Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3822

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
AWB 18/5261
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vtv verblijf als familie- of gezinslid. Paspoortvereiste, belangenafweging art. 8 EVRM

art. 3.13 en 3.19 Vb en art. 8 EVRM

Eiser is in Nederland geboren en is vanaf zijn geboorte opgegroeid in het gezin van zijn meerderjarige broer die de Nederlandse nationaliteit heeft. Zijn moeder verblijft in Nederland, maar is ongewenst verklaard. Van haar is geen nationaliteit bekend. Dientengevolge is ook van eiser geen nationaliteit bekend en beschikt hij dus niet over een paspoort. Verweerder heeft het paspoortvereiste aan eiser kunnen tegenwerpen, omdat eiser, zijn moeder en zijn broer niet al het mogelijke hebben gedaan om ervoor te zorgen dat eiser alsnog in het bezit van een paspoort komt.

Belangenafweging in het kader van art. 8 EVRM geeft er geen blijk van dat verweerder een fair balance heeft gevonden. Eiser is in Nederland geboren, heeft vanaf zijn geboorte in het gezin van zijn broer gewoond, heeft nog nooit in het buitenland verbleven en heeft in het buitenland geen sociaal netwerk. De rol van zijn moeder in zijn opvoeding lijkt niet zo belangrijk als verweerder stelt. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij aan de specifieke omstandigheden van eiser minder gewicht heeft toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/5264

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer [V-nummer 1] , eiser

(gemachtigde: mr. M.G.C. van Riet),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser
8 juni 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’ afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd. Eiser wordt daarom vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is op [geboortedatum] 2001 in Nederland geboren. Zijn moeder is in 1977 Nederland ingereisd. De nationaliteit van eiser en van zijn moeder is onbekend. Eiser heeft vanaf zijn geboorte onafgebroken bij het gezin van zijn broer [A] gewoond. [A] heeft de Nederlandse nationaliteit. Aan [A] is bij beschikking van deze rechtbank, locatie Lelystad, van 29 september 2016 mede het gezag over eiser toegekend. Met de aanvraag beoogt eiser een vergunning te krijgen voor verblijf als familie- of gezinslid bij [A] .

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Kort samengevat stelt verweerder zich hiertoe op het standpunt dat eiser verwijtbaar niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.1 Volgens verweerder hebben eiser, zijn moeder en/of [A] (als referent) niet al het mogelijke gedaan om ervoor te zorgen dat eiser alsnog in het bezit van een paspoort komt. Verweerder stelt verder dat er geen aanleiding is om het paspoortvereiste niet aan eiser tegen te werpen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser voert - kort samengevat - in beroep aan dat hij in voldoende mate heeft aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert met betrekking tot het paspoortvereiste. Eiser meent daarom dat verweerder hem het paspoortvereiste niet heeft mogen tegenwerpen. Eiser stelt verder dat het paspoortvereiste om verschillende andere redenen niet van toepassing is op zijn situatie en dus niet aan hem kon of mocht worden tegengeworpen. Voorts voert eiser aan dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet in het bezit is van een paspoort en dat hij niet behoort tot één van de in B1/4.2 van de Vreemdelingenwet 2000 genoemde uitzonderingscategorieën. Op grond hiervan heeft verweerder het paspoortvereiste aan eiser kunnen tegenwerpen. Dit is slechts anders, als eiser heeft aangetoond dat hij niet meer in bezit kan worden gesteld van een paspoort.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser, zijn moeder en/of [A] al het mogelijke hebben gedaan om te bewerkstelligen dat eiser een paspoort verkrijgt.

5.1.

Hiertoe heeft verweerder in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat de verklaring van de Italiaanse autoriteiten uit 2003, inhoudende dat de moeder van eiser niet in Rome is geboren, onvoldoende is. Hieruit blijkt immers slechts dat de moeder van eiser heeft verzocht om een bevestiging van haar geboorte in Rome. Niet inzichtelijk is of zij aan dit verzoek verklaringen of documenten ten grondslag heeft gelegd, en zo ja, welke dat dan zijn. Ook is niet duidelijk of de moeder van eiser heeft verzocht om een nationaliteitsverklaring voor haarzelf en voor eiser. De enkele stelling van eiser dat zijn moeder voldoende medewerking heeft verleend aan een poging om haar nationaliteit vast te stellen en dat zij niet in het bezit van een paspoort kan worden gesteld, kan hieraan niet afdoen.

5.2.

Verweerder heeft voorts in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat de identiteit van de biologische vader van eiser bij eiser en zijn moeder bekend is. Ondanks deze wetenschap, hebben eiser en zijn moeder geen pogingen ondernomen om met de biologische vader in contact te treden om via hem bij de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is aan een paspoort te geraken. De enkele stelling van eiser dat zijn biologische vader onbekend is, nooit in beeld is geweest, niet op zijn geboorteakte vermeld staat en niet het gezag over eiser heeft, volstaat in dit verband niet.

5.3.

Verweerder heeft verder in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eiser en zijn moeder in 2015 kenbaar hebben gemaakt dat zij Nederland niet willen verlaten en dat zij niet wensen mee te werken aan het verkrijgen van paspoorten voor hen beiden. Eiser heeft eveneens in 2015 meegedeeld dat hij staatloos is en dat het daarom geen zin heeft om naar een ambassade te gaan voor het aanvragen van een paspoort. Verweerder heeft ook in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eiser, zijn moeder en/of [A] sinds 2015 tot aan de onderhavige aanvraag van 8 juni 2017 geen inspanningen hebben verricht die ertoe konden leiden dat eiser een paspoort kon verkrijgen.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank was er voor verweerder geen aanleiding om eiser vrij te stellen van het paspoortvereiste.

6. Eiser heeft voorts beroepsgronden aangevoerd met als strekking dat het paspoortvereiste

in zijn geval helemaal geen toepassing vindt. Volgens eiser heeft verweerder hem het paspoortvereiste daarom niet kunnen en mogen tegenwerpen. De rechtbank bespreekt deze gronden nu.

6.1.

Eiser voert aan dat hij beschikt over een door de gemeente Lelystad afgegeven geboorteakte. Dit is een identificerend document. Daar komt bij dat hij onder zijn opgegeven identiteit ook bekend staat bij de politie Midden-Nederland. Deze omstandigheden maken dat er geen belang is om van hem te verlangen dat hij een paspoort verkrijgt. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De ratio van het paspoortvereiste is niet alleen dat eiser aan de hand van een paspoort bewijs kan leveren van zijn identiteit en nationaliteit. Het bezit van een paspoort maakt het namelijk ook mogelijk dat eiser kan vertrekken of kan worden uitgezet naar het land dat het paspoort verstrekt. Daarmee is het belang van het bezit van een paspoort gegeven.

6.2.

Eiser voert aan dat eerder ten aanzien van twee van zijn broers en van een zus is geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten waren voor de vaststelling van hun nationaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit verband terecht aangevoerd dat de presentaties van de broers en de zus bij buitenlandse autoriteiten, die in dit verband hebben plaatsgevonden, niet zijn te beschouwen als op de persoon van eiser gerichte activiteiten. Zo waren de presentaties er niet op gericht om een paspoort te verkrijgen voor eiser of om een verklaring te verkrijgen dat hij niet in het bezit van een paspoort kan worden gesteld.

6.3.

Eiser voert aan dat zijn broers [A] en [B] en zijn zus [C] het Nederlanderschap hebben verkregen en dat zij daaraan voorafgaand staatloos waren. [A] , [B] en [C] hebben dezelfde moeder als eiser en ook van hen is geen vader bekend. Om die reden stelt eiser dat het niet redelijk is dat verweerder ten aanzien van hem verwacht dat hij zijn nationaliteit kan aantonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiertegen terecht ingebracht dat [A] , [B] en [C] het Nederlanderschap op grond van de inmiddels niet meer geldende Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap van rechtswege door geboorte hebben verkregen. Hieraan is geen eerdere vaststelling van staatloosheid voorafgegaan. Evenmin is sprake van een situatie dat zij als staatloos zouden zijn aangemerkt, indien voornoemde wet op hen niet van toepassing zou zijn geweest. Bij dit alles heeft verweerder terecht opgemerkt dat ook ten aanzien van eiser niet is vastgesteld dat hij staatloos is.

6.4.

Eiser stelt voorts dat hij verblijfsrecht heeft op grond van Richtlijn 2004/38 en dat het paspoortvereiste in strijd is met deze richtlijn. Ook stelt eiser dat, onder verwijzing naar het arrest K.A. tegen België, dat hij een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De rechtbank stelt vast dat nog niet is beoordeeld of Richtlijn 2004/38 op eiser van toepassing is en zo ja, of hem op grond daarvan verblijfsrecht toekomt. Die beoordeling ligt in de onderhavige procedure niet voor. De rechtbank komt daarom ook niet aan de beantwoording van de vraag of het paspoortvereiste in strijd is met deze richtlijn. Evenmin is beoordeeld of eiser een verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van het VWEU, terwijl ook deze beoordeling in de onderhavige procedure niet voor ligt.

6.5.

Eiser voert verder aan dat verweerder ten aanzien van vreemdelingen die staan geregistreerd onder de V-nummers [V-nummer 2] en [V-nummer 3] en ten aanzien van drie andere vreemdelingen die staan geregistreerd onder de V-nummers [V-nummer 4] , [V-nummer 5] en [V-nummer 6] het paspoortvereiste niet heeft tegengeworpen. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt eiser dat het paspoortvereiste ook niet aan hem dient te worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat het geen gelijke gevallen betroffen als het geval van eiser. Met betrekking tot de vreemdelingen met de V-nummers [V-nummer 2] en [V-nummer 3] geldt dit al omdat zij, anders dan eiser, wel voldoende inspanningen hadden geleverd om aan een paspoort te komen. Met betrekking tot de vreemdelingen met de V-nummers [V-nummer 4] , [V-nummer 5] en [V-nummer 6] geldt dat zij in aanmerking voor vergunningverlening kwamen op grond van de specifieke situatie als omschreven in artikel 3.23 van het Vb. De situatie van eiser is anders en daardoor is deze bepaling niet op hem van toepassing.

6.6.

Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 6.1 tot en met 6.5, heeft verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven of moeten zien om eiser het paspoortvereiste niet tegen te werpen. De beroepsgronden falen dus.

7. De rechtbank toetst de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt in het kader van het beschermde recht op eerbiediging van eisers privéleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Bij die belangenafweging dient verweerder een “fair balance” te vinden tussen het belang van eiser en zijn familie aan de ene kant en het Nederlandse algemene belang dat gediend is bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en de naleving van de toepasselijke regels aan de andere kant. Daarbij moet verweerder alle feiten en omstandigheden die voor die belangenafweging van betekenis zijn kenbaar betrekken.3

8. Verweerder heeft de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen. Daartoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf zijn geboorte nooit een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad. Pas in 2013 heeft hij voor het eerst geprobeerd om zijn verblijf in Nederland te legaliseren, maar zijn aanvraag daartoe is toen afgewezen. Dat maakt dat thans sprake is van een eerste aanvraag om toelating. Volgens de jurisprudentie levert in een dergelijk geval een afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning slechts in uitzonderlijke gevallen strijd op met het recht dat door artikel 8 van het EVRM wordt beschermd.

Er is volgens verweerder verder geen objectieve belemmering voor eiser om zijn familieleven buiten Nederland uit te oefenen. Hij heeft namelijk onvoldoende aangetoond dat hij geen paspoort kan verkrijgen en dat hij Nederland niet zou kunnen verlaten. In dit verband speelt volgens verweerder weer een rol dat de identiteit van eiser niet vast staat en dat hij, zijn moeder en/of [A] onvoldoende hebben gedaan om hierin verandering te brengen. De moeder van eiser heeft mede het gezag over hem en speelt volgens verweerder een belangrijke rol bij de zorg en opvoeding van eiser. De moeder van eiser is in Nederland ongewenst verklaard en dient het land te verlaten. Zij kan zodoende met eiser in het buitenland verblijven, aldaar familieleven met hem uitoefenen en voor hem zorgen.

Verweerder stelt voorts dat de sociale, culturele en familiebanden die eiser in Nederland heeft opgebouwd zijn als gebruikelijk ontstaan door zijn lange verblijf alhier. Er is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die de gebruikelijke banden in Nederland ontstijgen. Daarbij is weer van belang dat eiser voortdurend zonder verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en dat hij ook nooit in onzekerheid heeft verkeerd over zijn verblijfsstatus. Het is de keuze van eiser en zijn moeder geweest om deze situatie te laten voortbestaan. De banden die eiser in Nederland heeft opgebouwd leiden er niet toe dat van eiser niet zou kunnen worden gevergd dat hij naar het buitenland vertrekt met zijn gezinsleden. Ook in het buitenland kan eiser onderwijs volgen en een vriendenkring opbouwen.

9. Eiser heeft in bezwaar drie uitspraken aangehaald waarin is geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het paspoortvereiste, gezien de specifieke omstandigheden van die gevallen. Eiser doet in dit verband een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In het bestreden besluit is verweerder niet ingegaan op deze bezwaargrond. Verweerder heeft hierop wel gereageerd in het verweerschrift. Ter zitting heeft eiser de gelegenheid gehad om op dit verweer te responderen, zodat eiser door deze gang van zaken niet in zijn belang is geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat de bedoelde uitspraken geen gelijke gevallen betroffen als het geval van eiser. Dit geldt al vanwege de omstandigheid dat de desbetreffende vreemdelingen, anders dan eiser, wel voldoende inspanningen hadden geleverd om aan een paspoort te komen. Het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder daarom geen aanleiding hoeven geven om de belangenafweging in het voordeel van eiser te laten uitvallen.

10. De rechtbank maakt uit de motivering van verweerder, als uiteengezet onder 8., op dat verweerder in het nadeel van eiser veel gewicht toekent aan de omstandigheden dat eiser vanaf zijn geboorte altijd zonder geldige verblijfstitel in Nederland heeft verbleven en dat hij slechts één keer eerder, in 2013, heeft getracht zijn verblijf te legaliseren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij dit argument in onvoldoende mate in ogenschouw genomen dat eiser, gelet op zijn jonge leeftijd, voor het verkrijgen van een paspoort altijd in hoge mate afhankelijk is geweest van zijn moeder en van [A] . Gelet hierop acht de rechtbank het niet redelijk om het feit dat met name zijn moeder te weinig inspanningen heeft verricht om in zijn situatie een verandering te brengen, zo massief aan eiser tegen te werpen als verweerder heeft gedaan.

11. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder mede van groot belang heeft geacht dat eisers intensieve banden met Nederland geheel zijn ontstaan door de keuze van hem en zijn moeder om illegaal in Nederland te blijven. Volgens verweerder is het opbouwen van intensieve banden inherent aan een langdurig verblijf in Nederland. Er zijn volgens verweerder in het geval van eiser geen uitzonderlijke omstandigheden die de gebruikelijke banden in Nederland ontstijgen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook bij dit argument onvoldoende tot uiting heeft laten komen dat eiser, gelet op zijn jonge leeftijd en zijn afhankelijkheidspositie, zeker niet ten volle verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn eigen keuze en dat de keuze van zijn moeder hem ook niet geheel is toe te rekenen.

12. Verder is de rechtbank van oordeel dat het enkele standpunt van verweerder dat het inherent is aan een langdurig verblijf in Nederland dat eiser intensieve banden heeft ongebouwd, er onvoldoende blijk van geeft waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser dient uit te vallen. Bij deze belangenafweging heeft verweerder de specifieke omstandigheden van eiser onvoldoende kenbaar betrokken. Zo heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom hij minder belang heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser in Nederland is geboren, dat hij hier heel zijn hele leven heeft doorgebracht en dat hij vanaf zijn geboorte is opgegroeid en opgevoed in het gezin van [A] . Evenmin is inzichtelijk waarom de omstandigheden dat eiser nog nooit in het buitenland heeft verbleven en dat hij daar geen familie of sociaal netwerk heeft bij de belangenafweging niet in zijn voordeel is meegewogen. De enkele stelling van verweerder dat eiser nog jong is en in staat moet worden geacht om buiten Nederland onderwijs te volgen en nieuwe sociale banden aan te gaan, geeft er geen blijk van dat verweerder de specifieke persoonlijke belangen van eiser voldoende heeft meegewogen. De rechtbank acht ook niet inzichtelijk waarom verweerder in de belangenafweging minder gewicht heeft toegekend aan de band die eiser heeft met [A] . Dat [A] een hele belangrijke rol in het leven van eiser speelt, blijkt niet alleen uit het feit dat eiser in het gezin van [A] is opgegroeid en opgevoed, maar ook uit het feit dat [A] inmiddels mede het gezag over eiser heeft. Verder heeft verweerder aangevoerd dat de moeder van eiser in zekere mate betrokken is bij de schoolgang van eiser. De rechtbank acht dit argument weinig overtuigend ter onderbouwing van het standpunt van verweerder dat eisers moeder (nog) een belangrijke rol speelt in de zorg en opvoeding van eiser en dat zij dus ook in het buitenland voor eiser zal kunnen zorgen.

13. Op grond van hetgeen is overwogen onder 10., 11. en 12. kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen de belangen van eiser en die van de Nederlandse samenleving. Hieruit volgt dat het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek lijdt. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,-. Dit bedrag is opgebouwd uit één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,-, en een wegingsfactor één.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep van eiser gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 21 juni 2018;

-draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 het zogenoemde paspoortvereiste, als bedoeld in artikel 3.19 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2 zoals volgt uit art. 3.19 van het Vb.

3 zie onder meer ECLI:CU:ECHR:2006:0131JUDO05043599 en ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527.