Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3969

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
C/09/565627 / JE RK 18-2774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Zorgen over basale veiligheid, huiselijk geweld, hechtingsproblematiek. Geen zicht op leerbaarheid van de moeder en bestendigheid van afwezigheid van de vader. Weliswaar breed vangnet en welwillendheid bij de moeder, maar er zijn slechts prille stappen gezet richting verbetering van haar opvoedvaardigheden en weerbaarheid. Toewijzing machtiging uithuisplaatsing, maar gelet op leeftijd van minderjarige en onduidelijkheid over perspectief niet reeds nu voor een heel jaar. Toewijzing zes maanden en aanhouden overige zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/565627 / JE RK 18-2774 en C/09/565641 / JE RK 18-2778

Datum uitspraak: 21 maart 2019

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van de op 27 december 2018 en 11 maart 2019 ingekomen verzoeken van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] (Servië),

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.G.M. van den Hoogen te Leiden,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 januari 2019 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering van 5 januari 2019 tot 24 maart 2019, alsmede voor dezelfde duur een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking van 4 januari 2019;

- het verzoek van 8 maart 2019, met als bijlage een door de Raad uitgevoerde Raadsonderzoek van eveneens 8 maart 2019.

Op 21 maart 2019 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- de heer [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en mevrouw [A.] , tolk in de Servische taal;

- mevrouw. [B.] , de begeleider van de moeder vanuit [insterlling] gehoord als informant.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader.

Feiten

- Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden, is de moeder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad heeft het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd.

Er zijn zorgen over de basale veiligheid van [minderjarige] . Zij heeft in haar nog jonge leven al veel meegemaakt en is getuige geweest van huiselijk geweld. Ook is [minderjarige] zwaar ondervoed geweest en lijkt er sprake te zijn van hechtingsproblematiek. De relatie tussen de moeder en de vader is zeer instabiel. Hoewel hij momenteel vermoedelijk in Servië verblijft, zijn er grote risico’s voor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] wanneer hij wederom in contact komt met de moeder. De moeder is in het verleden wisselend geweest in het accepteren van de hulpverlening en zij heeft zich niet consequent aan de veiligheidsafspraken gehouden. De afgelopen periode is daar in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling verbetering in gekomen. Er zijn ondanks de positieve ontwikkelingen zorgen over de opvoedvaardigheden van en leerbaarheid bij de moeder. Zij is sinds haar zesde levensjaar niet naar school geweest en is analfabeet.

Voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing geldt het volgende. Het gaat goed met [minderjarige] in het pleeggezin. Er is nog een lange weg te gaan voordat de moeder in staat zal zijn om zelfstandig voor [minderjarige] te zorgen. Er is momenteel te weinig zicht op de problematiek en leerbaarheid van de moeder. Ook is het onduidelijk of de afwezigheid van de vader blijvend is en wat voor gevolgen zijn terugkomst eventueel zou hebben. De moeder is onvoldoende weerbaar ten opzichte van de vader. De periode van een jaar is lang voor een kind van twee jaar oud, maar noodzakelijk om [minderjarige] de rust en stabiliteit te bieden die zij op dit moment nodig heeft. Ook acht de Raad de termijn van een jaar noodzakelijk om de moeder intensief te kunnen begeleiden en hulpverlening in te zetten ten behoeve van haar opvoedvaardigheden en weerbaarheid.

De advocaat van de moeder heeft namens haar ingestemd met het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij heeft verweer gevoerd tegen de duur van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing en heeft daartoe het volgende bepleit.

De moeder ziet in dat [minderjarige] niet op korte termijn terug naar de moeder kan. Er is een concreet en zeer uitgebreid plan voor de begeleiding en behandeling van de moeder met terugplaatsing van [minderjarige] als doel. Er is goed contact met de gezinsvoogd, die eveneens heeft aangegeven [minderjarige] zo snel mogelijk te willen terugplaatsen. De termijn van een jaar acht de advocaat van de moeder te lang. Omwille van duidelijkheid richting de moeder en [minderjarige] heeft de raadsvrouw de kinderrechter verzocht om een eindbeslissing te nemen en het verzoek niet voor een deel aan te houden.

De gecertificeerde instelling heeft ingestemd met het verzochte en aangegeven dat de moeder goed meewerkt met de hulpverlening.

De begeleider van de moeder vanuit [insterlling] heeft aangegeven dat in korte tijd verschillende hulpverlenings- en diagnostische trajecten zijn ingezet. Bij de hulpverlening door de Ambulante Spoedhulp (ASH) is gebleken dat de moeder inzet toont en leerbaar is. Er loopt momenteel een NIKA-traject. De moeder pakt tips die bij interventies tijdens de omgang met [minderjarige] worden gegeven direct op. Zij start binnenkort met lessen Nederlands en eind april vindt er een IQ-test plaats. Op basis van de resultaten daarvan kan worden bepaald of de moeder naar een ouder-kindgroep van Cardea of een moeder-kindhuis van Gemiva kan na terugplaatsing van [minderjarige] .

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, en artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling en voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.

[minderjarige] heeft veel meegemaakt en is getuige geweest van huiselijk geweld. Haar basale veiligheid is in de thuissituatie in het geding. Vanwege de instabiele, gewelddadige en wisselende relatie tussen de ouders heeft [minderjarige] veel onrust en onveiligheid ervaren. Ook zijn er zorgen over de signalen van hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . De kinderrechter ziet hierin concrete bedreigingen in haar ontwikkeling. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] de sensitieve opvoedingssituatie te bieden die zij nodig heeft. Er is momenteel te weinig zicht op de mate van leerbaarheid van de moeder. De komende periode dient hier duidelijkheid over te komen, alsmede over de bestendigheid van de afwezigheid van de vader. Indien hij terug zou keren, zou de veiligheid van [minderjarige] en van de moeder wederom in het geding zijn. Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is noodzakelijk.

De huidige situatie, waarin de moeder meewerkt met de hulpverlening, van goede wil is en een breed vangnet heeft vanuit [insterlling] , is een goede uitgangspositie. Echter, om de noodzakelijke verbetering te brengen in de opvoedvaardigheden en weerbaarheid van de moeder zal langduriger intensieve ondersteuning en behandeling moeten worden ingezet. Hierin zijn slechts prille stappen gemaakt. Een thuisplaatsing van [minderjarige] op korte termijn is daarom niet aan de orde. Ter zitting is gebleken dat hulpverlening recent is gestart of op het punt staat te beginnen. De komende periode zal moeten blijken of de moeder hetgeen de hulpverlening aanreikt, kan laten beklijven. De kinderrechter is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden daarom in ieder geval noodzakelijk is.

De verzochte termijn van een jaar oordeelt de kinderrechter te lang. Zij overweegt hiertoe dat zo snel mogelijk duidelijk moet zijn wat het toekomstperspectief is na een uithuisplaatsing. De kinderrechter vindt het daarom belangrijk om in deze fase vinger aan de pols te houden en het verzoek voor het overige tot na te noemen terechtzitting aan te houden. Bij de vervolgzitting zal de gecertificeerde instelling moeten toelichten wat de mogelijkheden van de moeder zijn en wat duidelijk is geworden over het perspectief van [minderjarige] .

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] van 21 maart 2019 tot 21 maart 2020 onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

en

machtigt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 21 maart 2019 tot 21 september 2019;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting gelegen vóór 21 september 2019;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- de Raad voor de Kinderbescherming;

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
- de vader;
- de moeder.

verzoekt de gecertificeerde instelling een week voorafgaand aan voornoemde terechtzitting de rechtbank en de overige belanghebbenden in te lichten over de stand van zaken en de perspectiefverwachtingen.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019 door mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S. Kokx als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 april 2019.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.