 (….)

dient op straffe van verval van recht een vordering tot vergoeding van vermogensschade als omschreven in 4.3, voor zover de gestelde schade het bedrag zoals opgenomen in 1.2, onder a. van deze vaststellingsovereenkomst te boven gaat, uiterlijk op 1 juli 2019 in rechte aanhangig te maken bij de rechtbank te 's-Gravenhage.

Artikel 5 (Inwerkingtreding)

5.1

Deze overeenkomst treedt in werking bij vervulling van de onderstaande opschortende voorwaarden:

i. rechtsgeldige ondertekening en indiening bij ACM van 20 inhoudelijk gelijkluidende overeenkomsten door bij het Collectief aangesloten handelaren alsmede mede-appellanten in de procedures bij het CBb tegen de tot de betreffende handelaren gerichte boetebesluiten;

ii. rechtsgeldige ondertekening van deze overeenkomst door (…)

5.2

De opschortende voorwaarden dienen uiterlijk op 1 december 2018 te zijn vervuld. Indien deze niet uiterlijk op 1 december 2018 zijn vervuld, wordt deze vaststellingsovereenkomst geacht niet tot stand te zijn gekomen en zal zij derhalve niet in werking treden."

2.7.

Vóór 1 december 2018 hebben 48 huizenhandelaren, onder wie Eisers, de VSO ondertekend bij de ACM ingediend; 18 huizenhandelaren dienden vóór die datum een onderbouwde aanvullende vermogensclaim in bij de ACM. Vervolgens heeft de ACM aan hen de door haar en de betreffende huizenhandelaar ondertekende VSO doen toekomen, onder de mededeling dat het afgesproken bedrag ad € 35.000,-- uiterlijk op 24 december 2018 zal worden betaald. Aan de huizenhandelaren die ook een - onderbouwde - aanvullende vermogensschadeclaim hadden ingediend berichtte de ACM daarbij: "Deze claim zal voortvarend worden opgepakt. De ACM streeft ernaar hierover met u tot overeenstemming te komen. Wij zullen u hierover begin volgend jaar met uw advocaten contact opnemen."

2.8.

Aan voormelde toezegging betreffende de betaling van een bedrag van € 35.000,-- heeft de ACM voldaan.

2.9.

Op 18 februari 2019 heeft het CBb in een procedure van een drietal huizenhandelaren (niet zijnde één van de Eisers), ten aanzien waarvan het onderzoek in de uitspraak van 3 juli 2017 was heropend, een tussenuitspraak gewezen. In verband met de - volgens de ACM - mogelijk consequenties van deze uitspraak voor de aanvullende schadeclaims van Eisers, heeft de ACM voorgesteld de in artikel 4.4 van de VSO opgenomen vervaltermijn op te schuiven tot na de einduitspraak van het CBb in die zaak. Eisers zijn daarmee niet akkoord gegaan.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - de Staat, op straffe van verbeurte van een dwangsom:

I. te veroordelen tot nakoming van de VSO's;

II. te veroordelen tot nakoming van de afspraak in de VSO's om de afwikkeling van de aanvullende vermogensschade voortvarend af te wikkelen;

III. te verplichten Eisers te informeren of vaststelling van de aanvullende vermogensschade zal plaatsvinden, opdat zij tijdig, doch uiterlijk op 1 juni 2019, een beroep kunnen doen op artikel 4.4 van de VSO;

IV. te verplichten de dialoog met Eisers aan te gaan, indien op basis van de door Eisers aangeleverde onderbouwing van de aanvullende schade vragen zijn gerezen;

V. te verplichten de aanvullende vermogensschade tijdig vast te stellen, opdat Eisers tijdig, doch uiterlijk op 1 juni 2019, een beroep kunnen doen op artikel 4.4 van de VSO;

VI. te verplichten de aanvullende vermogensschade uit te keren aan Eisers;

VII. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.849,50;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voeren Eisers - samengevat - het volgende aan.

Op grond van de VSO's - in het bijzonder de overwegingen f en g en artikel 4.4 - is de ACM jegens Eisers verplicht om de afwikkeling van de aanvullende vermogensschade voortvarend af te wikkelen. Dat heeft de ACM ook nog eens toegezegd in de onder 2.7 bedoelde aanbiedingsbrieven. De ACM komt die verplichting echter niet na, nu zij heeft aangegeven de afhandeling van die schadeclaim pas te willen voortzetten na de einduitspraak van het CBb in de onder 2.9 vermelde beroepsprocedure. In afwachting daarvan maakt zij - in strijd met de afspraken - pas op de plaats. De procedure bij het CBb staat echter geheel los van de onderhavige kwestie tussen Eisers en de Staat. Er is dan ook geen enkele reden om voor wat betreft de afwikkeling van de aanvullende vermogensschade van Eisers te wachten op de eindbeslissing in die zaak. De ACM moet dan ook worden gedwongen haar voormelde verplichting per direct na te komen, aangezien vóór 1 juni 2019 duidelijk moet zijn of partijen tot overeenstemming kunnen komen over de aanvullende materiële schade. Als dat niet lukt, moet - ingevolge artikel 4.4 van de VSO's - immers een procedure aanhangig worden gemaakt bij de Haagse rechtbank. Als gevolg van de handelwijze van de ACM hebben Eisers buitengerechtelijke incassoactiviteiten moeten (laten) verrichten. De daarmee gemoeide kosten moeten worden begroot op een bedrag van € 6.849,50.

3.3.

De Staat voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Op de zitting is duidelijk geworden dat partijen verdeeld houdt of de ACM voor wat betreft de aanvullende vermogensschade waarop Eisers, althans een deel van hen, aanspraak maken, nog een beroep kan doen op het ontbreken van causaal verband tussen die schade en de vernietigde boetebesluiten.

4.2.

Volgens Eisers komt de ACM een dergelijk beroep niet toe, omdat met het sluiten van de VSO's die stap was genomen, waarmee zij kennelijk bedoelen dat de ACM - door met Eisers overeen te komen dat aan ieder van hen een schadevergoeding van in ieder geval € 35.000,-- moet worden voldaan en daarnaast - onder omstandigheden - ook aanvullende vermogensschade wordt vergoed - het causale verband tussen die aanvullende schade en de vernietigde boetebesluiten heeft erkend, dan wel afstand heeft gedaan van haar recht zich te beroepen op het ontbreken van het causale verband. Hierin kunnen Eisers echter niet worden gevolgd. Daarvoor is het volgende van belang.

4.3.

Door middel van de VSO's zijn - met het oog op een zo veel mogelijk collectieve afwikkeling van de diverse schadeclaims van beboete huizenhandelaren - (deel)schikkingen tot stand gekomen tussen Eisers en de ACM. Daarbij is overeengekomen dat de ACM aan elke Eiser in ieder geval - en zonder dat zij daarvoor bewijs behoeven leveren - een schadevergoeding van € 35.000,-- uitkeert. Dit bedrag is samengesteld uit een forfaitair bedrag van € 10.000,-- ter zake van niet-vermogensschade en een forfaitair bedrag van
€ 25.000,-- wegens vermogensschade. Voor zover huizenhandelaren aanspraak maken op een aanvullend bedrag aan vermogensschade, dienden zij dat - onderbouwd met bewijsstukken - uiterlijk op 1 december 2018 kenbaar te maken aan de ACM, waarna partijen zouden trachten om daarover tot overeenstemming te komen. Bij gebreke hiervan dienen de betreffende huizenhandelaren uiterlijk op 1 juli 2019 een procedure aanhangig te maken bij deze rechtbank.

4.4.

Aangenomen moet worden dat de ACM bereid was om de VSO's te sluiten, enerzijds omdat als gevolg van de vernietiging van de boetebesluiten vaststond dat zij onrechtmatig had gehandeld jegens de huizenhandelaren en anderzijds omdat zij - alles afwegende - tot de conclusie kwam dat een (deel)schikking de voorkeur kreeg boven een groot aantal, mogelijk jaren durende, procedures tegen de huizenhandelaren, waarvan de uitkomst onzeker was. Voor wat betreft de aanvullende vermogensschade heeft de ACM echter - anders dan met betrekking tot de schade waarop het bedrag ad € 35.000,-- betrekking heeft - alle opties (wel of geen aanvullende schadevergoeding en - indien wel - tot welke hoogte) opengehouden. Ter zake daarvan heeft de ACM Eisers in feite enkel beloofd dat de afwikkeling voortvarend zal plaatsvinden. Uit (het sluiten van) de VSO's volgt in ieder geval niet dat de ACM voor wat betreft de aanvullende vermogensschade reeds op voorhand, voor alle individuele gevallen, het causaal verband heeft erkend, dan wel afstand heeft gedaan van haar recht om zich op het ontbreken daarvan te beroepen.

4.5.

De tekst van de VSO's geeft dat in feite ook uitdrukkelijk aan, in het bijzonder waar (i) in overweging (h) is aangegeven dat de aanvullende vermogensschade is uitgezonderd van de (allesomvattende) regeling, (ii) artikel 2.1 bepaalt dat betaling van het schikkingsbedrag van € 35.000,-- niet impliceert dat de ACM enige aansprakelijkheid heeft erkend en (iii) in artikel 4.2 is vermeld dat de ACM slechts gehouden is tot vergoeding van aanvullende schade voor zover zij daartoe wettelijk verplicht is, terwijl causaal verband een wettelijk vereiste is.

4.6.

Daar komt bij dat uit een verslag van 21 september 2017 van een gesprek op 20 september 2017 tussen de advocaten van Eisers en de ACM blijkt dat:

(i) de ACM slechts bereid is schade als gevolg van de vernietigde boetebesluiten te vergoeden voor zover zij daarvoor aansprakelijk is, waarvoor zij als maatstaf hanteert een redelijke inschatting hoe een rechter hierover zou oordelen;

(ii) de ACM zich op het standpunt stelt dat schadezaken over het algemeen sterk individueel bepaald zijn en de verschillen tussen de diverse gevallen relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of zij al dan niet schadeplichtig is;

(iii) volgens het ACM pas tot begroting van geleden schade kan worden overgegaan nadat het causaal verband tussen de schade en het boetebesluit in iedere individuele casus is komen vast te staan;

(iv) één van de advocaten van Eisers (mr. Van der Hel) concludeert dat de ACM pas aansprakelijkheid erkent nadat de causaliteit is aangetoond.

Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de ACM haar visie zoals die in dit verslag is weergegeven en voor zover deze de aanvullende vermogensschade betreft, nadien heeft gewijzigd.

4.7.

Verder is van belang dat niet is bestreden dat - na de tussenuitspraak van 19 februari 2019 - de einduitspraak van de onder 2.9 vermelde beroepsprocedure bij het CBb zou kunnen meebrengen dat vraagtekens moeten worden geplaatst bij het causaal verband tussen de aanvullende materiële schade die Eisers verlangen en de vernietigde boetebesluiten. Dat het oordeel daarover van het CBb in de daar aanhangige zaak niet beslissend is in de relatie tussen de ACM en Eisers doet daar niet aan af. Het oordeel van het CBb kan wel bij de oordeelsvorming een factor zijn die in ogenschouw moet worden genomen.

4.8.

In de hiervoor geschetste omstandigheden moet in het bestek van dit kort geding worden geconcludeerd dat de ACM op goede c.q. redelijke gronden verlangt dat haar meer tijd wordt gegund om de eventuele aanvullende vermogensschade van Eisers af te wikkelen, in die zin dat daarop kan/mag worden gewacht totdat het CBb einduitspraak heeft gedaan in voormelde beroepsprocedure, ook al heeft zij zich in dat verband in de VSO's jegens Eisers verplicht tot een voortvarende afwikkeling waarbij zij ervan uitging dat een en ander vóór 1 juli 2019 zou zijn afgewikkeld. De tussenuitspraak van het CBb moet in dat kader worden aangemerkt als een nieuwe, onvoorziene, omstandigheid. Op de zitting heeft de Staat aangegeven (nog steeds) bereid te zijn de in artikel 4.4 van de VSO's vermelde vervaltermijn voor het instellen van een gerechtelijke procedure te verlengen tot zes maanden na de einduitspraak van het CBb in de beroepszaak. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Staat (lees: de ACM) die toezegging - ook na het uitspreken van dit vonnis - zal nakomen.

4.9.

De slotsom is dat de vorderingen van Eisers zullen worden afgewezen.

4.10.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van Eisers af;

5.2.

veroordeelt Eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 2.972,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 1.992,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2019.

jvl