Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:4

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
C-09-533622-HA ZA 17-596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht: ondanks dat volgorde van overlijden van man en vrouw die tijdens hun huwelijksreis zijn overleden vast te stellen valt, dient op grond van artikel 6:2, tweede lid, BW bij de erfrechtelijke afwikkeling te worden uitgegaan van gelijktijdig overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0026
JERF 2019/14
RN 2019/27
RFR 2019/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/533622 / HA ZA 17-596

Vonnis van 16 januari 2019

in de zaak van

[eiseres] , te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. E.W. Bosch te Honselersdijk,

tegen

1 [gedaagde A] , te [plaats 2] ,

advocaat voorheen mr. M.E. Kreber te Amsterdam,

2. [de curator], te [plaats 3] , in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [gedaagde A] ,

niet verschenen,

3. [gedaagde B], te [plaats 2] ,

advocaat voorheen mr. M.E. Kreber te Amsterdam,

4. [gedaagde C], te [plaats 2] ,

advocaat voorheen mr. M.E. Kreber te Amsterdam,

5. [gedaagde D], te [plaats 1] ,

niet verschenen na in het geding te zijn opgeroepen ex artikel 118 Rv,

6. [gedaagde E], te [plaats 1] , zowel pro se als in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

te [plaats 1] ,

niet verschenen na in het geding te zijn opgeroepen ex artikel 118 Rv,

7. [gedaagde F], te [plaats 1] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

niet verschenen na in het geding te zijn opgeroepen ex artikel 118 Rv,

8. [gedaagde G], te [plaats 4] ,

niet verschenen na in het geding te zijn opgeroepen ex artikel 118 Rv,

9. [gedaagde H], zonder bekende woon- of verblijfplaats,

niet verschenen na in het geding te zijn opgeroepen ex artikel 118 Rv,

10. [gedaagde I], zonder bekende woon- of verblijfplaats,

niet verschenen na in het geding te zijn opgeroepen ex artikel 118 Rv,

gedaagden.

Eisende partij zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden onder 1, 3 en 4 zullen hierna [gedaagde A c.s.] worden genoemd, gedaagden onder 1, 3, 4 en 8 tot en met 10 de ouders en (half)broers en halfzus van [X] en gedaagden onder 5, 6 en 7 [gedaagde D c.s.]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 8 augustus 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het herstelvonnis in incident van 22 augustus 2018.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 12 juni 2016 zijn overleden te [plaats overlijden] (Dominicaanse Republiek) mevrouw [X] , geboren op [geboortedatum 1] (hierna: [X] ) en de heer [Y] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: [Y] ).

2.2.

[eiseres] is de moeder van [Y] . [gedaagde E] (gedaagde onder 5) en [gedaagde D] (gedaagde onder 6) zijn respectievelijk de vader en broer van [Y] . [minderjarige 1 en 2] zijn de zonen van [gedaagde E] en halfbroertjes van [Y] . [gedaagde F] (gedaagde onder 7) is de moeder van [minderjarige 1 en 2] .

2.3.

De overige partijen zijn familie aan de kant van [X] . [gedaagde A] (gedaagde onder 1) en [gedaagde B] (gedaagde onder 3) zijn respectievelijk haar vader en moeder. [gedaagde C] (roepnaam [C] ) (gedaagde onder 4) is haar broer, [gedaagde G] (gedaagde onder 8) en [gedaagde H] (gedaagde onder 9) zijn haar halfbroers en [gedaagde I] (gedaagde onder 10) is haar halfzus. Met haar halfbroers en halfzus had [X] gedurende haar leven weinig tot geen contact.

2.4.

[Y] en [X] hebben elkaar leren kennen in een restaurant te [woonplaats] , waar zij beiden werkten. Na enige tijd zijn zij gaan samenwonen in [woonplaats] . Vervolgens hebben zij een woning gekocht in [woonplaats] , aan de [adres] .

Op enig moment gedurende hun relatie zijn zij een geregistreerd partnerschap aangegaan. Op [datum huwelijk] zijn zij in [woonplaats] getrouwd, zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Een dag na het huwelijk zijn zij op huwelijksreis vertrokken naar de Dominicaanse Republiek.

2.5.

Op [datum] hebben [Y] en [X] overdag een excursie gemaakt naar het eiland Saona. Bij terugkomst in het hotel hebben zij in de avond in het restaurant van het hotel gegeten, waarna zij naar hun hotelkamer zijn gegaan. Vanuit hun hotelkamer hebben zij rond 23.00 uur de receptie gebeld en verteld dat zij zich beiden onwel voelden. Gedurende de nacht is hun conditie verslechterd. Dit heeft ertoe geleid dat zij de volgende ochtend vanuit het hotel zijn vervoerd naar het ziekenhuis. Aldaar zijn zij overleden.

2.6.

[gedaagde B] was in het vakantiedossier van partijen als contactpersoon opgenomen. Zij is eerst vanuit de Dominicaanse Republiek gebeld met de mededeling dat [X] was overleden. Daarna is zij opnieuw gebeld en is haar verteld dat [Y] was overleden.

2.7.

Van het overlijden zijn te Santo Domingo officiële overlijdensakten opgemaakt.

In de Spaanstalige akte met betrekking tot [X] is opgenomen dat [X] op 12 juni 2016 om 12:12 uur is overleden in de Clinica Canela I in [plaats overlijden] . Als oorzaak van overlijden is (vertaald) opgenomen: “Respiratoire insufficiëntie, shocklongen, acute intoxicatie door onbekende stof (schouwing) ” .

In de Spaanstalige akte met betrekking tot [Y] is opgenomen dat [Y] op 12 juni 2016 om 12:35 uur is overleden in de Clinica Canela I in [plaats overlijden] . Als oorzaak van overlijden is (vertaald) eveneens opgenomen: “Respiratoire insufficiëntie, shocklongen, acute intoxicatie door onbekende stof (schouwing) ” .

2.8.

[Y] noch [X] hebben bij testament over hun nalatenschap beschikt. Tot de, inmiddels ontbonden, huwelijksgoederengemeenschap van [Y] en [X] , behoort in ieder geval de echtelijke woning aan de [adres] , met een WOZ waarde van € 224.000. De in verband met de aankoop van de woning afgesloten hypothecaire lening is deels afgelost met een uitkering uit een door [Y] en [X] afgesloten levensverzekering. De hypothecaire lening bedraagt thans nog € 26.214,81.

Inclusief spaargelden en rekening houdende met diverse schulden onder meer als gevolg van huwelijk en overlijden, bedraagt de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap ongeveer € 200.000. Dit bedrag kan verder oplopen als de woning wordt verkocht voor een hoger bedrag dan de WOZ-waarde, hetgeen niet onwaarschijnlijk is.

2.9.

Bij beschikking van 7 februari 2018 heeft het gerechtshof Den Haag mevrouw [de vereffenaar] , notaris te [plaats 5] , benoemd tot vereffenaar in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en in de nalatenschap van [Y] , respectievelijk [X] (hierna de vereffenaar). In de beschikking van het gerechtshof is onder meer de volgende passage opgenomen:

Door onvoorziene en fatale omstandigheden zijn [Y] en [X] tijdens hun huwelijksreis op 12 juni 2016 beide(n) overleden. De volgorde van overlijden is als het ware te bestempelen als de aanwijzing van een lot. De tijdspanne tussen het overlijden van de ene echtgenoot en de andere echtgenoot is dermate kort dat de vraag kan worden gesteld of onverkorte aansluiting bij het wettelijk erfrecht in deze passend is.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de verklaring voor recht dat [Y] , bij uitsluiting van ieder ander, de enig

erfgenaam is van [X] ;

II. de verklaring voor recht dat tot de nalatenschap van [Y] zijn geroepen:

- de vader van [Y] : [gedaagde E] , voor 25%

- de moeder van [Y] : [eiseres] , voor 25%

- de broer van [Y] : [gedaagde D] voor 25%

- de halfbroer van [Y] : [minderjarige 1] voor 12,5%

- de halfbroer van [Y] : [minderjarige 2] voor 12,5%;

III. de verklaring voor recht dat [gedaagde A c.s.] , ieder voor zich, hebben te gehengen en te gedogen dat zij geen erfgenaam zijn van [X] of [Y] ;

IV. de verklaring voor recht dat gedaagden wanneer zij in strijd handelen met hetgeen

onder III is gesteld een dwangsom verbeuren van € 250 per inbreuk en per dag

dat deze inbreuk voortduurt, tot een maximum van € 10.000;

V. de hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering onder I., III. en IV. het volgende ten grondslag. [Y] en [X] hebben geen testament nagelaten, zodat op grond van de wettelijke regeling moet worden bepaald wie van wie erft. [X] is eerder overleden dan [Y] . Dit betekent dat [Y] op grond van artikel 4:10 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de enig erfgenaam is van [X] .

3.3.

Aan haar vordering onder II. legt [eiseres] ten grondslag dat de ouders en (half)broers van [Y] op grond van artikel 4:10 lid 1 sub b BW vervolgens de erfgenaam zijn van [Y] .

3.4.

[gedaagde A c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

procespartijen

4.1.

Een vereffenaar in een nalatenschap heeft een privatieve bevoegdheid voor wat betreft vragen die de omvang en samenstelling van de nalatenschap betreffen. Dit betekent dat een vereffenaar als enige gerechtigd is om procedures te voeren over de omvang en samenstelling van de nalatenschap. Allereerst dient in deze procedure dan ook de vraag te worden beantwoord of de vereffenaar, op grond van de aan haar toegekende privatieve bevoegdheid, degene is die namens partijen in deze procedure moet optreden.

4.2.

Het gaat in deze procedure ten aanzien van de nalatenschap van [X] om de vraag wie erven van [X] : zijn dat haar ouders, (half)broers en halfzus of is dat [Y] . De rechtbank is van oordeel dat dit niet een vraag is die de omvang of samenstelling van de nalatenschap van [X] betreft, zodat voor de vereffenaar ten aanzien van deze rechtsvraag geen rol is weggelegd.

4.3.

Voor wat betreft [Y] speelt de vraag of hij erfgenaam is van [X] . Dit is wel een rechtsvraag die van invloed is op de omvang en samenstelling van zijn nalatenschap. Geoordeeld zou dan ook kunnen worden dat de vereffenaar op grond van haar privatieve bevoegdheid namens de boedel van [Y] de procedure moet voeren. Daarnaar gevraagd tijdens de comparitie van partijen, heeft de vereffenaar gezegd dat zij de procedure niet wenst over te nemen namens de erven van [Y] .

Het oordeel van de rechtbank over wie erft van [X] heeft grote impact. Indien de rechtbank besluit dat [Y] de enig erfgenaam is van [X] , blijft de familie van [X] met lege handen achter en is zij afhankelijk van de welwillendheid van de erven van [Y] om nog iets van hun dochter te krijgen. Gelet op deze impact, kan ook worden geoordeeld dat deze rechtsvraag meer is dan alleen een rechtsvraag omtrent de omvang van de nalatenschap van [Y] en uit dien hoofde eerder de erven van [Y] aangaat dan de vereffenaar van de nalatenschap van [Y] . Nu de vereffenaar bovendien ervan afziet de procedure over te nemen, ziet de rechtbank, gelet op het voorgaande, geen aanleiding haar hiertoe op te roepen.

de relatie van [Y] en [X]

4.4.

Er was sprake van een huwelijksgoederengemeenschap, waarin [Y] en [X] ieder voor de helft gerechtigd waren. De omvang van deze huwelijksgemeenschap was ten tijde van het overlijden van [Y] en [X] ongeveer € 200.000.

4.5.

[Y] en [X] hebben zelf in min of meer gelijke mate bijgedragen aan de totstandkoming van het vermogen dat tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Noch de ouders van [Y] , noch de ouders van [X] hebben financieel bijgedragen. Aan [X] is op haar 27e verjaardag nog wel een bedrag van € 16.000 uitgekeerd uit een door haar ouders betaalde studieverzekering. Van dit bedrag hebben [Y] en [X] een auto gekocht, waarop inmiddels is afgeschreven. Bovendien is tijdens de comparitie van partijen verklaard dat [Y] zijn auto heeft verkocht toen partijen met het geld van de studie-verzekering een nieuwe auto kochten.

4.6.

Tijdens de comparitie van partijen hebben de ouders van [Y] en de ouders van [X] verteld over hun kinderen en over de relatie van hun kinderen met elkaar en met de beide families. Daaruit is bij de rechtbank het beeld ontstaan van een gelukkig stel dat had besloten samen door te gaan. Samen met elkaar, maar ook met hun respectievelijke families en vrienden. Samen was voor [Y] en [X] belangrijk.

4.7.

[Y] en [X] voelden zich verantwoordelijk voor elkaar. Zo waren zij eerst geregistreerd partner en hadden zij een levensverzekering afgesloten. De moeder van [X] kan zich herinneren dat zij met haar dochter op enig moment vóór het huwelijk van [Y] en [X] heeft gesproken over de mogelijkheid dat [X] eerder zou overlijden en [Y] dan alleen zou achterblijven. Haar moeder heeft haar dochter verzekerd dat [Y] dan in het huis mocht blijven wonen. Dat was belangrijk voor [X] .

4.8.

[Y] en [X] hebben geen testament nagelaten waarin zij over hun nalatenschap hebben beschikt. Over de mogelijkheid dat zij kort na elkaar zouden kunnen overlijden tijdens hun huwelijksreis hebben [Y] en [X] kennelijk niet nagedacht. En dat kan hun niet kwalijk worden genomen.

wettelijk kader

4.9.

Als een overledene geen testament heeft opgesteld, bepaalt de wet wie erft. Artikel 4:10 lid 1 onder a BW bepaalt dat als de overledene een echtgeno(o)t(e) en/of kinderen heeft, dezen erven van de erflater. Indien de overledene geen kinderen of echtgeno(o)t(e) (meer) heeft, bepaalt artikel 4:10 lid 1 onder b BW dat de ouders en de broers en zussen van de overledene erven.

4.10.

Voor de beoordeling van dit geschil is ook van belang artikel 4:2 BW. Dit artikel bepaalt dat als de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, ze geacht worden gelijktijdig te zijn overleden. In dat geval kan de ene persoon niet erven van de andere persoon die gelijktijdig is overleden en andersom.

4.11.

Indien artikel 4:2 BW bij deze nalatenschappen kan worden toegepast is artikel 4:10 lid 1 onder a BW niet van toepassing. [Y] en [X] kunnen dan, omdat ze gelijktijdig zijn gestorven, niet van elkaar erven. Artikel 4:10 lid 1 onder b is dan van toepassing. De huwelijksgoederengemeenschap van [Y] en [X] wordt dan in twee gelijke delen verdeeld. De ouders en (half)broers en halfzus van [X] erven het deel van [X] en de ouders en (half)broers van [Y] erven het deel van [Y] .

4.12.

De rechtbank behandelt dan ook eerst de vraag of bij [Y] en [X] de volgorde van overlijden kan worden vastgesteld.

volgorde overlijden

4.13.

De familie van [X] heeft zich op het standpunt gesteld dat niet onomstotelijk is komen vast te staan wie eerst is overleden, [Y] of [X] . Zij vinden dat er een gegronde reden is om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de opgestelde akten en de verklaringen. Zij hebben daartoe onder meer gewezen op de volgende omstandigheden. (i) [Y] en [X] werden vanuit het niets doodziek en zijn vrij snel daarna overleden, (ii) naar de oorzaak en de toedracht van hun overlijden wordt nog onderzoek gedaan, waarbij het erop lijkt dat op cruciale punten geen duidelijkheid zal komen,

(iii) de voorhanden informatie is onvolledig en tegenstrijdig: verklaringen van betrokkenen en getuigen zijn uiteenlopend en inconsistent. Zo valt in de verklaringen op dat de genoemde tijden telkens anders zijn, het tijdsverloop bij zowel [Y] als bij [X] niet klopt of niet aannemelijk is en dat de omstandigheden nogal verschillen,

(iv) niet duidelijk is welke behandelingen of reanimaties hebben plaatsgevonden en op welke tijdstippen. Zo wordt geschreven dat beiden om 10.31 uur in de kliniek zijn aangekomen, maar niet wat er is gebeurd tussen de aankomst en “het gestelde overlijden op 11.15 uur, 12.12 uur, 12.20 uur, 12.32 uur, 12.35 uur of 12.36 uur”. Ook de gestelde duur van de behandeling is niet duidelijk: een reanimatie van 40 minuten blijkt qua tijdsindicatie 27 minuten te hebben geduurd en om 12.05 uur zou [Y] een hartstilstand hebben gehad. Daarna wordt de dood vastgesteld om 12.32 uur of om 12.36 uur. En hoe kan het dan dat de receptie al om 12.38 uur bezig was met het invullen van de formulieren van overlijden?

4.14.

Uit de door partijen overgelegde stukken maakt de rechtbank het volgende op ten aanzien van de gang van zaken op 12 juni 2016 op de Dominicaanse Republiek.

4.15.

Tot het procesdossier behoort een niet ondertekend verslag met als titel “voorlopig rapport eerste hulp” van de heer [arts 1] , residerend arts van het hotel waar [Y] en [X] verbleven. Het rapport betreft alleen de patiënt [X] en dus [X] . Als datum behandeling is opgenomen 12 juni 2016 en als tijdstip 08.00 uur in de morgen. In dit rapport wordt onder meer het volgende beschreven: [arts 1] is in de ochtend van 12 juni 2016 naar de hotelkamer van [Y] en [X] geroepen. Aldaar heeft [Y] verteld dat zowel [X] als [Y] al meer dan tien uur last hebben van misselijkheid en voedsel- braken en diarree. [X] en [Y] zijn vervolgens naar de eerste hulp gebracht, de één in een golfkarretje en de ander in een rolstoel. [X] is waarschijnlijk in slechtere staat dan [Y] . Zij is flauwgevallen in de eerste hulp en aldaar behandeld. Na 25 minuten zijn [Y] en [X] per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, in gezelschap van [arts 1] en een verpleger. De begonnen CPR (hartmassage) is voorgezet “ZONDER EEN POSITIEF RESULTAAT TE BEREIKEN. Bij aankomst bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis helpt het team van de eerste hulp bij de handelingen maar de vastgestelde asystolie duurt voort zonder eigen ademhalingsactiviteiten en tekenen van onbeweeglijke bilaterale mydriase.” In het rapport is vervolgens opgenomen dat [X] is overleden, maar daar is geen tijd bij vermeld.

Ook is vermeld dat [Y] zittend naar het ziekenhuis is vervoerd en dat hij verklaarde zich erg misselijk te voelen. Meteen na aankomst is ook hij opgenomen op de shockkamer. Dit alles nog aldus het rapport van [arts 1] .

4.16.

Tot het procesdossier behoort voorts een medisch rapport van de behandelend artsen van [Y] , Dr. [arts 2] en Dr. [arts 3] , Internist en Gastro- enteroloog. In dit rapport hebben de artsen onder meer geschreven dat [Y] er op het moment van opname ernstig ziek uitzag, met zweetafscheiding en duidelijke bleekheid en klinische tekenen van sterke uitdroging. Hij wist zich nog wel te oriënteren in plaats en tijd. Om 10:31 uur is hij opgenomen op de Intensive Care Unit van het ziekenhuis, aldus de verklaring van de artsen. Rond 11:56 uur heeft hij een ernstige dyspneu ontwikkeld en om 12:05 uur een hartstilstand. Het toedienen van medicatie is gevolgd door uitwendige hartmassage, gedurende ongeveer 40 minuten. Om 12:32 uur is de dood van [Y] vastgesteld, aldus nog steeds het medische rapport.

4.17.

Deze twee verklaringen van de behandelend artsen geven geen eenduidig beeld over de tijdstippen waarop zich de gebeurtenissen in het ziekenhuis hebben afgespeeld. De artsen van [Y] hebben geschreven dat hij om 10.31 uur op de Intensive Care Unit aankwam en dat hij om 12.05 uur een hartstilstand kreeg.

De arts van [X] heeft geschreven dat ze bij aankomst in het ziekenhuis al gereanimeerd werd, dat de reanimatie werd voortgezet zonder een positief resultaat te bereiken en dat vervolgens het overlijden is vastgesteld, zonder hierbij een tijd te vermelden. Als [Y] en [X] werkelijk om 10.31 uur in het ziekenhuis zijn aangekomen, valt niet te begrijpen dat [X] pas na 12.00 uur is overleden. Als [X] werkelijk om 12.12 uur is overleden

– zoals vastgelegd in de overlijdensverklaring – valt niet te begrijpen dat [Y] 23 minuten na [X] om 12.35 uur is overleden, zoals vastgesteld in zijn overlijdensverklaring. Hoe kan hij dan na aankomst in het ziekenhuis nog 1,5 uur op de Intensive Care hebben gelegen en vervolgens nog 40 minuten zijn gereanimeerd, zoals zijn artsen hebben verklaard.

4.18.

Alhoewel het tijdstip van overlijden van [X] niet lijkt te kloppen, kan uit de verklaringen van de artsen wel worden afgeleid dat [X] eerder is overleden dan [Y] . Zij werd al gereanimeerd toen zij in het ziekenhuis aankwam en de reanimatie was niet succesvol, terwijl [Y] in het ziekenhuis nog ongeveer twee uur is behandeld. [gedaagde A c.s.] hebben geen concrete feiten en of omstandigheden gesteld op grond waarvan dient te worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen op deze punten van de behandelend artsen. De omstandigheid dat [Y] nog behandelend artsen had in het ziekenhuis en [X] niet – bij haar heeft alleen de hotelarts een verklaring afgelegd – lijkt te bevestigen dat [X] vrij snel na aankomst in het ziekenhuis is overleden en [Y] niet. Bij [X] waren kennelijk verder geen ziekenhuisartsen zodanig lang betrokken dat zij verklaringen hebben afgelegd.

4.19.

Deze volgorde van overlijden – [Y] na [X] – wordt ook bevestigd in de verklaring, opgesteld door de teamleider van TUI Nederland ter plaatse. Zij schrijft onder meer dat [X] op de eerste hulp van het hotel is gereanimeerd en dat zij terwijl haar reanimatie werd voortgezet naar de kliniek is vervoerd en na daar te zijn aangekomen, is overleden. Dit komt overeen met hetgeen dr. [arts 1] heeft verklaard. [Y] is bij aankomst in het ziekenhuis naar de Intensive Care overgebracht waar hij kort met de hostess heeft gesproken op een moment dat [X] al was overleden. Dit sluit aan bij de verklaring van zijn artsen die hebben geschreven dat zij in het ziekenhuis met hem hebben gesproken en dat hij zich wist te oriënteren in tijd en plaats. Vervolgens praat de reisleiding met de artsen en worden papieren ingevuld. Wederom wordt bij [Y] gekeken op de Intensive Care. Rond 12.38 verneemt de hostess dat [Y] om 12.36 is overleden.

4.20.

De moeder van [X] heeft voorts tijdens de comparitie van partijen verteld dat zij eerst vanuit de Dominicaanse republiek is gebeld met de mededeling dat [X] was overleden, dat zij dit vervolgens heeft verteld aan de moeder van [Y] en dat zij vervolgens is gebeld met de mededeling dat ook [Y] was overleden. Ook deze verklaring bevestigt de volgorde van overlijden waarbij [X] eerst is overleden en daarna [Y] .

4.21.

Tot slot blijkt ook uit de officiële verklaringen van overlijden dat [X] eerder dan [Y] is overleden. Het tijdstip van overlijden van [X] lijkt niet te kloppen. Hier hecht de rechtbank echter geen doorslaggevende waarde aan. Op grond van de afgelegde verklaringen kan mogelijk worden geconcludeerd dat [X] eerder is overleden dan 12.12 uur, maar niet dat ze later is overleden.

4.22.

Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid in deze procedure is komen vast te staan dat [X] voor [Y] is overleden.

commoriëntenregel

4.23.

[gedaagde A c.s.] hebben zich nog op het standpunt gesteld dat het wenselijk is dat het bestaan dan wel het overlijden van [Y] en [X] in redelijkheid dienen te worden opgerekt tot een ondeelbare gebeurtenis, nu aanleiding, verloop en gevolg eigenlijk één en dezelfde waren. Beiden waren ziek als gevolg van een zelfde voedselvergiftiging en het is slechts toevallig wie eerst is overleden. Even toevallig is het dat zij in het ziekenhuis zijn overleden waardoor behandelend artsen het overlijden hebben kunnen vaststellen. Als zij in de nacht in hun hotelkamer waren overleden, had niemand kunnen bepalen wie van beiden eerst was overleden.

4.24.

De regeling opgenomen in artikel 4:2 BW, die ook wel de commoriëntenregel wordt genoemd, is overgenomen uit het Beneluxverdrag van 29 december 1972. Artikel 2 van dit verdrag is gelijkluidend aan artikel 4:2 BW. Artikel 1 van het verdrag bepaalt dat men de erflater moet overleven om erfgenaam of legataris te zijn.

In Nederland speelde bij de totstandkoming van boek 4 BW de discussie of de regeling inzake gelijktijdig overlijden niet moest worden aangepast, in die zin dat ook bij zekerheid van volgorde van overlijden geen verkrijging krachtens erfrecht kan plaatsvinden indien de krachtens wet of de uiterste wilsbeschikking aangewezen erfgena(a)m(e) de erflater slechts gedurende korte tijd overleeft. De toelichting op het gewijzigd regeringsontwerp van de Vaststellingswet van Boek 4 NBW stelt dat een dergelijke bepaling tegelijkertijd een groot percentage van de gevallen van onzekerheid tot een oplossing zou brengen en daardoor de commoriëntenregel overbodig zou maken.

Gelet op de inhoud van het Beneluxverdrag is een dergelijke bepaling echter niet in de wet opgenomen. In het overleg omtrent het Beneluxverdrag inzake commoriënten was namelijk ook al overwogen om het vermoeden van gelijktijdig overlijden uit te breiden tot het geval van overlijden van twee of meer personen kort na elkaar, als gevolg van eenzelfde gebeurtenis. Men heeft die uitbreiding echter niet aanvaard, zoals te lezen valt in de toelichting, met als argumenten:

1. dat elke termijn willekeurig is;

2. dat lastig te bepalen is wat ‘eenzelfde gebeurtenis’ is.

Als het willekeurig is dat een partij die toevallig iets later overlijdt dan de andere partij kan erven van degene die eerst is gestorven, dan is het net zo willekeurig dat degene die binnen 24 uur overlijdt niet erft en degene die na 24 uur en twee minuten overlijdt, wel erft. Aldus is in het Beneluxverdrag gekozen voor de volgorde van daadwerkelijk overlijden. En dit is ook in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

4.25.

Gelet op de uitdrukkelijke overwegingen bij de totstandkoming van het Benelux- verdrag en gelet op de overwegingen in de wetsgeschiedenis inzake de totstandkoming van Boek 4 ziet de rechtbank geen ruimte om ten aanzien van het overlijden van [X] en [Y] te bepalen dat zij, voor wat betreft de toepassing van artikel 4:2 BW, op hetzelfde tijdstip zijn overleden.

4.26.

De omstandigheid dat [X] als eerste is overleden betekent dat eerst voor haar moet worden bepaald wie van haar erft. Op grond van artikel 4:10 lid 1 onder a is dat haar echtgenoot, [Y] .

beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

4.27.

[gedaagde A c.s.] hebben een beroep gedaan op de beginselen van de redelijkheid en billijkheid en de rechtbank gevraagd te oordelen dat niet [Y] alles van [X] erft maar dat zij zelf de erfgenamen van [X] zijn. Zij verwijzen daartoe onder meer naar jurisprudentie waarin de rechter, met een verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid, rechtsgeldig opgemaakte uiterste willen opzij schuift dan wel wijzigt.

4.28.

Uitgangspunt in het erfrecht is dat degene die overlijdt zelf kan bepalen, door het opmaken van een uiterste wil, aan wie hij/zij zijn/haar vermogen nalaat.

4.29.

In de jurisprudentie waarnaar [gedaagde A c.s.] verwijzen, gaat het steeds om een situatie waarin een testament is opgesteld, dat door de rechtbank wordt uitgelegd of waarvan wordt geoordeeld dat er geen beroep meer op kan worden gedaan. Het resultaat is steeds dat diegene tot erfgenaam wordt aangewezen, waarvan de rechtbank van oordeel is dat de erflater dit zo had gewenst. Met andere woorden geeft de door de rechtbank vastgestelde wil van de erflater, ook al heeft hij/zij een andersluidend testament opgesteld, de doorslag.

4.30.

De rechtbank is van oordeel dat [Y] en [X] hebben nagedacht over een mogelijk overlijden. De rechtbank leidt dit af uit de omstandigheid dat zij op enig moment een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Geregistreerd partners erven immers van elkaar als waren zij echtgenoten. Tevens leidt de rechtbank dit af uit de omstandigheid dat [X] op enig moment met haar moeder heeft gesproken over de omstandigheid dat zij mogelijk kwam te overlijden en [Y] achter zou blijven. De wens van partijen was in dat geval kennelijk dat de overblijvende partij in het huis kon blijven wonen en zo zijn/haar leven zou kunnen voortzetten.

4.31.

De rechtbank concludeert eveneens dat partijen niet hebben nagedacht over de mogelijkheid dat zij heel kort na elkaar zouden overlijden en de gevolgen die dat zou kunnen hebben voor hun bezittingen. Zij is van oordeel dat indien partijen hierover wel zouden hebben nagedacht, zij in een testament hadden bepaald dat in de gegeven omstandigheden – waar geen van beide partners het vermogen nodig had om alleen verder te gaan – hun vermogen over beide families moest worden verdeeld. Zij baseert dit oordeel op de volgende overwegingen:

(i) beide families hebben tijdens de comparitie van partijen gezegd dat [Y] en [X] het woord “samen” belangrijk vonden en daarnaar wilden leven,

(ii) [Y] en [X] hebben samen hun vermogen opgebouwd en voor zover er al door één van beide families aan is bijgedragen, is dat door de familie van [X] in de vorm van de uitkering van een studieverzekering,

(iii) vaak wordt bij schenkingen binnen de familie bepaald dat het geschonken bedrag niet in enige huwelijksgoederengemeenschap valt en daardoor niet aan de ‘koude kant’ terecht komt. Indien [Y] van [X] zou erven, zou echter het gehele vermogen van [X] aan de voor haar ‘koude kant’ terecht komen.

4.32.

Bij het oordeel van de rechtbank weegt verder nog mee dat in dit specifieke geval niet opgaan de onder 4.24 genoemde argumenten op grond waarvan destijds is afgezien in de wet op te nemen dat ook bij zekerheid van volgorde van overlijden geen verkrijging krachtens erfrecht kan plaatsvinden indien de ene erfgena(a)m(e) de erflater slechts gedurende korte tijd overleeft. In dit geval leidt het immers geen enkele twijfel dat [Y] zeer korte tijd na [X] is overleden en er kan redelijkerwijs niet aan getwijfeld worden dat [X] en [Y] zijn overleden ten gevolge van dezelfde gebeurtenis (vgl. ook de gelijkluidende doodsoorzaken onder 2.7).

4.33.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie: Partijen waren slechts twee weken getrouwd. Zij hebben niet in een testament hun wensen inzake hun nalatenschap vastgesteld. Als zij dat wel hadden gedaan hadden zij naar alle waarschijnlijkheid voor deze situatie iets anders bepaald dan de wettelijke regeling. Zij zijn op zeer korte termijn na elkaar aan een zelfde oorzaak overleden. Het onder deze omstandigheden vasthouden aan de wettelijke volgorde zoals opgenomen in artikel 4:10 sub a BW, waarbij het gehele vermogen van [Y] en [X] alleen bij de familie van [Y] terechtkomt, druist in tegen het rechtsgevoel en is, juridisch gezegd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dit rechtsgevoel wordt ook gedeeld door [eiseres] , waar zij in de dagvaarding schrijft dat haar eis heel naar overkomt en dat de reactie van de nabestaanden van [X] emotioneel invoelbaar is, maar dat zij weinig anders kan dan de wet volgen, omdat afwijken hiervan volgens haar mogelijk, overigens niet met name genoemde, fiscale en juridische consequenties zou hebben.

Dit oordeel van de rechtbank betekent dat [Y] geen erfgenaam is in de nalatenschap van [X] , maar dat haar ouders tezamen met haar (half)broers en halfzus haar erfgenamen zijn, zoals bepaald onder artikel 4:10 sub b BW. De vordering van [eiseres] onder I., III. en IV. zal dan ook worden afgewezen.

overige vorderingen [eiseres]

4.34.

[gedaagde D c.s.] zijn in deze procedure niet verschenen en hebben dan ook, gelijk [gedaagde A c.s.] en de andere gedaagden, geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres] onder II. Nu deze de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal de rechtbank deze vordering toewijzen.

proceskosten

4.35.

De rechtbank ziet in de aard van dit geschil geen aanleiding om af te wijken van het gebruik om in een erfrechtzaak de kosten van partijen te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat tot de nalatenschap van [Y] zijn geroepen:

- de vader van [Y] : [gedaagde E] , voor 25%

- de moeder van [Y] : [eiseres] , voor 25%

- de broer van [Y] : [gedaagde D] voor 25%

- de halfbroer van [Y] : [minderjarige 1] voor 12,5%

- de halfbroer van [Y] : [minderjarige 2] voor 12,5%;

5.2.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. M.A. van de Laarschot en mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.1

1 type: 1958