Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4086

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
C/09/570189 / KG ZA 19/260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verzekeringszaak. Afwijzing vordering om gedaagde te gebieden de verzekering te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/570189 / KG ZA 19/260

Vonnis in kort geding van 28 maart 2019

in de zaak van

Debo-Plant te Asten,

eiseres,

advocaat mr. D.J. Kramer te Oosterbeek,

tegen:

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Debo’ en ‘NN’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de door beide partijen overgelegde producties;

- de op 19 maart 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Debo is een vennootschap onder firma, bestaande uit drie vennoten. Debo voert een glastuinbouwbedrijf. Debo heeft per 1 april 2016 diverse bedrijfsverzekeringen afgesloten bij Delta Lloyd, thans NN, die daarbij deels handelde als gevolmachtigde van (een) andere vennootschap(pen). In het hierna vermelde zal over al deze verzekeringen worden gesproken als ‘de verzekeringen’. De verzekeringen zijn afgesloten door tussenkomst van [X] Assurantiën B.V. te Someren (hierna: [X], waar naar zal worden verwezen in de mannelijke vorm), die op de polissen is vermeld als verzekeringsadviseur.

2.2.

Debo was voordien elders verzekerd, maar die verzekeringen zijn door de betreffende verzekeraar opgezegd omdat er – na de afwikkeling van een grote brandschade – een vertrouwensbreuk was ontstaan.

2.3.

Enkele maanden na het afsluiten van de verzekeringen heeft zich op 24 juni 2016 een grote hagelschade voorgedaan bij Debo. NN heeft bijgedragen aan het herstel van de schade door het bedrijf Oxxx. Tussen Debo en Oxxx is thans nog een procedure aanhangig omdat Oxxx volgens Debo toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen tot het naar behoren uitvoeren van herstel.

2.4.

Voordat het herstel van de door Debo gestelde ondeugdelijke reparaties van Oxxx heeft kunnen plaatsvinden, is op 18 januari 2018 wederom schade ontstaan aan de kassen van Debo als gevolg van een zeer zware storm. NN heeft de kosten van het herstel van de stormschade op zich genomen. NN heeft vervolgens aan [X] meegedeeld dat, omdat de kassen in orde zijn gemaakt, de onderhoudsclausule kan komen te vervallen.

2.5.

Op 28 januari 2019 heeft NN per e-mail aan [X] bericht dat alle verzekeringen van Debo per 1 april 2019, zijnde de contractvervaldatum, worden opgezegd. [X] heeft Debo daarover daarna geïnformeerd. De beëindiging van de verzekeringen per 1 april 2019 staat ook vermeld in een door NN aan Debo gerichte brief van 26 februari 2019.

3 Het geschil

3.1.

Debo vordert – verkort en zakelijk weergegeven – NN te verbieden de verzekeringen te beëindigen, al dan niet gedurende een bepaalde periode of totdat in een bodemprocedure over de opzegging van de verzekeringen is geoordeeld, een en ander op de wijze zoals in de dagvaarding nader geformuleerd, met veroordeling van NN in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert Debo – samengevat – het volgende aan. NN heeft Debo minder dan twee maanden voor de contractvervaldatum over de opzegging geïnformeerd. Dat is niet tijdig. Ook heeft NN daarvoor de indruk gewekt dat de verzekeringen zouden worden voortgezet. Voor wat betreft de rol van [X] in dit gebeuren heeft te gelden dat hij niet een onafhankelijke tussenpersoon is en dat zijn kennis en handelen niet aan Debo kunnen worden toegerekend. Verder geeft NN geen reden voor de opzegging. Gelet hierop, alsmede op de wijze waarop de schades zijn afgewikkeld zoals geschetst in de dagvaarding, op de wijze van communiceren (inhoudende een gebrek aan communicatie) en op het verstrekkende gevolg van de opzegging, voldoet deze niet aan de normen van redelijkheid en billijkheid en maakt NN hiermee misbruik van recht. Wat betreft het verstrekkende gevolg merkt Debo op dat het haar tot op heden niet is gelukt haar verzekeringsportefeuille elders onder te brengen. Als zij onverzekerd is, zal de huisbankier naar alle waarschijnlijkheid de financiering opzeggen. Dat zal de ondergang betekenen van haar bedrijf, aldus Debo.

3.3.

NN voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

NN heeft primair het verweer gevoerd dat de vorderingen niet kunnen slagen omdat Debo niet de juiste rechtspersoon heeft gedagvaard. NN heeft ter zitting toegelicht dat haar is gebleken dat dit (anders dan zij eerder dacht en in de pleitnota heeft opgenomen) niet voor alle verzekeringen geldt, maar slechts voor drie daarvan. Bij die verzekeringen is namelijk een andere rechtspersoon de risicodrager en treedt NN louter op als gevolmachtigde; die rechtspersoon had daarom gedagvaard moeten worden, aldus NN. Dit heeft Debo niet weersproken, maar er zijn dus ook vijf verzekeringen waarbij NN wel zelf de verzekeraar is, zo begrijpt de voorzieningenrechter de stellingen van NN. De voorzieningenrechter zal daarom tot een inhoudelijke beoordeling overgaan.

4.2.

Bij die beoordeling is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat:

1. de opzegging is geschied op grond van de volgende bepaling in de toepasselijke voorwaarden:

“Wij kunnen de verzekering beëindigen in de volgende gevallen:

1. per de contractvervaldatum

Als wij van deze mogelijkheid gebruik maken, informeren wij u hierover. Wij doen dit minimaal twee maanden voor de contractvervaldatum.

2. in die voorwaarden ook de volgende clausule is opgenomen:

“Wij sturen informatie over de verzekering naar u of uw verzekeringsadviseur. Informatie over uw verzekering kunnen wij rechtsgeldig sturen naar

  • -

    u op het adres dat bij ons als laatste bekend is of

  • -

    naar uw verzekeringsadviseur.

Dat betekent dat wij er van uit mogen gaan dat de informatie die wij gestuurd hebben, juist is geadresseerd en u heeft bereikt.”

4.3.

[X] staat op de polissen vermeld als de verzekeringsadviseur van Debo. Op grond van de onder 4.2 geciteerde clausule kon het opzeggingsbericht daarom naar hem worden gestuurd. Van die mogelijkheid heeft NN gebruik gemaakt en wel op 28 januari 2019. Daarmee staat vast dat NN meer dan twee maanden voor de contractvervaldatum van de verzekeringen Debo – op de toegestane wijze via haar verzekeringsadviseur – heeft geïnformeerd over de beëindiging van de verzekeringen.

4.4.

Voor zover Debo heeft willen betogen dat de informatie, ondanks voormelde bepaling, toch rechtstreeks naar haar gestuurd had moeten worden, wordt daaraan voorbij gegaan. Debo baseert dit betoog naar de voorzieningenrechter begrijpt op de stelling dat [X] de enige verzekeringstussenpersoon is in de regio, dat hij in feite niet onafhankelijk is en moet worden beschouwd als de opdrachtnemer van NN. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of, als dit al zo zou zijn, dat ertoe moet leiden dat voormelde bepaling niet meer geldt, kan in dit geding niet van de juistheid van die stelling worden uitgegaan. NN heeft dit gemotiveerd weersproken. Er zijn volgens haar meer tussenpersonen in de regio. Die moeten echter wel voldoen aan strenge eisen, zodat het regelmatig voorkomt dat gegadigden worden afgewezen, aldus NN. NN heeft verder uiteengezet dat een opdracht tot bemiddeling en advisering nooit van haar afkomstig is, maar altijd van de verzekerde. Daarbij heeft NN ook nog verwezen naar de door [X] op zijn website gegeven informatie. Deze houdt onder meer in dat hij een onafhankelijk kantoor runt en zijn werkzaamheden verricht voor klanten die werkzaam zijn in het midden- en kleinbedrijf. Gelet op dit alles kan niet worden geoordeeld dat de opzeggingsverklaring van NN alleen effect zou hebben wanneer deze (rechtstreeks) gericht zou zijn tot Debo.

4.5.

Overigens acht de voorzieningenrechter ook aannemelijk geworden dat Debo vóór 1 februari 2019 op de hoogte was van de opzegging van de verzekeringen. De voorzieningenrechter heeft daarbij acht geslagen op de inhoud van de in het geding gebrachte berichten van [X] (die stelt dat hij de opzeggingsbrief op 29 januari 2019 aan Debo heeft overhandigd) en van een medewerker van NN (die stelt op 1 februari 2019 te zijn benaderd door een tussenpersoon die aangaf door Debo te zijn benaderd en die bij NN informeerde of de opzegging definitief was).

4.6.

Het standpunt van Debo dat toezeggingen aan haar zijn gedaan, inhoudende dat de verzekeringen niet zouden worden opgezegd, is gebaseerd op uitlatingen van [X] aan haar in een e-mailbericht van 16 november 2018 (“er is géén reden om het contract per vervaldatum te royeren, derhalve automatische verlenging”). De vraag die moet worden beantwoord is echter of NN dergelijke toezeggingen (aan Debo of [X]) heeft gedaan. Zoals hiervoor overwogen moet er immers vanuit worden gegaan dat [X] werkt in opdracht van Debo. Van toezeggingen van de zijde van NN is de voorzieningenrechter niet gebleken. Integendeel, NN heeft met de overlegging van de gehele e-mailwisseling tussen [X] en de contactpersoon van haar zijde (hierna: [Y]) aangetoond dat [Y] niet de door [X] geformuleerde toezegging heeft gedaan. Bovendien blijkt hieruit dat [Y] direct na zijn kennisname van het bericht van [X] aan Debo eerstgenoemde op zijn verkeerde interpretatie van zijn bericht heeft gewezen. Daarbij heeft hij verduidelijkt hoe zijn eerdere bericht (wel en niet) moet worden begrepen (te weten in ieder geval niet als een bericht met een garantie omtrent verlenging van de verzekeringen in de toekomst).

4.7.

Nu de opzegging tijdig is gedaan en niet kan worden aangenomen dat deze strijdig is met gedane toezeggingen resteert de vraag of de opzegging van de overeenkomst in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Daartoe is het volgende redengevend.

4.8.

Het beginsel van de contractsvrijheid staat in deze voorop. Dit betekent dat de verzekeraar mag bepalen of, en zo ja, onder welke voorwaarden en voor welke periode zij met de verzekeringnemer wenst te contracteren. NN is in beginsel dan ook gerechtigd voor de afloop van de geldende termijn te overwegen of zij na de contractvervaldatum de verzekering met dezelfde dekkingsmogelijkheden wenst te continueren en naar aanleiding van die overweging te besluiten om de verzekering tegen het einde van de contractvervaldatum op te zeggen.

4.9.

Bij die overweging en dat besluit heeft het schadeverleden van Debo een rol gespeeld, zo is ter zitting gebleken. Tussen partijen is niet in geschil dat de bij NN geclaimde schades het gevolg waren van noodweer dat niet alleen tot schade bij Debo maar tot veel schade in de omgeving heeft geleid. Naar de onweersproken stelling van NN heeft dit ertoe geleid dat zij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomsten met Debo uitkeringen aan haar heeft gedaan ter hoogte van in totaal € 1.700.000 tegenover een jaarpremie van ongeveer € 14.000,-. Dat is op zichzelf het risico waarvoor NN dekking bood. Dat wil echter nog niet zeggen dat NN niet op enig moment een bedrijfseconomische afweging mocht maken of zij dit risico na ommekomst van de overeengekomen looptijd van de verzekeringen nog langer wilde dekken. Daar is in dit geval voor NN kennelijk bijgekomen dat zij moeite heeft met de handelwijze/opstelling van Debo bij de schadeafhandeling. Zij heeft daarvan enkele voorbeelden gegeven. Dat geldt andersom ook. Op basis van de stellingen van partijen kan genoegzaam worden vastgesteld dat partijen elkaar over en weer verwijten maken. Aannemelijk is dat beide partijen hierin een aandeel hebben. Wat daar echter ook van zij, gezien het uitgangspunt zoals onder 4.8 vermeld, heeft NN aan haar vaststellingen en indrukken de gevolgen kunnen verbinden, zoals zij heeft gedaan.

4.10.

Of NN de reden voor de opzegging al eerder aan Debo heeft gegeven dan ter zitting in dit geding, kan niet worden vastgesteld. Uit de reactie van [X] van 28 januari 2019 zou kunnen worden afgeleid dat de reden van de opzegging bij hem in ieder geval bekend was (“zo’n opzegging door verzekeraar blijft jammer, ook al begrijp ik de reden”). Ook als dit niet zo zou zijn, is dat echter onvoldoende redengevend om tot een ander oordeel te komen.

4.11.

Dat dit verstrekkende gevolgen kan hebben voor Debo is genoegzaam gebleken, gezien de verklaring van Debo dat zij haar verzekeringsportefeuille tot op heden niet elders heeft kunnen onderbrengen. Die omstandigheid kan voormeld oordeel echter niet anders maken. De maatschappelijke verantwoordelijkheid van een verzekeraar als NN, die ook heeft te zorgen voor de continuïteit van haar eigen bedrijf, reikt niet zo ver dat zij om die reden gehouden is om dekking te blijven verlenen aan een partij waarbij zij dit bedrijfseconomisch niet langer verantwoord acht en waarin zij onvoldoende vertrouwen heeft. Dat NN misbruik maakt van haar opzeggingsbevoegdheid kan in het licht hiervan ook niet worden aangenomen.

4.12.

Voor toewijzing van het in dit geding door Debo gevorderde ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding. Debo zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt Debo in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van NN begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2019.

ts