Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
C/09/562294 / HA ZA 18-1103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geldlening aan erflaatster. Onrechtmatig handelen? Stelplicht. Legitieme portie. Artikel 4:13 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0127
JERF 2020/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/562294 / HA ZA 18-1103

Vonnis van 24 april 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] ([land]),

eiser,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] te [plaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. R.P. Heeren te [plaats 3].

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 augustus 2018, met producties 1 tot en met 16;

  • -

    het herstelexploot van 12 november 2018;

  • -

    de conclusie van antwoord van 9 januari 2019;

  • -

    het tussenvonnis van 30 januari 2019 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 februari 2019.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is in overleg met partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal, voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Bij brief van 4 maart 2019 heeft [gedaagde] opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal. Bij brief van 11 maart 2019 heeft [eiser] opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van de gemaakte opmerkingen ten aanzien van feitelijke onjuistheden gelezen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn broers.

2.2.

In 2004 is de vader van [eiser] en [gedaagde], de heer [de vader] (hierna: vader), overleden. Op [datum] 2017 is hun moeder, mevrouw [de moeder] (hierna: moeder), overleden.

2.3.

Moeder heeft op 3 december 2015 door notaris [notaris 1] te [plaats 3] een testament laten opmaken. In het testament heeft zij haar drie kinderen, [eiser], [gedaagde] en haar dochter, uitgesloten als erfgenamen in haar nalatenschap en de vijf kinderen van [gedaagde] benoemd tot erfgenamen. [gedaagde] is in het testament aangewezen als executeur van de nalatenschap en heeft deze benoeming volgens een verklaring aanvaarding executele op 5 januari 2018 aanvaard.

2.4.

Eind 2015 is moeder naar verzorgingshuis [het Verzorgingstehuis] in [plaats 2] gegaan. De huisvestingskosten, servicekosten en huishoudelijke zorgkosten voor [het Verzorgingstehuis] bedroegen maandelijks circa € 5.500.

2.5.

Volgens een financieel jaaroverzicht van 23 januari 2017 had moeder op 31 december 2015 twee bankrekeningen, waarop een totaalbedrag stond van € 41.912,95

(€ 40.574,21 en € 1.338,74). Op 31 december 2016 resteerde een saldo van in totaal

€ 382,79.

2.6.

In 2016 hebben moeder en [gedaagde] een document met als opschrift “Overeenkomst” (hierna: de overeenkomst van geldlening) ondertekend. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende:

Hoofdsom

Artikel 1

De schuldeiser [[gedaagde], rb] heeft in verband met ontbrekende liquiditeit van de schuldenaar [moeder, rb] aan de schuldenaar ter leen verstrekt een bedrag gelijk alle reeds voorgeschoten en, eerst door hem goed te keuren, toekomstige kosten voor huisvesting-levensonderhoud en overige zaken, inclusief opgebouwde en op te bouwen rente, groot hetgeen is en wordt voorgeschoten, hierna te noemen “hoofdsom”, welk bedrag de schuldenaar hierbij verklaart ter leen te hebben ontvangen van, en mitsdien de schuldeider verschuldigd is. De ter leen verstrekte bedragen zullen blijken uit de administratie van partijen.

Terugbetaling van de hoofdsom

Artikel 2

Tenzij de schuldeiser en schuldenaar tevoren schriftelijk anders overeenkomen, geschiedt de terugbetaling van de volledige hoofdsom bij overlijden van de schuldenaar, of zoveel eerder, wanneer de woning van schuldenaar aan de [adres] is verkocht en geleverd. Het aldus verschuldigde bedrag, vermeerderd met hetgeen de schuldenaar overigens uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening (hierna: deze overeenkomst) verschuldigd is, dient alsdan ter vrije beschikking van de schuldeiser of van een door deze aangewezen persoon te zijn.

(…)

Rente

Artikel 5

De schuldenaar is over de hoofdsom, respectievelijk het restant daarvan, een rente verschuldigd van twee procent (2%) op jaarbasis, of zoveel meer of minder als de wettelijke rente eventueel toe- of afneemt. Partijen zijn overeengekomen dat de rente wordt bijgeschreven op de hoofdsom en deze rente zal opeisbaar zijn als de hoofdsom opeisbaar is.”

2.7.

Bij voornoemd document is een verklaring gevoegd van notaris [notaris 2] te [plaats 2] (hierna: [notaris 2]) van 31 augustus 2016, waarin zij verklaart de betrokken personen te hebben geïdentificeerd en hun handtekeningen te hebben gelegaliseerd conform de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT).

2.8.

Op 17 oktober 2016 hebben [gedaagde] en moeder een document met als titel “Vaststellingsovereenkomst” (hierna: de vaststellingsovereenkomst) ondertekend. Daarin is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

in aanmerking nemende:

(…)

de heer [gedaagde] heeft aan zijn moeder, mevrouw [de moeder], vanaf het overlijden van haar echtgenoot (...) krachtens mondelinge overeenkomst liquiditeiten ter beschikking gesteld, zulks in aanvulling op de door haar ontvangen uitkeringen;

Deze bedragen zijn door de heer [gedaagde] als lening aan mevrouw [de moeder] verstrekt, waarbij partijen steeds voor ogen hebben gehouden dat de heer [gedaagde] recht krijgt op de terugbetaling van die door hem aan mevrouw [de moeder] verstrekte gelden op het moment waarop zij over een groter bedrag ineens zou kunnen beschikken, zoals bijvoorbeeld na de verkoop van haar woning aan de [adres];

(…)

Artikel 1

Partijen stellen vast dat de heer [gedaagde] vanaf het jaar 2004 tot en met het jaar 2016 aan zijn moeder, mevrouw [de moeder], een bedrag van € 9000 per jaar heeft verstrekt tegen een samengestelde rente van 4% per jaar. Het gaat daarbij om contante betalingen alsmede om betalingen per bank en om uitgaven aan derden ten behoeve van mevrouw [de moeder]. Mevrouw [de moeder] verklaart deze bedragen aan haar zoon, de heer [gedaagde], verschuldigd te zijn en zij verklaart tevens nog geen terugbetalingen en rentebetalingen te hebben verricht.

Artikel 2

Partijen stellen de omvang van de in artikel 1 omschreven schuld van mevrouw [de moeder] inclusief rente per 1 oktober 2016 vast op een bedrag € 155.627,14.

Artikel 3

Partijen stellen vast dat de heer [gedaagde] aan mevrouw [de moeder] een bedrag in hoofdsom groot van € 20.000,-- (zegge: twintigduizend euro) heeft geleend ter zake verbouwingswerkzaamheden ten behoeve van de verkoopbaarheid van de woning van mevrouw [de moeder].

Artikel 4

De in artikelen 2 en 3 omschreven vorderingen van de heer [gedaagde] met een totaal bedrag van € 175.627,14 (zegge: honderdvijfenzeventigduizend zeshonderd zevenentwintig euro en veertien eurocent) op mevrouw [de moeder] zijn terstond opeisbaar, indien en na transport van de woning van mevrouw [de moeder] aan de [adres] heeft plaatsgevonden. Ter verzekering van het verhaal door de heer [gedaagde] van zijn vorderingen op mevrouw [de moeder] zullen partijen op eerste afroep meewerken aan de vestiging, zulks ten overstaan van notaris mr [notaris 2] te [plaats 2] of haar plaatsvervanger, van een (tweede) hypotheekrecht op de onroerende zaak aan de [adres], welk hypotheekrecht door mevrouw [de moeder] ten gunste van de heer [gedaagde] zal worden verleend voor een hoofdsom van € 200.000,--,= (zegge: twee honderd duizend euro) vermeerderd met een bedrag van ten hoogste € 10.000,= aan kosten in verband met de eventuele executie van dat hypotheekrecht.

Artikel 5

Partijen stellen vast dat de heer [gedaagde] aan mevrouw [de moeder] met ingang van 1 oktober 2016 maandelijks een bedrag leent van maximaal € 5000 per maand tegen een samengestelde rente van 4% per jaar. Rekening houdend met de oplopende vordering van de heer [gedaagde] op mevrouw [de moeder] is het recht van hypotheek dat mevrouw [de moeder] ten gunste van de heer [gedaagde] verleent, blijkens artikel 4, hoger dan de per 1 oktober 2016 verschuldigde hoofdsom.

(…)

Artikel 7

Deze overeenkomst wordt gesloten ten overstaan van notaris mr. [notaris 2], notaris ter standplaats [plaats 2], zulks teneinde partijen te identificeren volgens de regels van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WFT), aan de hand van originele en geldige identiteitsbewijzen. De bedoelde notaris heeft zich daarbij ook vergewist van de mentale staat van elk van de partijen waardoor zij ieder voor zich in staat zijn hun, rechtens relevante, vrije wil te openbaren en op basis daarvan deze overeenkomst te ondertekenen.”

2.9.

Moeder was tot 15 juni 2017 eigenaresse van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De woning is op 15 juni 2017 verkocht voor een verkoopsom van € 312.500. Bij brief van dezelfde datum heeft de betrokken [notaris 2] aan [gedaagde] bericht:

“U heeft aan uw moeder een krediet verstrekt waarvoor hypothecaire zekerheid is gevestigd op het appartement aan de [adres].

Het appartement wordt op 15 juni 2017 overgedragen. Daarvoor ontvang ik graag van u bijgaande royementsvolmacht ondertekend retour.

Uw moeder kan na aflossing van de eerste hypotheek aan u een bedrag groot € 194.091,32 aflossen.

Dit houdt in dat van uw vordering na aflossing een bedrag groot € 19.035,82 resteert.”

2.10.

De hypothecaire schuld bij de ABN Amro bank bedroeg ten tijde van de verkoop van de woning € 113.346,74.

2.11.

Op de nota van afrekening van 15 juni 2017 met betrekking tot de woning, opgemaakt door [notaris 2], is een geldlening van [gedaagde] aan moeder opgenomen met een (restant) hoofdsom van € 37.500. Dit bedrag strekte in mindering op de overwaarde van de woning. De uiteindelijke overwaarde bedroeg € 156.385,62.

2.12.

Op 23 en 24 juli 2018 heeft [eiser], na daartoe op 19 juli 2018 verlof te hebben gekregen van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, conservatoir beslag doen leggen op bankrekeningen van [gedaagde] en op roerende zaken die zich in het woonhuis van [gedaagde] bevonden.

2.13.

Op 31 juli 2018 heeft [gedaagde] [eiser] in kort geding gedagvaard en (onder meer) opheffing van de gelegde beslagen gevorderd. De Voorzieningenrechter te Den Haag heeft de vorderingen van [gedaagde] bij vonnis van 22 augustus 2018 (KG ZA 18/784) toegewezen.

2.14.

Volgens een door [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur opgestelde boedelbeschrijving na het overlijden van moeder, heeft de nalatenschap van moeder een negatief saldo.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 38.210, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 januari 2004 tot aan de voldoening en/of [gedaagde] veroordeelt de door [eiser] geleden schade en/of te lijden schade aan [eiser] te vergoeden, welke schade zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, daaronder begrepen de beslagkosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door met schijnconstructies in de vorm van zogenaamde geldleningen aan moeder ervoor te zorgen dat alle gelden die moeder kort voor haar overlijden nog had naar [gedaagde] zijn overgeheveld, waardoor de nalatenschap van moeder geen verhaal biedt voor de legitieme portie van [eiser] en de vordering van [eiser] op (de nalatenschap van) moeder uit hoofde van de nalatenschap van vader ten bedrage van € 38.210,-.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] op onrechtmatige wijze ervoor heeft gezorgd dat [eiser] geen aanspraak kan maken op zijn vordering uit de nalatenschap van vader en zijn legitieme portie uit de nalatenschap van moeder door gelden van moeder kort voor haar overlijden naar zichzelf over te hevelen en zo te onttrekken uit de nalatenschap.

4.2.

[gedaagde] heeft – samengevat - het volgende verweer gevoerd tegen de stellingen van [eiser]. Van onrechtmatig handelen is geen sprake. Vanaf 2004 tot aan het overlijden van moeder heeft hij aan moeder geld geleend ten behoeve van haar levensonderhoud, een verbouwing van de woning en haar verblijf in [het Verzorgingstehuis], nu het inkomen van moeder voor haar levensstandaard niet toereikend was. [gedaagde] en moeder hebben hieromtrent afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in een tweetal (vaststellings)overeenkomsten en waaruit genoegzaam blijkt dat hij een vordering op moeder had. Ter zekerheid van terugbetaling van het geleende bedrag is ten behoeve van [gedaagde] een (tweede) recht van hypotheek gevestigd op de woning van moeder. Met de overwaarde die resteerde na verkoop van de woning heeft zij de vordering van [gedaagde] voldaan.

4.3.

De bewijslast van de stelling dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld rust volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op [eiser], nu [eiser] een beroep doet op het rechtsgevolg daarvan, te weten vergoeding van geleden schade. De rechtbank is van oordeel dat [eiser], tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], zijn stellingen over het onrechtmatig handelen van [gedaagde], onvoldoende heeft onderbouwd. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe ze tot dat oordeel is gekomen.

4.4.

De overeenkomst van geldlening en de vaststellingsovereenkomst waarnaar [gedaagde] ter onderbouwing van zijn verweer verwijst, kwalificeren als onderhandse akten in de zin van artikel 156 lid 3 Rv. Volgens artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Gelet daarop gaat de rechtbank dan ook in beginsel uit van de juistheid van de stelling van [gedaagde], te weten dat moeder van [gedaagde] een bedrag van ten minste

€ 175.627 ter leen heeft ontvangen.

4.5.

In de relatie tussen [eiser] en [gedaagde] hebben de overeenkomst van geldlening en de vaststellingsovereenkomst geen dwingende, maar vrije bewijskracht en is de waardering ten aanzien van de overtuigende kracht van de inhoud van de overeenkomsten overgelaten aan het oordeel van de rechtbank. In dat kader overweegt zij als volgt.

4.6.

[eiser] dient aan te tonen dat de lening slechts een schijnconstructie was om ervoor te zorgen dat de nalatenschap van moeder geen verhaal zou bieden voor de vorderingen die hij op moeder had en uit haar nalatenschap zou krijgen. [eiser] heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat er geen enkel bewijs is voor de stelling van [gedaagde] dat hij moeder in de jaren 2004 tot en met 2016 jaarlijks € 9.000 in contanten leende en dat dit ook niet aannemelijk is, omdat [gedaagde] geen goede relatie had met moeder. Aannemelijker is dat, zoals door [gedaagde] ter zitting ook is verklaard, moeder niet wilde dat er uit haar nalatenschap gelden naar [eiser] (en haar dochter) zou gaan, temeer nu de in de vaststellingsovereenkomst van 17 oktober 2016 genoemde schuld van moeder nagenoeg gelijk is aan de uiteindelijke overwaarde van de woning (waarmee de vermeende) vordering van [gedaagde] is voldaan.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat moeder op grote voet leefde. [gedaagde] heeft ter betwisting van de stellingen van [eiser] bankafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat hij in ieder geval over de periode oktober 2016 tot en met december 2017 aan moeder meerdere geldbedragen heeft overgemaakt, alsmede facturen van [het Verzorgingstehuis], waaruit blijkt dat de vaste kosten daarvoor maandelijks circa € 5.500 bedroegen. Nu [eiser] ook niet heeft betwist dat moeder een maandelijks inkomen van circa € 2.200 had, staat daarmee in ieder geval vast dat zij met haar inkomen haar maandelijkse vaste lasten niet kon voldoen en afhankelijk was van de bedragen die [gedaagde] maandelijks aan haar ter beschikking stelde.

4.8.

Of moeder jaarlijks ook € 9.000 aan contanten van [gedaagde] leende is een vraag waarbij het risico dat die onbeantwoord blijft volgens de onder 4.3. beschreven bewijslastverdeling op [eiser] rust. [eiser] zal in dat kader voldoende moeten stellen om tot bewijslevering op dat punt te worden toegelaten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de lening niet in de belastingaangiften van moeder en [gedaagde] is opgenomen, dat het totale bedrag van de lening overeenkomt met de overwaarde van de woning en dat [gedaagde] zelf heeft verklaard dat moeder geen cent van haar nalatenschap wilde zien bij [eiser]. Hoewel het voorgaande, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, vragen oproept zegt het voorgaande nog niet dat moeder geen contante bedragen van [gedaagde] ontving en heeft [eiser] dan ook onvoldoende gesteld om op dat punt tot bewijslevering te worden toegelaten.

4.9.

Daar komt bij dat moeder - ten aanzien van de vordering van [eiser] uit hoofde van de nalatenschap van vader - op grond van artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik toekomt van de gelden die zij uit de nalatenschap van vader heeft gekregen. De vordering die [eiser] daaruit voortvloeiende op basis van lid 3 van artikel 4:13 BW op moeder had (een bedrag van € 38.210), is opeisbaar geworden bij haar overlijden. Inherent aan het bepaalde in artikel 4:13 BW is het risico dat het saldo van de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot op het moment van overlijden ontoereikend is om de vordering van de kinderen te voldoen. Nu er geen rechtsregel is die zich daartegen verzet en de wet evenmin verplicht dat een nalatenschap voldoende middelen moet bevatten om de vorderingen van de kinderen te voldoen, kan [eiser] [gedaagde] niet, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, tegenwerpen dat het saldo van de nalatenschap van moeder negatief is.

4.10.

De rechtbank acht de inhoud van de vaststellingsovereenkomst in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen van doorslaggevende betekenis. Nu door [eiser] niet is aangevoerd dat de daarin tot uitdrukking gebrachte verklaring van moeder in werkelijkheid niet overeenstemde met haar wil, gaat zij uit van de juistheid van die verklaring. [notaris 2] heeft zich bij de ondertekening van de overeenkomst immers vergewist van de identiteit van moeder en [gedaagde] en tevens van hun mentale staat, zodat daar geen onduidelijkheid over kan bestaan.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.12.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot dusver begroot op € 895 (tarief 2018) aan griffierecht en € 2.148 aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 1.074), totaal dus € 3.043.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dusver begroot op € 3.043;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de in 5.2. gegeven proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2019.1

1 type: 2578 coll: