Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:402

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
09-818052-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwillige terugtred bij voorbereidingshandelingen. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/818052-18

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [geboortedatum]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.C. Stolk en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. P.B. Spaargaren, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 oktober 2018 te Delft, althans in Nederland ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord of doodslag of zware mishandeling met voorbedachten rade of zware mishandeling (op/ [slachtoffer] ), als bedoeld in artikel 289 of 287 of 303 of 302 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk een vuurwapen kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

2.

hij in of omstreeks de periode van 02 oktober tot en met 03 oktober 2018 te

Delft:

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gas/alarmpistool, van het merk BBM, model Bruni model 92, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of

- munitie van categorie III, te weten, vijf, althans een (aantal) (omgebouwde) knalpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte kent [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), omdat [slachtoffer] in het verleden in de snackbar van de vader van de verdachte heeft gewerkt. Volgens de verdachte heeft [slachtoffer] vijf of zes jaar geleden gedurende een lange periode geld van zijn vader gestolen. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij “alles” van [slachtoffer] wilde afpakken en heeft ter terechtzitting verklaard dat hij hem wilde neerschieten in zijn been.

De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1) het op 2 oktober 2018 te Delft, ter voorbereiding van het plegen van een moord of doodslag of zware mishandeling op [slachtoffer] , opzettelijk voorhanden hebben van een vuurwapen en

2) het omstreeks 3 oktober 2018 te Delft voorhanden hebben van een categorie III vuurwapen, te weten een ongebouwd gas/alarmpistool, kaliber 9 mm en/of munitie van categorie III, te weten vijf, althans een (aantal) (omgebouwde) knalpatronen, 9 mm.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 (voorbereiding van moord) en 2 ten laste gelegde feiten. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman dient de verdachte te worden vrijgesproken van de voorbereidingshandelingen moord dan wel doodslag op [slachtoffer] vanwege het ontbreken van opzet. De verdachte heeft nooit het oogmerk gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Hij wilde hem slechts in zijn been schieten, aldus de raadsman. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de voorbereidingshandeling van zware mishandeling op [slachtoffer] . De verdachte moet verder partieel worden vrijgesproken van het feit dat hij het wapen heeft “verworven” ter voorbereiding van het misdrijf. Hij heeft het wapen voor een ander doel, namelijk ter bescherming van zichzelf tijdens het nachtvissen, aangeschaft, aangezien hij eerder was overvallen tijdens het nachtvissen. Verder heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het voorhanden hebben van het vuurwapen en/of munitie. Op de specifieke standpunten van de raadsman zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

De verklaringen van verdachte

Ten aanzien van feit 1

Op 3 oktober 2018 heeft de verdachte zich gemeld bij de politie en heeft het volgende verklaard. Hij was voornemens iets ergs te doen en hij wilde zich om die reden graag aangeven bij de politie. Op 2 oktober 2018 was hij wakker geworden en in plaats van naar zijn werk te gaan, had hij het idee opgevat om [slachtoffer] (alsnog) terug te pakken voor hetgeen hij zijn (verdachtes) ouders zo’n vijf jaar geleden had aangedaan. Hij wilde hem neerschieten. Hij is met een vuurwapen naar de snackbar op de [adres] gegaan om hem op te zoeken, maar de baas van [slachtoffer] vertelde dat hij met vakantie was. Hierna is hij naar de wijk waar [slachtoffer] woonde gereden en heeft hij heel de dag rondjes gereden. Vervolgens is hij naar [voetbalvereniging] gereden en is in zijn auto in slaap gevallen. In de ochtend is hij naar zijn tante gereden en heeft zijn tante het verhaal verteld. Zij gaf aan dat hij de politie moest bellen. Nadat hij dit ook met zijn moeder telefonisch had besproken en zij naar zijn tante was gekomen, heeft hij het vuurwapen in haar auto neergelegd. Kort hierop is hij naar de politie gegaan. De politie heeft in het voertuig het vuurwapen aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een week voor 2 oktober 2018 een vuurwapen van een kennis heeft gekocht. Een à twee dagen voor 2 oktober 2018 heeft hij aan zijn vader met een smoes gevraagd waar [slachtoffer] woonde. Op 2 oktober 2018 is hij naar de snackbar waar [slachtoffer] werkte gereden en heeft daar ongeveer 30 minuten bij de snackbar gewacht. Op dat moment lag het wapen naast hem op de stoel en lag de patroonhouder daarnaast. Het wapen was niet (door)geladen. Hij is, zonder het wapen, naar de snackbar gelopen en heeft gevraagd of “ [slachtoffer] ” er was. Er werd hem verteld dat [slachtoffer] op vakantie was. De verdachte heeft verklaard dat als [slachtoffer] er was geweest, hij hem had willen terugpakken en hem in zijn been had willen schieten. Vervolgens is hij gedurende vijf uur rondjes door de wijk gaan rijden op zoek naar [slachtoffer] . Toen hij die avond en nacht bij [voetbalvereniging] in Delft stond heeft hij nagedacht en besefte dat het niet goed was wat hij aan het doen was en dat hij [slachtoffer] helemaal geen pijn wilde doen. Hij besefte ook dat het niet goed was dat hij een wapen had. Nadat hij zijn verhaal met zijn tante en moeder had gedeeld heeft hij zich bij de politie gemeld.

3.4.2

Wat levert het handelen van de verdachte op?

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde feit is bewezen, moet komen vast te staan dat het in de tenlastelegging omschreven voorwerp (hierna: het middel) bestemd was tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of het middel naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kon zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2007:AZ0213) en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:1503)).

Voorbereiding van moord of doodslag?

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] niet wilde doodschieten. Nu het dossier geen bewijsmiddelen omvat die erop duiden dat de verdachte opzet in voorwaardelijke zin had op de dood van [slachtoffer] spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de ten laste gelegde voorbereiding van moord dan wel doodslag.

Voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade?

Op grond van de verklaring van de verdachte staat vast dat hij het plan had om [slachtoffer] met een vuurwapen in zijn been te schieten. Uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte over een wapen beschikte, hij met een smoes aan zijn vader het adres van [slachtoffer] heeft gevraagd, hij met dat wapen naar de snackbar waar [slachtoffer] werkzaam was is gereden, hij heeft gevraagd waar [slachtoffer] was en vervolgens op zoek is gegaan naar [slachtoffer] in de buurt van zijn woning.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het schieten met een vuurwapen in de richting van een been zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. De rechtbank acht daarom de aan de verdachte ten laste gelegde voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal echter partieel worden vrijgesproken van het “verworven” hebben van het vuurwapen ter voorbereiding van het misdrijf, aangezien de verdachte ter zitting heeft verklaard pas het idee te hebben gehad om [slachtoffer] iets aan te doen nadat hij het wapen had aangeschaft en het dossier geen bewijsmiddelen bevat die dienen te leiden tot een ander oordeel.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en de raadsman van verdachte heeft geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;

  • -

    het proces-verbaal van [naam] , materiedeskundige wapens, munitie en explosieven, 2018267159, van de politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische Opsporing, d.d. 3 oktober 2018 (p. 30-33).

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 2 oktober 2018 te Delft ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten zware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer] , als bedoeld in artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk een vuurwapen kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft voorhanden heeft gehad;

2.

hij in de periode van 02 oktober tot en met 03 oktober 2018 te Delft:

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

een omgebouwd gas/alarmpistool, van het merk BBM, model Bruni model 92, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en

- munitie van categorie III, te weten, vijf omgebouwde knalpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte weliswaar heeft verklaard dat hij [slachtoffer] wilde “neerschieten” in zijn been, maar dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred geen sprake kan zijn. De verdachte heeft zich weliswaar vrijwillig gemeld op 3 oktober 2018, maar op 2 oktober 2018 is hij met het vuurwapen naar de snackbar gegaan. Op 2 oktober heeft hij zich dan ook schuldig gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde, aldus de officier van justitie. Volgens de officier van justitie heeft door een omstandigheid buiten de wil van de verdachte om, te weten de vakantie van [slachtoffer] , het gronddelict niet plaatsgevonden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt voorop dat artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat poging of voorbereiding niet bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk, de zogeheten vrijwillige terugtred. Daartoe is voldoende dat bedoelde omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op vrijwillige terugtred het volgende.

Bewezenverklaard is dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft getroffen om [slachtoffer] met een vuurwapen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte met een vuurwapen naar de snackbar is gereden. Aldaar bleek dat [slachtoffer] met vakantie was.

De rechtbank stelt voorop dat het er (volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad) bij vrijwillige terugtred niet om gaat of de verdachte vrijwillig is teruggetreden vóórdat sprake is geweest van strafbare voorbereidingshandelingen. Van belang is of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is geweest van een voltooid misdrijf (in casu het gronddelict zware mishandeling). Ook nádat de verdachte op 2 oktober 2018 via de baas van [slachtoffer] had vernomen dat [slachtoffer] met vakantie was, had de verdachte het gronddelict, de zware mishandeling, nog steeds (op een later moment) kunnen voltooien. Hij heeft zich echter bedacht. Dat de omstandigheid dat [slachtoffer] op vakantie bleek te zijn moet worden aangemerkt als een van buiten komende factor die mede van invloed kan zijn geweest op het niet voltooien van het misdrijf staat aan het aannemen van vrijwillige terugtred door de verdachte niet in de weg (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2016, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169). Het niet voltooien van het misdrijf is immers gelegen in de wil van de verdachte, te weten dat hij daarna heeft nagedacht over zijn handelen, en zich heeft beseft dat waarmee hij bezig was niet goed was. Hij heeft blijk gegeven van zijn wil om af te zien van zijn plan, door zich vrijwillig van het wapen te ontdoen en zich vervolgens bij de politie te melden. De verdachte is aldus aantoonbaar tot inkeer gekomen. Hierdoor is het gronddelict niet verwezenlijkt. Het beroep op vrijwillige terugtred wordt daarom gehonoreerd. Dit betekent dat het bewezen verklaarde feit niet kan worden gekwalificeerd en dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 2

Het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 2 is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de strafoplegging niet veel langer zou moeten duren dan de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Hij heeft voorts verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte per vandaag op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en knalpatronen. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie is in strijd met de wet. Dit levert een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben hiervan. De verdachte heeft er niet voor geschroomd om met het wapen de straat op te gaan. De rechtbank rekent dit hem aan.

Het strafblad

Uit het strafblad van de verdachte van 6 december 2018 blijkt dat hij wel eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportages van de reclassering van 5 oktober 2018 en 19 december 2018. Blijkens het rapport van 5 oktober 2018 zijn er vermoedens van een verstandelijke beperking bij de verdachte en het recidiverisico wordt als matig ingeschat.

Uit het rapport van 19 december 2018 volgt dat de verdachte moeite lijkt te hebben met het delen van zijn emoties. Het delictgedrag kan mogelijk een uiting zijn van opgekropte emoties van de afgelopen jaren. Ten tijde van het plegen van het delict had de verdachte tijdelijke huisvesting vanwege de scheiding van zijn ouders, wat mogelijk ‘de laatste druppel’ was die heeft geleid tot het delict. De reclassering acht het wenselijk dat er middels gesprekken meer zicht komt op de achterliggende factoren die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het delictgedrag. Het is van belang dat de verdachte leert om over zijn gevoel te praten waardoor hij zijn emoties mogelijk beter weet te reguleren. Het risico kan op dit moment moeilijk worden ingeschat. Een verplicht reclasseringscontact wordt dan ook geïndiceerd.

De reclassering heeft geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, waaronder een meldplicht en een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij akkoord is met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ook heeft hij te kennen gegeven hulp te zullen zoeken bij het praten over zijn emoties. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij spijt heeft van wat er is gebeurd, dat hij openstaat voor een gesprek met [slachtoffer] en dat hij zijn excuses aan hem zal aanbieden.

De straf

Aangezien de verdachte van de voorbereidingshandelingen van moord en doodslag wordt vrijgesproken en ten aanzien van de zware mishandeling met voorbedachten rade wordt ontslagen van alle rechtsvervolging komt de rechtbank tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij neemt de rechtbank de relevante oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend is. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De voorwaardelijke straf dient daarbij enerzijds om te voorkomen dat de verdachte opnieuw terugvalt in delictgedrag en anderzijds om te bewerkstelligen dat de verdachte zich verder zal laten begeleiden en behandelen. Daarbij is van belang dat de verdachte moet voorkomen dat dit nog een keer zal gebeuren, de manier waarop hij nu heeft gehandeld geen oplossing voor die situatie is en hij in de toekomst op een andere wijze zal moeten reageren.

7 Het inbeslaggenomen goed

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het op de beslaglijst vermelde vuurwapen aan het verkeer dient te worden onttrokken.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het in beslag genomen goed.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde goed vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde onder feit 1 niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

verklaart het onder feit 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert het bewezenverklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 123 (honderddrieëntwintig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 30 (dertig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich houdt aan de aanwijzingen van de Reclassering en zich daartoe gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, zulks door de reclassering te bepalen, en zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, zo lang als de reclassering dat nodig acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

het inbeslaggenomen goed;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst genummerde voorwerp, te weten:

1 stuks alarmpistool, kleur: zwart, BBM BRUNI mod. 92.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. A.P. Sno, rechter,

mr. D.C. Laagland, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.N.A. Wooning, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2019.