Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4302

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
C/09/552933 / HA ZA 18-540
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Bomenrij, afstand tot erfgrens, vrijhouden doorgang, verbod betreden erf, bevoegdheid eigenaar, afwatering parkeerterrein, onderhoud ophaalbrug, balkon in verboden zone?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/552933 / HA ZA 18-540

Vonnis van 13 februari 2019

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] te [plaats] ,

2. [eisende partij sub 2] te [plaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.G. Hinnen te Leiden,

tegen

1 [gedaagde sub 1] te [plaats] ,

2. [gedaagde sub 2] te [plaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. Y.K. de Boer te Den Haag.

Partijen worden hierna [eisende partij sub 1 c.s.] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde sub 1 c.s.] (in vrouwelijk enkelvoud) genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 mei 2018, met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de conclusie van antwoord van 27 juni 2018, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    het tussenvonnis van 25 juli 2018, waarin een comparitie van partijen en een plaatsopneming is bevolen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van 15 oktober 2018, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie en plaatsopneming van 15 oktober 2018;

  • -

    de akte tot vermeerdering van eis in reconventie van 31 oktober 2018;

  • -

    de antwoordakte op de vermeerdering van eis in reconventie en akte tot het in het geding brengen van het kadastrale relaas van bevindingen van 14 november 2018, met producties 4 en 5;

  • -

    de antwoordakte van 12 december 2018 van de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.] , met producties 5 en 6.

1.2.

Het proces-verbaal is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt, met de mogelijkheid voor partijen om hier binnen twee weken na ontvangst op te reageren. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 1 c.s.] zijn buren. [eisende partij sub 1 c.s.] is sinds 1 september 1999 eigenaar van het perceel en woonhuis aan de [adres 1] . [gedaagde sub 1 c.s.] is sinds 1 augustus 2000 eigenaar van het naastgelegen perceel en woonhuis aan de [adres 2] .

2.2.

De percelen van [eisende partij sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 1 c.s.] worden omringd door water. Een ophaalbrug geeft toegang tot de percelen (hierna: de ophaalbrug). Het onderhoud van de ophaalbrug is op grond van mandeligheid voor gezamenlijke rekening van partijen.

2.3.

De percelen van partijen zijn volgens een op 9 november 2018 uitgevoerde kadastrale meting ten opzichte van elkaar als volgt gelegen. Het woonhuis van [eisende partij sub 1 c.s.] is aangegeven met nummer ‘2’. Het woonhuis van [gedaagde sub 1 c.s.] is aangegeven met nummer ‘1’. Het naastgelegen gebouw (hierna: het bijgebouw) behoort tevens in eigendom toe aan [gedaagde sub 1 c.s.] De stippellijn geeft de grens tussen de twee percelen aan. Op de afbeelding is tevens de genoemde ophaalbrug zichtbaar:

2.4.

De ophaalbrug geeft toegang tot een parkeerterrein dat gedeeltelijk op het perceel van [eisende partij sub 1 c.s.] en gedeeltelijk op het perceel van [gedaagde sub 1 c.s.] ligt en waar partijen gezamenlijk gebruik van maken. Het onderhoud aan het parkeerterrein is voor gezamenlijke rekening van partijen.

2.5.

Het parkeerterrein heeft één afwateringspunt, een kolk, gelegen bij de schuur van [eisende partij sub 1 c.s.] Al het regenwater dat op het parkeerterrein valt, wordt geloosd op de kolk. Het afgelopen jaar is het tweemaal voorgekomen dat na een hevige regenbui de kolk is overgelopen, waarna water in de schuur van [eisende partij sub 1 c.s.] gelopen is.

2.6.

[eisende partij sub 1 c.s.] exploiteert sinds mei 2016 een bed & breakfast in de aan zijn woonhuis grenzende voormalige schuur (hierna: de B&B). De ingang van de B&B bevindt zich in de doorgang tussen de B&B en het bijgebouw van [gedaagde sub 1 c.s.] (hierna: de doorgang), te bereiken vanaf het parkeerterrein. Gasten van de B&B gebruiken de doorgang om bij de B&B te komen. De route naar de B&B vanaf het woonhuis van [eisende partij sub 1 c.s.] is met diverse borden aangegeven.

2.7.

De doorgang, vanaf de achterzijde bezien, ziet er als volgt uit:

2.8.

In de doorgang heeft [gedaagde sub 1 c.s.] dicht tegen het bijgebouw vuilcontainers geplaatst. De containers staan op het erf van [gedaagde sub 1 c.s.]

2.9.

Het gebouw links op de foto onder 2.7. is het bijgebouw van [gedaagde sub 1 c.s.] Het gebouw rechts op de foto is de B&B van [eisende partij sub 1 c.s.] Het balkon is bereikbaar via één van de kamers van de B&B (hierna: het balkon).

2.10.

Vanaf het balkon hebben gasten uitzicht op de tegenover gelegen houtakker. Vanaf de zijkant van het balkon – vanuit de kamer gezien rechts – is er uitzicht op een naast het bijgebouw van [gedaagde sub 1 c.s.] op haar erf staande bomenrij (hierna: de bomenrij), die dient ter afscherming van de tuin van [gedaagde sub 1 c.s.] Er is vanaf het balkon en de doorgang, door open ruimtes in de bomenrij, zicht op de tuin van [gedaagde sub 1 c.s.]

2.11.

De bomenrij bestaat uit haagbeuken en ziet er vanuit de doorgang gezien als volgt uit:

2.12.

De knoesten van de haagbeuken bevinden zich thans op een hoogte van circa 2,75 meter. De bomenrij is circa vier meter hoog.

2.13.

Tussen het water en de bomenrij staat, binnen twee meter van de erfgrens, een boom. De boom heeft thans een hoogte van circa 1,80 meter.

2.14.

In het verlengde van de doorgang ligt een pad naar een houten brug. De houten brug en het pad (zichtbaar op de foto onder 2.11.) geven toegang tot de achter de erven van [eisende partij sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 1 c.s.] gelegen houtakker (hierna: het pad en de brug). Op onderstaande foto is de loop van de erfgrens te zien. Het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] ligt links van de lijn, het erf van [gedaagde sub 1 c.s.] ligt rechts van de lijn:

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisende partij sub 1 c.s.] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad binnen veertien dagen na betekening, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [gedaagde sub 1 c.s.] in strijd met deze veroordeling handelt, [gedaagde sub 1 c.s.] veroordeelt tot:

A. het terugsnoeien en teruggesnoeid houden van de bomenrij zodat de beplanting

 een hoogte van maximaal twee meter behoudt; en

 een dusdanige breedte behoudt dat het deel van het pad langs de beplanting dat eigendom is van [gedaagde sub 1 c.s.] vrij begaanbaar blijft;

het verwijderen van de boom in de verboden zone;

het vrijhouden van de doorgang van containers en andere obstakels;

een verbod op het betreden van het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] in de doorgang;

een verbod op het gebruik van het pad en de houten brug;

met betrekking tot de afwatering van het parkeerterrein:

 primair: het opheffen van de onnatuurlijke waterloop;

 subsidiair: het meewerken aan en het voor vijftig procent meebetalen aan de aanleg van een tweede afwateringsput op of aan het parkeerterrein;

het evenredig deelnemen en meebetalen aan de zorg voor de ophaalbrug, wat inhoudt dat de ophaalbrug minstens elk kwartaal wordt onderhouden en vrij van groenaanslag/algenaanslag wordt gemaakt voor het einde van de kalenderkwartaal; en

tot betaling van de kosten van deze procedure met inbegrip van nakosten inclusief die van betekening, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [gedaagde sub 1 c.s.] deze niet binnen veertien dagen na het ten dezen te wijzen vonnis hebben betaald.

3.2.

[gedaagde sub 1 c.s.] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde sub 1 c.s.] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eisende partij sub 1 c.s.] zal veroordelen tot het aan de gasten van de B&B aanduiden en markeren van de exacte omvang van zijn terrein ten opzichte van dat van [gedaagde sub 1 c.s.] , evenals het aanduiden en markeren van de weg van de ophaalbrug naar de ingang van het gastenverblijf en tot het verstrekken van heldere informatie aan zijn gasten waar zich wel en niet op te houden in het gebied rondom de B&B, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [eisende partij sub 1 c.s.] aan deze veroordeling weigert te voldoen;

2. [eisende partij sub 1 c.s.] zal verbieden het gebruik van het eigendomsdeel van [gedaagde sub 1 c.s.] van de doorgang;

3. [eisende partij sub 1 c.s.] zal verbieden het gebruik van het pad en de houten brug;

4. [eisende partij sub 1 c.s.] zal gebieden de volledige zijkant van het balkon, dat wil zeggen van de bodem tot de bovenkant van de balustrade, geheel af te schermen opdat aldus het zicht op het perceel van [gedaagde sub 1 c.s.] wordt belemmerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [eisende partij sub 1 c.s.] in strijd met deze veroordeling handelt; en

5. [eisende partij sub 1 c.s.] zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.5.

[eisende partij sub 1 c.s.] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

Inleiding

4.1.

Kern van het geschil is de vraag welke rechten partijen ten opzichte van elkaar kunnen doen gelden ten opzichte van de bomenrij, de boom naast de bomenrij, het pad en de houten brug, de afwatering op het parkeerterrein, de ophaalbrug, het balkon en de aanduiding van de B&B.

4.2.

Nu de vorderingen in conventie en reconventie grotendeels zien op hetzelfde feitencomplex ziet de rechtbank aanleiding om die vorderingen gezamenlijk te behandelen.

De bomenrij

4.3.

[eisende partij sub 1 c.s.] vordert [gedaagde sub 1 c.s.] te veroordelen tot het terugsnoeien en teruggesnoeid houden van de bomenrij, zodat de beplanting een hoogte van maximaal twee meter behoudt en een dusdanige breedte dat het deel van het pad langs de beplanting dat eigendom is van [gedaagde sub 1 c.s.] vrij begaanbaar blijft.

4.4.

De bomenrij staat volgens [eisende partij sub 1 c.s.] , vanuit het hart van de stam gemeten, binnen 50 centimeter van de erfgrens. De haagbeuken in de bomenrij zijn, gezien hun omvang, te kwalificeren als bomen. Het is niet geoorloofd om binnen twee meter van de erfgrens een boom te hebben, aldus [eisende partij sub 1 c.s.] Voorts ontneemt de bomenrij het zonlicht in de tuin en de B&B van [eisende partij sub 1 c.s.] en belemmert het anders weidse uitzicht van de gasten van de B&B. Dit is het gevolg van het feit dat [gedaagde sub 1 c.s.] de bomenrij niet terugsnoeit tot de maximaal toegestane hoogte van twee meter boven het maaiveld.

4.5.

Volgens [gedaagde sub 1 c.s.] is de bomenrij een heg, die buiten de daarvoor geldende grens van 50 centimeter staat en daarmee niet in de verboden zone. [gedaagde sub 1 c.s.] snoeide de heg voorheen, maar is daarmee gestopt met de komst van de B&B, doordat het (gebruik van het) door [eisende partij sub 1 c.s.] geplaatste balkon een inbreuk maakt op haar privacy.

4.6.

Voor de beantwoording van de vraag of de bomenrij in de ‘verboden zone’ van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, is van belang of de bomenrij moet worden aangemerkt als een heg – die op vijftig centimeter van de erfgrens geplaatst mag worden – of een rij met bomen – die op een afstand van twee meter van de erfgrens geplaatst mag worden. Tussen partijen is niet in geschil dat de bomenrij bestaat uit haagbeuken. Als uitgangspunt heeft te gelden dat iedere (haag)beuk afzonderlijk een boom is. Op grond van artikel 5:42 BW kunnen meerdere, als een haag geplante, bomen samen als een heg worden aangemerkt, wanneer zij (i) dicht(er dan normaal) op elkaar zijn geplaatst, (ii) deel uitmaken van een groter geheel van – in dit geval – haagbeuken, welk geheel (iii) vanaf het eerste snoeimoment zodanig wordt gesnoeid dat op den duur afzonderlijke de haagbeuken hun individuele karakter verliezen. Daarvoor is noodzakelijk dat de haagbeuken die op den duur de heg moeten gaan vormen (iv) qua hoogte op de juiste wijze worden gesnoeid. Indien niet wordt voldaan aan deze voorwaarden, dan geldt dat de bomenrij, die in uitgangspunt uit afzonderlijke bomen bestond, uit afzonderlijke bomen is blijven bestaan en geldt dus twee meter als de wettelijke afstand (vgl. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5659).

4.7.

De rechtbank heeft bij de plaatsopneming vastgesteld dat de haagbeuken ten tijde van de plaatsopneming circa vier meter hoog waren en dat de knoesten zich op een hoogte van circa 2,75 meter bevinden. Uit hetgeen partijen tijdens de plaatsopneming hebben verklaard, maakt de rechtbank op dat de bomenrij tot 2016 ter hoogte van de knoesten werd gesnoeid. De laatste jaren is de bomenrij niet meer gesnoeid. In de huidige afmetingen kwalificeert de bomenrij als een rij met bomen, die zich binnen de verboden zone van twee meter vanaf de erfgrens bevinden. Dit maakt dat de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] kan worden toegewezen.

4.8.

Bij de plaatsopneming heeft [eisende partij sub 1 c.s.] te kennen gegeven ermee akkoord te gaan dat de bomenrij van [gedaagde sub 1 c.s.] blijft staan, mits zij deze zal terugsnoeien en gesnoeid zal houden tot de knoesten. De rechtbank begrijpt de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] aldus dat hij vordert dat [gedaagde sub 1 c.s.] de bomenrij terugsnoeit tot de knoesten. Nu [gedaagde sub 1 c.s.] heeft toegezegd dit te zullen doen, zal de vordering als zodanig worden toegewezen. Aan de stelling dat de bomenrij in de breedte moet worden teruggesnoeid heeft [eisende partij sub 1 c.s.] onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die dit terugsnoeien rechtvaardigen. Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

De boom naast de bomenrij

4.9.

[eisende partij sub 1 c.s.] stelt dat de door [gedaagde sub 1 c.s.] geplante boom, tussen de bomenrij en het water, zich binnen de verboden afstand van twee meter vanaf de grenslijn bevindt. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft dit standpunt niet betwist en zowel in de conclusie van antwoord als tijdens de plaatsopneming toegezegd de boom te zullen verwijderen. De rechtbank zal de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] ter zake dan ook toewijzen.

De doorgang

4.10.

[eisende partij sub 1 c.s.] vordert veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] tot het vrijhouden van de doorgang van vuilcontainers en andere obstakels. De vuilcontainers blokkeren een deel van de doorgang, waardoor [gedaagde sub 1 c.s.] en andere gebruikers over het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] lopen. Voorts brengt [gedaagde sub 1 c.s.] schade en hinder toe aan [eisende partij sub 1 c.s.] , onder meer door de muur van de B&B bij gebruik van de doorgang te beschadigen en obstakels te plaatsen in de doorgang, die voor de B&B dient als vluchtweg bij brand. Een en ander is in strijd met artikel 5:22 BW, aldus [eisende partij sub 1 c.s.]

4.11.

[gedaagde sub 1 c.s.] betwist inbreuk te maken op artikel 5:22 BW. De vuilcontainers staan op haar perceel en mogen daar – zo begrijpt de rechtbank het standpunt – op grond van artikel 5:21 BW staan. Van hinder is geen sprake noch van een schadeveroorzakende situatie.

4.12.

Het verweer van [gedaagde sub 1 c.s.] slaagt. Op grond van artikel 5:21 BW heeft [gedaagde sub 1 c.s.] als eigenaar van de grond de exclusieve bevoegdheid om de ruimte erboven te gebruiken. Nu [eisende partij sub 1 c.s.] niet heeft betwist dat de vuilcontainers op de grond van [gedaagde sub 1 c.s.] staan en uit de recente kadastrale meting ook blijkt dat de vuilcontainers op de grond van [gedaagde sub 1 c.s.] staan, is er geen sprake van een onrechtmatige situatie en de gestelde hinder is evenmin gebleken. Dat [gedaagde sub 1 c.s.] bij het gebruik bam de doorgang schadeveroorzakend handelt, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] dan ook afwijzen.

4.13.

[eisende partij sub 1 c.s.] vordert tevens een verbod voor [gedaagde sub 1 c.s.] op het betreden van het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] in de doorgang. [gedaagde sub 1 c.s.] vordert in reconventie – spiegelbeeldig – een verbod voor [eisende partij sub 1 c.s.] op het betreden van het eigendomsdeel van [gedaagde sub 1 c.s.] in de doorgang.

4.14.

De rechtbank overweegt als volgt. In het verlengde van de exclusieve bevoegdheid die artikel 5:21 BW een eigenaar geeft om de grond waarvan hij eigenaar is alsmede de ruimte boven en onder de oppervlakte te gebruiken, ligt de bevoegdheid van een eigenaar om een ander te verbieden zich op zijn erf te bevinden (artikel 5:22 BW).

4.15.

Uit de kadastrale meting van 9 november 2018 volgt welk deel van de doorgang op het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] ligt en welk deel op het erf van [gedaagde sub 1 c.s.] Partijen, evenals derden die namens of met toestemming van hen gebruik maken van de doorgang, dienen die grens te respecteren. De rechtbank zal beide vorderingen toewijzen.

Verbod op het gebruik van het pad en de houten brug

4.16.

[eisende partij sub 1 c.s.] vordert een verbod voor [gedaagde sub 1 c.s.] op het gebruik van het pad en de brug. [gedaagde sub 1 c.s.] vordert in conventie een verbod voor [eisende partij sub 1 c.s.] op het gebruik van het pad en de brug.

4.17.

Voor de beoordeling van deze vorderingen over en weer geldt als uitgangspunt hetgeen is overwogen onder 4.14. Zowel [eisende partij sub 1 c.s.] als [gedaagde sub 1 c.s.] kunnen elkaar het gebruik van het pad en de brug verbieden voor dat deel dat tot hun perceel behoort. Partijen dienen de perceelgrens zoals vastgesteld door het Kadaster op 9 november 2018 en zichtbaar op de foto onder 2.14. te respecteren. De rechtbank zal beide vorderingen toewijzen.

Afwatering

4.18.

In het kader van de afwatering van het gezamenlijke parkeerterrein vordert [eisende partij sub 1 c.s.] primair opheffing van de onnatuurlijke waterloop. Subsidiair vordert [eisende partij sub 1 c.s.] veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] tot medewerking aan het voor vijftig procent meebetalen aan de aanleg van een tweede afwateringsput op of aan het parkeerterrein.

4.19.

Volgens de door [eisende partij sub 1 c.s.] in het geding gebrachte akte van levering zijn partijen gezamenlijk verantwoordelijk voor het parkeerterrein. Vast staat dat zich daar op dit moment slechts één kolk bevindt die bij regenval al het water dat vanaf het parkeerterrein richting de put loopt moet verwerken. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft niet betwist dat de schuur van [eisende partij sub 1 c.s.] afgelopen jaar bij hevige regenval tweemaal is onder gelopen.

4.20.

Overwogen wordt dat het aannemelijk is dat een dergelijke situatie zich in de toekomst vaker zal voor doen gelet op de toenemende intensiteit van (regen)buien. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft voldoende onderbouwd dat hij door deze wateroverlast schade lijdt. De rechtbank is dan ook met [eisende partij sub 1 c.s.] van oordeel dat – in ieder geval – (een) extra afwateringsvoorziening(en) op het parkeerterrein moet(en) worden aangebracht. Bij de beoordeling welke voorziening(en) moet(en) worden gerealiseerd, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat partijen gehouden zijn een effectieve én kostenefficiënte voorziening te treffen. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft de noodzaak van een volledige herinrichting van de parkeerplaats, op dusdanige wijze dat de waterloop wordt aangepast, onvoldoende onderbouwd. Het primair gevorderde wordt daarom afgewezen. Wel acht de rechtbank de noodzaak voor een tweede afwateringsput voldoende onderbouwd. De kosten hiervoor dienen door partijen gedeeld te worden. Het subsidiair gevorderde wordt toegewezen.

Het onderhoud aan de ophaalbrug

4.21.

[eisende partij sub 1 c.s.] vordert veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] tot het evenredig deelnemen en meebetalen aan de zorg voor de gemeenschappelijke ophaalbrug, wat inhoudt dat de brug minstens elk kwartaal wordt onderhouden en vrij van groenaanslag/algenaanslag wordt gemaakt voor het einde van het kalenderkwartaal.

4.22.

Uit de door [eisende partij sub 1 c.s.] in het geding gebrachte akte van levering blijkt dat partijen naast de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het parkeerterrein, ook gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het onderhoud aan de gemeenschappelijke ophaalbrug. Daaruit vloeit voort, hetgeen ook door haar wordt erkend, dat [gedaagde sub 1 c.s.] – naast [eisende partij sub 1 c.s.] – medeverantwoordelijk is voor het onderhoud van de brug.

4.23.

Met betrekking tot de frequentie waarin het onderhoud moet plaatsvinden, merkt de rechtbank op dat [eisende partij sub 1 c.s.] ter zitting heeft verklaard dat hij ongeveer twee keer per jaar onderhoud pleegt aan de ophaalbrug. Nu niet is gebleken dat er vaker onderhoud nodig is, zal de rechtbank de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] toewijzen, in die zin dat [gedaagde sub 1 c.s.] wordt veroordeeld tot het twee keer per jaar evenredig deelnemen en meebetalen aan het onderhoud van de ophaalbrug.

Het balkon

4.24.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft na vermeerdering van eis gevorderd dat de rechtbank [eisende partij sub 1 c.s.] gebiedt om de volledige zijkant van het balkon geheel af te schermen opdat aldus het zicht op het perceel van [gedaagde sub 1 c.s.] wordt belemmerd.

4.25.

[eisende partij sub 1 c.s.] heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de vermeerdering van eis in een zodanig laat stadium aan het geschil is toegevoegd dat er sprake is van strijd met de goede procesorde. Voor zover dat niet het geval is, concludeert [eisende partij sub 1 c.s.] tot afwijzing van het gevorderde.

4.26.

De rechtbank stelt voorop dat een eis op grond van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden vermeerderd, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Van strijd met de goede procesorde kan in dat geval sprake zijn bij onredelijke bemoeilijking van de mogelijkheid verweer te voeren dan wel onredelijke vertraging van het geding.

4.27.

Anders dan [eisende partij sub 1 c.s.] stelt, had [gedaagde sub 1 c.s.] de eiswijzing niet voorafgaand aan de comparitie kenbaar hoeven maken (vgl. artikel 130 Rv). De eiswijziging is tijdig gedaan en ingegeven door hetgeen door [gedaagde sub 1 c.s.] tijdens de plaatsopneming is geconstateerd en op basis van het ter zitting gevoerde partijdebat. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft bij akte verweer kunnen voeren tegen de eisvermeerdering en van vertraging van het geding als gevolg van de eisvermeering is niet gebleken, nu [gedaagde sub 1 c.s.] haar eis kort na de comparitie heeft vermeerderd en partijen vervolgens in afwachting waren van de bevindingen van de kadastrale meting. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.28.

De rechtbank is met [eisende partij sub 1 c.s.] van oordeel dat de juridische grondslag voor de vordering van [gedaagde sub 1 c.s.] ontbreekt. Zoals [eisende partij sub 1 c.s.] terecht stelt eist artikel 5:50 BW dat het balkon zich niet binnen twee meter van de grenslijn van het erf van [gedaagde sub 1 c.s.] bevindt. Gesteld noch gebleken is dat het balkon zich binnen deze verboden zone bevindt. De vordering van [gedaagde sub 1 c.s.] zal worden afgewezen.

Aanduiding en markering van de route naar de B&B

4.29.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft in reconventie gevorderd dat [eisende partij sub 1 c.s.] wordt veroordeeld tot het aan de gasten van de B&B aanduiden en markeren van de exacte omvang van zijn terrein ten opzichte van dat van [gedaagde sub 1 c.s.] , evenals het aanduiden en markeren van de weg van de ophaalbrug naar de ingang van het gastenverblijf en tot het verstrekken van heldere informatie aan zijn gasten waar zich wel en niet op te houden in het gebied rondom de B&B.

4.30.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen, nu haar bij de plaatsopneming is gebleken dat de aanduiding van de B&B en de markering van het terrein van [eisende partij sub 1 c.s.] voldoende duidelijk is.

Dwangsommen

4.31.

Partijen hebben over en weer gevorderd aan het gevorderde een dwangsom te verbinden. Gezien de aard van de rechtsverhouding tussen partijen, en omdat partijen tegen die achtergrond de noodzaak tot en hun belang bij een dwangsom onvoldoende hebben toegelicht, en mede gelet op het belang van (het herstel van) een goede verstandhouding tussen partijen, zal de rechtbank de gevorderde dwangsommen afwijzen.

Proceskosten

4.32.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de kosten proceskosten in conventie en reconventie compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] tot het terugsnoeien en teruggesnoeid houden van de bomenrij tot de knoesten van de bomen, althans tot een hoogte van maximaal 2,75 meter;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] tot het verwijderen van de in 2.13. vermelde boom;

5.3.

verbiedt [gedaagde sub 1 c.s.] om het deel van de doorgang dat gelegen is op het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] te betreden;

5.4.

verbiedt [gedaagde sub 1 c.s.] het pad en de houten brug voor zover deze behoren tot en gelegen zijn op het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] te betreden;

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] tot het meewerken en het voor vijftig procent meebetalen aan de aanleg van een tweede afwateringsput op of aan het parkeerterrein;

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] tot het evenredig deelnemen en meebetalen aan de zorg voor de ophaalbrug, wat inhoudt dat de brug minstens twee keer per jaar wordt onderhouden en vrij van groeneaanslag/algenaanslag wordt gemaakt;

in reconventie:

5.7.

verbiedt [eisende partij sub 1 c.s.] om het deel van de doorgang dat gelegen is op het erf van [gedaagde sub 1 c.s.] te betreden;

5.8.

verbiedt [eisende partij sub 1 c.s.] het pad en de houten brug voor zover deze behoren tot en gelegen zijn op het erf van [gedaagde sub 1 c.s.] te betreden;

in conventie en reconventie:

5.9.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

5.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019.1

1 type: 2578 coll: