Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4323

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
C/09/559953 / HA RK 18-472
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijdering BKR-registratie toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/559953 / HA RK 18-472

Beschikking van 7 maart 2019

in de zaak van

[verzoekster] te [plaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: de heer [A] te Zoetermeer,

tegen

ING BANK N.V. te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoekster] en ING.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 14 september 2018 ingediende verzoekschrift met producties;

  • -

    het op 17 januari 2019 ingediende verweerschrift met producties;

  • -

    de brief van de heer [A] van 21 januari 2019 met producties;

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op

24 januari 2019. Verschenen zijn mevrouw [verzoekster] , vergezeld door de heer [A] , en

de heer [B] (medewerker bijzonder beheer) namens ING, vergezeld door mr. D.J. Posthuma, kantoorgenoot van mr. Jager. Mr. Posthuma heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2 Feiten

2.1.

[verzoekster] heeft in 2007 een studentenkrediet van € 2.500,- verkregen bij ING (hierna: het krediet). [verzoekster] had daarnaast een betaalrekening bij de ING.

2.2.

In 2012 is er een saldotekort op de betaalrekening ontstaan waardoor de maandelijkse automatische afschrijving voor de aflossing van het krediet niet meer kon plaatsvinden. [verzoekster] is per brieven van 2 januari en 6 februari 2012 gesommeerd tot aanvulling van het tekort op de betaalrekening en het alsnog voldoen van de achterstanden in de aflossing van het krediet.

2.3.

In 2013 zijn er wederom roodstanden ontstaan en heeft [verzoekster] de maandelijkse termijnen voor de aflossing van het krediet niet betaald. [verzoekster] is meerdere malen in 2013 en 2014 gesommeerd tot aanvulling van het tekort op de betaalrekening en het alsnog voldoen van de achterstanden in de aflossing van het krediet. Op 25 september 2014 is ING overgegaan tot het opeisen van het resterende krediet van € 1.708,22 en is [verzoekster] gesommeerd tot betaling van dit bedrag. Deze sommatie heeft niet tot betaling geleid waarna ING de vordering heeft overgedragen aan incassobureau Vesting Finance Fiditon (hierna: Vesting).

2.4.

Per brief van 30 april 2015 heeft Vesting [verzoekster] gesommeerd tot betaling. Hierna is een betalingsregeling getroffen van € 100,- per maand. Het krediet is op 20 mei 2016 volledig afgelost.

2.5.

ING heeft [verzoekster] geregistreerd in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) (hierna: de BKR-registratie). De registratie wordt gekenmerkt door een achterstandscode A per 4 augustus 2013, een bijzonderheidscode 2 per 25 september 2014 en een bijzonderheidscodering 3 per 14 oktober 2014. Het krediet is afgemeld per 24 mei 2016. Het contract zal in beginsel worden verwijderd in mei 2021.

2.6.

Per brief van 28 september 2017 heeft [verzoekster] verzocht tot verwijdering van de BKR-registratie. ING heeft per brief van 11 oktober 2017 dit verzoek afgewezen.

2.7.

Op 16 juli 2018 heeft Dynamiet Nederland B.V. (hierna: Dynamiet) namens [verzoekster] gevraagd om de BKR-registratie te herzien. Per brief van 6 augustus 2018 is dit verzoek afgewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:

  • -

    primair: ING te bevelen binnen twee weken na datum van de beschikking de BKR-registratie, dan wel codering A23, te (doen laten) verwijderen;

  • -

    subsidiair: ING te bevelen binnen twee weken na datum van de beschikking de bijzonderheidscodering 3 te (doen laten) verwijderen;

  • -

    meer subsidiair: de duur van de BKR-registratie met (bijzonderheids)codering A2 te beperken tot twee en een half jaar en ING te bevelen deze (bijzonderheids)codering gelet op de afloop van voornoemde termijn te (doen laten) verwijderen per 24 november 2018;

  • -

    uiterst subsidiair: een beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht;

  • -

    te bepalen dat ING de hiervoor genoemde veroordeling zal voldoen op straffe van een dwangsom van € 2.000,- voor iedere dag dat ING niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

  • -

    ING te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag. [verzoekster] heeft zwaarwegende belangen op grond waarvan de registratie voortijdig moet worden verwijderd. Het krediet is aangegaan toen [verzoekster] student was. De betalingsproblemen zijn ontstaan omdat [verzoekster] , als gevolg van zwangerschap en ziekte, geen vast inkomen kon verwerven. [verzoekster] is op dit moment financieel stabiel. Zij en haar partner hebben een vast inkomen. Op dit moment wonen zij met hun 3 kinderen in een klein appartement in een achterstandswijk. Het inkomen van [verzoekster] en haar partner, samen met het gespaarde spaardepot en de overwaarde van hun huidige woning, is voldoende voor het kopen van een eengezinswoning in een goede buurt. Door de BKR-registratie is dit niet mogelijk waardoor [verzoekster] ernstig wordt beperkt in haar persoonlijke levenssfeer. Subsidiair stelt [verzoekster] dat bijzonderheidscode 3 niet meer in stand kan worden gehouden omdat de vordering geheel is voldaan. Meer subsidiair stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat de BKR-registratie niet meer ter zake dienend is vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden.

3.3.

ING heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, indien nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek is gegrond op artikel 79 Algemene Verordening Gegevensbescheming (EU) 2016/679 (hierna: de AVG) en 35 lid 1 Uitvoeringswet AVG.

4.2.

Als eerste zal de rechtbank het verweer behandelen van ING dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. ING voert hiertoe aan dat [verzoekster] reeds op 28 september 2017 een verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie heeft ingediend en dat ING hierop op 11 oktober 2017 afwijzend heeft gereageerd zodat [verzoekster] heeft verzuimd om binnen de wettelijke termijn van zes weken (artikel 35 lid 2 Uitvoeringswet AVG) een verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen. Dit beroep slaagt niet. ING heeft [verzoekster] in haar brief van 11 oktober 2017 wel gewezen op de mogelijkheid zich te wenden tot de Geschillencommissie BKR, maar zij heeft [verzoekster] er niet op geattendeerd dat zij het verzoek heeft aangemerkt als gebaseerd op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en dat [verzoekster] op grond van die wet een termijn van zes weken had om zich te wenden tot de rechter. Daarnaast is niet gebleken dat [verzoekster] bij haar verzoek van 28 september 2017 bijstand heeft gehad van een jurist, op grond waarvan bekendheid met haar bevoegdheid de afwijzing van ING binnen een wettelijk bepaalde termijn aan de rechter voor te leggen niet zonder meer kan worden aangenomen. Nu [verzoekster] op 16 juli 2018, vertegenwoordigd door Dynamiet, een verzoek heeft gedaan waarna zij binnen zes weken na afwijzing van ING van dat verzoek, dit verzoekschrift heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek.

4.3.

Het geschil dat in deze zaak voorligt is de vraag of de BKR-registratie mag worden gehandhaafd.

4.4.

Artikel 4:32 Wet financieel toezicht (Wft) is voor dit geschil relevant. Op grond van dit artikel zijn kredietaanbieders verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door de Stichting Bureau Kredietregistratie (hierna: BKR). Het doel van de kredietregistratie is tweeledig: enerzijds om consumenten te beschermen tegen overkreditering, anderzijds om aanbieders van krediet te beschermen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen.

4.5.

Op grond van het bepaalde in artikel 21 AVG kan een persoon bezwaar maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens; de verwerkingsverantwoordelijke dient dit bezwaar te honoreren tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert, die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon. Bij afwijzing van het bezwaar kan de betrokkende zich tot de rechter wenden (artikel 79 AVG).

4.6.

In deze zaak dient dus het belang van handhaving van de BKR-registratie en het daarmee gediende belang te worden afgewogen tegen de persoonlijke belangen van [verzoekster] .

4.7.

[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij als gevolg van de BKR-registratie geen nieuwe hypothecaire geldlening kan verkrijgen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij onder ander overgelegd een tweetal brieven waaruit blijkt dat de BKR-registratie op haar naam een belemmering vormt voor het verkrijgen van financiering en een onderzoek van Vereniging Eigen Huis en een aantal beleidstukken van grote hypotheekverstrekkers waaruit blijkt dat financiering alleen bij A1 of AH-coderingen mogelijk is. ING heeft hier tegenover slechts gesteld dat iedere hypotheekverstrekker een eigen afweging maakt en dat ook met een BKR-registratie het mogelijk is om een hypothecaire geldlening te verkrijgen. ING heeft de stelling van [verzoekster] hiermee onvoldoende gemotiveerd betwist zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat [verzoekster] als gevolg van de BKR-registratie ernstig belemmerd wordt in de mogelijkheden een hypothecaire geldlening te verkrijgen. [verzoekster] heeft daarnaast genoegzaam onderbouwd dat zij belang heeft bij verhuizing met haar gezin met drie kleine kinderen van een (te) kleine flatwoning in een achterstandswijk naar een grotere gezinswoning in een betere buurt. Het belang van [verzoekster] bij verwijdering van de BKR-registratie acht de rechtbank derhalve zwaarwegend.

4.8.

ING heeft aangevoerd dat de woning die [verzoekster] wenst te kopen al verkocht is en uit de door [verzoekster] overgelegde stukken niet blijkt dat zij zonder de BKR-registratie in aanmerking komt voor een hypothecaire geldlening om deze woning te kunnen aanschaffen. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat [verzoekster] genoegzaam heeft aangetoond dat zij zich met haar partner een grotere woning in een betere buurt kan veroorloven; aannemelijk is dat zij een – met de woning die zij had willen kopen – vergelijkbare woning zal kunnen kopen.

4.9.

Daarnaast acht de rechtbank van belang dat, hoewel het lange tijd heeft geduurd voordat de schuld aan ING werd afgelost, hier geen sprake is geweest van een problematische schuldsituatie nu niet is gebleken dat [verzoekster] toentertijd andere schulden had en de hoogte van de openstaande schuld relatief laag was. Daar komt bij dat de totale kredietsom beperkt in hoogte was en het krediet door [verzoekster] is aangegaan toen zij student was waarbij partijen hebben afgesproken dat [verzoekster] pas een aantal jaar na verstrekking van het krediet hoefde te beginnen met aflossen van het krediet in de verwachting dat [verzoekster] dan voldoende inkomen zou hebben om te kunnen aflossen. [verzoekster] heeft onweersproken gesteld dat zij geen vast inkomen kon verkrijgen als gevolg van ziekte en zwangerschap waardoor zij naast haar vaste lasten geen inkomsten had om de aflossing van het krediet te voldoen. Omdat [verzoekster] genoegzaam heeft aangetoond dat zij sinds het aflossen van het krediet financieel stabiel is nu zij en haar partner een vast inkomen hebben en niet is gebleken dat zij de afgelopen jaren schulden hadden, is niet aannemelijk dat de kans op het ontstaan van betalingsachterstanden reëel is.

4.10.

ING heeft aangevoerd dat het niet de bedoeling is van het CKI om terechte registraties ongedaan te maken om zo de deelnemers in het financieel systeem onjuiste en onvolledige informatie te verschaffen. Het toewijzen van het verzoek van [verzoekster] zou het doel en de functie van het BKR teniet doen, aldus ING. ING miskent met haar stelling dat ook indien een registratie terecht is gedaan, steeds de onder 4.6 genoemde belangenafweging dient plaats te vinden bij een verzoek tot verwijdering van een BKR-registratie.

4.11.

Onder bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van [verzoekster] bij doorhaling van de BKR-registratie zwaarder weegt dan het belang van handhaving van de BKR-registratie. De rechtbank zal derhalve het verzoek toewijzen.

4.12.

ING zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 291,- aan griffierechten en € 500,- aan salaris gemachtigde, in totaal € 791,-. De rechtbank zal de nakosten toewijzen en begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

beveelt ING binnen twee weken na datum van de beschikking de BKR-registratie in het CKI met contractnummer [nummer] op naam van [verzoekster] te (doen laten) verwijderen, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- voor iedere dag dat ING niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

5.2.

veroordeelt ING in de proceskosten, begroot op € 791,- aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 50,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82,- in geval van betekening;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2019.1

1type: 2476