Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4307

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
NL19.1457 en NL19.1458
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep 6:2 Awb - niet tijdig beslist op asielaanvraag - beroep prematuur - gelet op omstandigheden niet-ontvankelijkheid van beroep achterwege gelaten - beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.1457 en NL19.1458


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser] , eiser,

[naam eiseres] , eiseres,

mede ten behoeve van haar minderjarige zoon, tezamen eisers,

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van justitie en veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben op 22 januari 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden.1

Overwegingen

1. Eisers hebben op 23 november 2015 een asielaanvraag ingediend. Bij brief van 10 januari 2019 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens zijn eisers op 22 januari 2019 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvragen. De rechtbank merkt op dat eisers tweemaal beroep hebben ingesteld. Gelet op de asielrelazen van eisers en de samenhang daartussen, ligt het echter voor de hand dat verweerder één besluit voor eisers zal nemen. De rechtbank zal daar in deze uitspraak dan ook van uit gaan. Tot op heden is geen besluit op de aanvragen van eisers genomen.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.2Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.3

3. Met partijen stelt de rechtbank vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eisers verweerder na die beslistermijn in gebreke hebben gesteld. Verweerder heeft echter terecht gesteld dat nog niet meer dan twee weken waren verstreken toen eisers de beroepschriften indienden. Eisers hebben verweerder immers bij brieven van 10 januari 2019 in gebreke gesteld. Dat betekent dat zij eerst op 25 januari 2019 in beroep konden gaan wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen. Met de beroepschriften van 22 januari 2019 waren eisers dus drie dagen te vroeg.

4. De rechtbank overweegt dat een ingebrekestelling is bedoeld om het bestuursorgaan nog enige tijd te gunnen om alsnog te beslissen, anders heeft een ingebrekestelling geen zin. Ter wille van de duidelijkheid is de termijn gefixeerd op twee weken.4

5. Inmiddels zijn meer dan twee weken verstreken sinds het moment van de ingebrekestellingen en verweerder heeft nog geen besluit genomen op de aanvragen van eisers. Verweerder heeft evenmin aangegeven binnen welke termijn eisers een besluit kunnen verwachten. Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, ziet de rechtbank aanleiding om de niet-ontvankelijkheid van de beroepen achterwege te laten en de beroepen gegrond te verklaren.

6. De beroepen zijn dus gegrond.

7. Als een besluit niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. Eisers hebben niet verzocht om deze dwangsom door de rechtbank vast te laten stellen. Dat betekent dat verweerder dit met het nieuwe besluit moet doen (artikel 4:18, eerste lid, en artikel 8:55c van de Awb).

8. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.5 In dit geval heeft verweerder geen bijzondere omstandigheden genoemd die tot een andere termijn zouden moeten leiden.

9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 256,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 256,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Grundmeijer, griffier.

griffier

rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.

3 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

4 Tekst en commentaar Awb, aantekening 4 bij artikel 4:17,van de Awb.

5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.