Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:405

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
NL18.23513
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie. Niet gebleken dat de situatie zodanis is verslechterd dat niet langer uitgegaan kan worden van de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.23513


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.23514, plaatsgevonden op 10 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Muller, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F.S. Bernstein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Togolese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. Eiser heeft op 4 augustus 2018 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit Eurodac is gebleken dat eiser op

26 september 2013 in Italië en op 28 februari 2014 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Gelet op de beschikbare informatie heeft verweerder op 19 september 2018 aan Italië gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 1 oktober 2018.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, omdat hij het grondgebied van de lidstaten voor meer dan drie maanden heeft verlaten. Subsidiair stelt eiser dat verweerder ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, mede als gevolg van het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten 24 september 2018 (hierna: het wetsdecreet). Eiser voert daartoe aan dat uit verschillende rapporten1 blijkt dat er tekortkomingen zijn in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië. Er is, onder andere, sprake van een tekort aan opvangplaatsen, huisvesting en de autoriteiten hebben moeite om asielaanvragen tijdig in behandeling te nemen. Daarnaast worden vluchtelingen, waaronder Dublin-terugkeerders, vastgehouden in overbevolkte en onhygiënische omstandigheden. Verder stelt eiser dat het wetsdecreet de status van humanitaire bescherming afschaft en de toegang tot het SPRAR opvangsysteem wordt beperkt. Asielzoekers en personen met een humanitaire beschermingsstatus zouden daardoor van SPRAR-locaties worden uitgesloten en alleen toegang hebben tot eerstelijns opvangcentra en tijdelijke opvangcentra (CAS), waarde levensomstandigheden vaak kritiek zijn.

In de aanvullende beroepsgronden stelt eiser dat, ondanks de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), het opvangsysteem in Italië als gevolg van het wetsdecreet wel degelijk gebreken vertoont en onder druk staat. Eiser verwijst daartoe naar de volgende informatie, die door de Afdeling niet is meegenomen in de uitspraak van 19 december 2018:

- het artikel “New Italian law adds to unofficial clampdown on aid to asylum seekers” van IRIN News van 7 december 2018;

- het rapport “Mutual trust is still not enough. The situation of persons with special reception needs transferred to Italy under the Dublin II Regulation” van de Dnaish Refugee Council en de Swiss Refugee Council 12 december 2018.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij het grondgebied van de lidstaten voor meer dan drie maanden heeft verlaten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft geen verifieerbare verklaringen afgelegd en ook ontbreekt het aan reisbescheiden of ander indicatief bewijs. Daarbij is tevens van belang dat de Italiaanse autoriteiten bij het claimverzoek is meegedeeld dat eiser heeft gesteld het grondgebied voor een periode langer dan drie maanden te hebben verlaten, maar dat zij desalniettemin op 1 oktober 2018 akkoord zijn gegaan met het claimverzoek. De door eiser overgelegde foto’s leveren evenmin concrete aanknopingspunten op voor de stelling van eiser en kunnen niet als ondersteunend bewijs dienen, nu uit de foto’s niet valt af te leiden voor welke periode eiser buiten het grondgebied van de lidstaten is geweest en of dat überhaupt wel het geval is geweest. Nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening, kan het betoog dat verweerder verantwoordelijk is voor de asielaanvragen van eisers niet slagen.

4.2

De Afdeling heeft bij uitspraak van 19 december 2018, voor zover van belang, het volgende geoordeeld:

“6. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3246 en van 11 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3323 recent nog geoordeeld dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.

6.1.

Het is duidelijk dat het decreet een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft. Dit heeft, zoals de vreemdeling ter zitting heeft aangevoerd, tot een aantal incidenten geleid waarbij vreemdelingen uit de SPRAR-opvang zijn gezet. Zoals de staatssecretaris heeft toegelicht, en wat de vreemdeling niet betwist, heeft het decreet echter niet tot gevolg dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Van belang is dat de staatssecretaris conform artikel 32 van de Dublinverordening melding blijft maken van de bijzondere behoeften en omstandigheden van een vreemdeling en de staatssecretaris de overdracht opschort zodra duidelijk is dat Italië daar niet aan kan voldoen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. De vreemdeling heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het decreet leidt tot aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang van Dublinclaimanten. Evenmin heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM, omdat meer vreemdelingen een beroep moeten doen op de algemene opvanglocaties. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het aantal in 2018 in Italië gearriveerde vreemdelingen een stuk lager ligt dan in de voorgaande jaren.”

4.3

De rechtbank is gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling van oordeel dat het standpunt van eiser dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden vanwege het wetsdecreet en tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure in Italië, niet slaagt. De door eiser aangehaalde algemene informatie en uitspraken die dateren van voor de Afdelingsuitspraak leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze reeds zijn meegenomen in het oordeel van de Afdeling. Ten aanzien van de door eiser overgelegde aanvullende stukken, die niet zijn betrokken in het oordeel van de Afdeling van 19 december 2018, overweegt de rechtbank als volgt. Deze stukken beslaan deels een periode die al in de beoordeling van de Afdeling is betrokken. Voor zover de stukken nieuwe informatie bevatten is niet gebleken dat de situatie zodanig is verslechterd dat niet langer uitgegaan kan worden van de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018.

4.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat, indien en voor zover Italië zich niet zou houden aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn, verweerder onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak K.R.S. t. het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (zaaknummer 32733/08, JV 2009/41), terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten of de geëigende instanties. Het uitgangspunt is dat over een eventuele schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) kan worden geklaagd vanuit de betrokken verantwoordelijke lidstaat. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (zaaknummer 30696/09). Uit wat eiser heeft aangevoerd en hetgeen de Afdeling bij uitspraak van 19 december 2018 heeft overwogen kan niet worden afgeleid dat de asielprocedure in Italië dergelijke structurele gebreken vertoont.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Rapport van USDOS van 20 april 2018, het jaarrapport van Freedom House van 5 april 2018, de update van het Asylumn Information Database van 21 maart 2018, het rapport ‘Out of Sight’ van MSF van 8 februari 2018, jaarrapport van Human Rights Watch van 18 januari 2018, artikel van IRIN van 21 november 2017, nieuwsbericht van ECRE van 26 september 2018.