Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
C/09/567253 KG ZA 19/80
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tussen ex-echtgenoten. Er is een verdelingsbeschikking gewezen, waaraan deels al uitvoering is gegeven. De vrouw vordert dat de man onmiddellijk zijn medewerking moet verlenen aan diverse resterende in de verdelingsbeschikking opgenomen onderdelen die uitmonden in een aan haar nog uit te keren bedrag. Gelet op alle omstandigheden, waaronder het reeds aan de vrouw uitgekeerde bedrag van ruim 1 miljoen euro, de aannemelijke verklaring van de man dat hij eerst een woning moet verkopen voordat hij de resterende uitkering kan doen, de door de man toegelichte stand van zaken omtrent de verkoop van die woning en de door de man gedane toezeggingen, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in te zien waarom er thans met spoed een ordemaatregel moet worden getroffen. Afwijzing van het gevorderde bij gebrek aan spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/567253 / KG ZA 19/80

Vonnis in kort geding van 12 maart 2019

in de zaak van

[eiseres] , volgens de dagvaarding wonende te [woonplaats 1] , thans verblijvende te [verblijfplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M.H. van den Berg te Zeist,

tegen:

[gedaagde] wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de man overgelegde producties;

- de door de man overgelegde akte houdende een voorwaardelijke eis in reconventie;

- de door de vrouw overgelegde akte houdende een vermeerdering van eis, met producties;

- de op 26 februari 2019 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Dit huwelijk is op 19 maart 2018 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 6 december 2017.

2.2.

In de echtscheidingsbeschikking is iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden. Bij beschikking van 18 september 2018 (hierna: de verdelingsbeschikking) heeft de rechtbank, zeer verkort weergegeven, ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bepaald dat i) diverse boedelbestanddelen aan de man worden toegedeeld, waaronder de woning te Portugal, de appartementen te Amersfoort, de aandelen in [X] Amersfoort Holding B.V. (hierna: de BV), de levensverzekeringen bij ASR (hierna: de polissen), de lijfrenteverzekering, de bankrekeningen van de man en de auto, merk Porsche, waartegenover de man aan de vrouw de in de beschikking genoemde bedragen en de nog vast te stellen bedragen aan overbedeling aan de vrouw dient uit te keren, ii) enkele goederen aan de vrouw worden toegedeeld, waaronder het saldo van een bankrekening en de auto, merk Volkswagen, waarvoor de vrouw aan de man een bedrag aan overbedeling moet vergoeden. Voorts is bepaald dat de vrouw aansprakelijk is voor de schuld van partijen van € 120.000,- jegens de BV. De inboedel dient volgens de verdelingsbeschikking bij helfte tussen partijen te worden verdeeld zonder nadere verrekening.

2.3.

In de echtscheidingsbeschikking is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen partneralimentatie afgewezen. Bij beschikking van 19 september 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) de echtscheidingsbeschikking in zoverre bekrachtigd. Verkort weergegeven overweegt het Hof hiertoe dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien; deels door te werken (waarbij het Hof ervan uitgaat dat de vrouw een inkomen kan verwerven van € 2.268,90) en deels met het rendement op het vermogen dat haar toekomt uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het Hof overweegt daarbij dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij daarop zo nodig inteert.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert, verkort en zakelijk weergegeven, na vermeerdering van eis, de man te veroordelen:

  1. zijn medewerking te verlenen aan hetgeen is bepaald in de verdelingsbeschikking ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap;

  2. zijn medewerking te verlenen aan de levering van de aandelen in de BV aan zich, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en ten tijde van de betreffende notariële akte een bedrag van € 1.197.500,- aan de vrouw te betalen;

  3. uiterlijk op het moment als onder 2 genoemd bij ASR opgave te vragen van de waarde van de polissen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, waarbij de man de helft van de waardestijging tussen 31 december 2018 en de datum van feitelijke verdeling aan de vrouw moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  4. tot het afstorten van een bedrag van € 190.474,50 betreffende de lijfrente in de BV binnen veertien dagen nadat de vrouw de man heeft bericht waar het bedrag moet worden gestort, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  5. een bedrag van € 17.477,39 aan de vrouw te betalen betreffende de verevening van de banksaldi van de in de verdelingsbeschikking genoemde bankrekeningen binnen acht dagen nadat dit vonnis is uitgesproken, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  6. aan de vrouw een bedrag van € 25.000,- te betalen betreffende de verdeling van de in de verdelingsbeschikking genoemde auto’s binnen acht dagen nadat dit vonnis is uitgesproken;

  7. aan de vrouw een bedrag van € 12.500,- te betalen betreffende de door de man verkochte inboedel binnen een week nadat dit vonnis is uitgesproken;

  8. aan de vrouw een bedrag van € 32.300,- te betalen, zijnde de helft van de huur van het appartement te Amersfoort van € 1.900 per maand over de periode van februari 2017 tot juni 2018 dan wel de helft van het betreffende netto-huurbedrag van dat appartement over de genoemde periode, en tevens aan de vrouw te betalen de helft van het huurbedrag per maand vanaf juli 2018 totdat het appartement is toegedeeld aan een van partijen of is verkocht;

  9. aan de vrouw te betalen een bedrag van € 3.689,50 betreffende de aanslag IB 2015, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  10. voorwaardelijk, indien de reconventionele vordering van de man in behandeling wordt genomen, aan de vrouw een bedrag van € 120.428,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.2.

Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De verdeling, waarbij alle substantiële boedelbestanddelen zijn toegedeeld aan de man en waarbij de man de vrouw zou uitkopen, heeft op die wijze plaatsgevonden op zijn verzoek. De man dient zich hier aan te houden. Het standpunt van de man dat hij pas hoeft af te rekenen met de vrouw als de woning in Portugal is verkocht, is onjuist. Er is bij de aandelen – anders dan bij de toedeling van de onroerende zaken waar een termijn van drie maanden aan was verbonden – geen termijn bepaald, zodat aan die bepaling onmiddellijk uitvoering moet worden gegeven en er direct betaald moet worden. De man beschikt over voldoende financiële middelen daarvoor of kan die in ieder geval verkrijgen. De vrouw heeft een zwaarwegend belang bij uitbetaling op korte termijn. Zij heeft het bedrag nodig om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook voor het overige moet de man de vastgestelde verdeling nakomen. De vrouw heeft verder recht op de helft van de opbrengst van de inboedel, die aan haar was toegedeeld maar door de man is verkocht, en op de helft van de huuropbrengst van het (voorheen gemeenschappelijke) appartement te Amersfoort.

3.3.

De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

De man vordert voorwaardelijk – voor het geval (een deel van) de vorderingen van de vrouw zou(den) worden toegewezen – zakelijk weergegeven: de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 57.294,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

Uit het hierna vermelde blijkt dat voormelde voorwaarde niet wordt vervuld. De reconventionele vordering dient daarom als niet ingesteld te worden beschouwd. Dat geldt dientengevolge ook voor de vordering in conventie sub 10, die is ingesteld voor het geval de reconventionele vordering van de man in behandeling zou worden genomen.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in alle spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, de voorzieningenrechter bevoegd is deze te geven (artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het ligt op de weg van de eisende partij, in dit geval de vrouw, om voldoende toe te lichten waarom in dit geding met spoed de door haar gevorderde ordemaatregelen zouden moeten worden getroffen, zeker nu de man heeft betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van de vrouw.

4.2.

In dit kader is op de eerste plaats het volgende van belang. De vrouw heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de man op grond van het bepaalde in de verdelingsbeschikking gehouden is om onmiddellijk over te gaan tot uitvoering van hetgeen in die beschikking is bepaald. Dat geldt volgens haar in ieder geval voor de levering van en betaling voor de aandelen in de BV, nu daarbij geen betalingstermijn is opgenomen. In dit standpunt kan de vrouw niet worden gevolgd. Daartoe is van belang dat hier geen sprake is van een veroordelend vonnis. In de verdelingsbeschikking is vastgesteld op welke wijze de verdeling dient plaats te vinden. De beslissing in de verdelingsbeschikking biedt de grondslag voor de saldering van activa en passiva maar houdt deze nog niet in. Deze beschikking bevat ook niet een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing (vgl: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 november 2013, ECLI:GHSHE:2013:5215). Bij de te hanteren termijnen dient acht te worden geslagen op de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen ex-echtgenoten beheerst.

4.3.

Gebleken is dat partijen na de verdelingsbeschikking met de verdeling aan de slag zijn gegaan. Deels is hieraan ook al uitvoering gegeven, te weten voor wat betreft de toedeling van de woning te Portugal en de appartementen te Amersfoort aan de man, waartegenover de man het in de verdelingsbeschikking genoemde bedrag van € 1.061.991,75 aan de vrouw heeft betaald. De man stelt deze uitkering te hebben kunnen doen uit de opbrengst van de appartementen te Amersfoort. Om de resterende uitkering te kunnen doen, onder meer voor de aandelen in de BV, stelt hij de opbrengst van de verkoop van de woning in Portugal nodig te hebben. Indien acht wordt geslagen op de aanzienlijke uitkering die de man al heeft gedaan en op de toelichting die de man desgevraagd ter zitting heeft gegeven over zijn financiële situatie, komt dit de voorzieningenrechter zonder meer aannemelijk voor. Dat de man een zo spoedige mogelijke verkoop van die woning wenst, zoals hij heeft verklaard, acht de voorzieningenrechter evenzeer aannemelijk. Beide partijen zijn daar immers bij gebaat.

4.4.

Wat betreft de stand van zaken aangaande de verkoop van de woning te Portugal heeft de man toegelicht dat de woning sinds twee à drie maanden bij drie makelaars in de stille verkoop staat, waarbij hij ook de reden voor die verkoopwijze heeft genoemd. Er zijn volgens de man al diverse bezichtigingen geweest, waaronder ook meerdere bezichtigingen door één persoon. De man heeft de verwachting de woning op relatief korte termijn te verkopen voor ongeveer de vraagprijs. Hij heeft zich echter ook bereid getoond om op advies van de makelaars de vraagprijs te verlagen indien blijkt dat deze niet reëel is. Tevens heeft de man bij monde van zijn advocaat ter zitting toegezegd de vrouw maandelijks, dan wel desgewenst vaker, te informeren over bij welke makelaars de woning te koop staat en voor welke vraagprijs en hoeveel geïnteresseerden zich hebben gemeld en/of hoeveel bezichtigingen er zijn geweest.

4.5.

Onder deze omstandigheden valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in te zien welk spoedeisend belang de vrouw heeft bij het in dit kort geding treffen van de door haar gevorderde ordemaatregelen. Voor zover de vrouw de man kwalijk neemt dat hij in de echtscheidingsprocedure toezeggingen heeft gedaan die hij niet waarmaakt, heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in dit geding niet kan beoordelen in hoeverre dat het geval is. Bovendien is op dit moment ook met name de huidige feitelijke stand van zaken relevant, zoals geschetst onder 4.3 en 4.4. Voor zover de vrouw heeft verklaard het bedrag dat haar nog toekomt nodig te hebben om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, heeft te gelden dat zij op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij, mede gezien de recente betaling van ruim een miljoen euro, zich thans in een zodanige financiële situatie bevindt, dat er met spoed een ordemaatregel moet worden getroffen. Desgevraagd heeft de vrouw ter zitting opgesomd waar zij het reeds uitgekeerde bedrag van € 1.061.991,75 aan heeft besteed. Zij stelt een nieuwe woning te hebben gekocht, hetgeen – vermeerderd met diverse kosten – ongeveer € 800.000,- heeft gekost, een nieuwe auto van € 70.000,- te hebben aangeschaft, een lening te hebben afgelost en diverse kosten te hebben betaald, waarover van haar advocaat en accountant. Met deze zeer globale toelichting, niet nader onderbouwd met stukken, heeft de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er niets of weinig meer resteert van het recent uitgekeerde bedrag en dat zij met spoed dient te beschikken over het resterende bedrag. Daarbij heeft de man ook nog terecht gewezen op het voorschot dat de vrouw eind 2016 heeft opgenomen van € 120.000,-, waarmee toch ook een aanzienlijke periode zou moeten kunnen worden overbrugd.

4.6.

Voor toewijzing van de vorderingen tot betaling in kort geding, die hun grondslag vinden in het bepaalde in de verdelingsbeschikking, ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding. Voor zover de vrouw meent dat zij nog recht heeft op bedragen die niet in de verdelingsbeschikking staat vermeld, heeft zij evenmin onderbouwd dat zij daarbij een zodanig spoedeisend belang heeft dat het voeren van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

4.7.

De voorzieningenrechter hecht eraan nog op te merken dat, zoals ter zitting ook al door haar aan partijen is meegegeven, het haar redelijk voorkomt dat i) de man zijn toezeggingen als vermeld onder 4.4. gestand zal doen, ii) de man de makelaars bericht dat het streven is om de woning uiterlijk 1 januari 2020 te verkopen, iii) de man bij uitblijven van een spoedige verkoop een tussentijdse aanpassing van de vraagprijs overweegt en iv) de man aan de vrouw een rentevergoeding betaalt over het uitkoopbedrag dat haar nog toekomt, welk bedrag tussen partijen niet in geschil is. Hierbij is van belang dat aan de vrouw geen partneralimentatie is toegekend om de redenen als onder 2.2 verkort weergegeven. Partijen hebben tijdens een schorsing van de zitting geen overeenstemming kunnen bereiken over het te hanteren rentepercentage. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou een percentage ter hoogte van de huidige wettelijke rente van 2% redelijk zijn. De vrouw heeft echter niet gevorderd om een hierop gerichte voorziening te treffen. De voorzieningenrechter geeft partijen mee om hierover alsnog nader met elkaar in overleg te treden.

4.8.

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

ts