Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3722

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
AWB 18/7933
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv nareis; nareistermijn overschreden; verschoonbaarheid

Verweerder heeft in redelijkheid niet aan referent kunnen tegenwerpen dat hij niet tijdig een aanvraag om afgifte van een mvv voor eiseres heeft ingediend. Hierbij is van belang dat referent al tijdens zijn eerste gehoor (pagina 9) te kennen heeft gegeven dat hij Eritrea heeft verlaten omdat hij graag met zijn moeder herenigd wilde worden. Verder is van belang dat referent ten tijde van het verstrijken van de termijn van drie maanden net zestien jaar was geworden en hem eerst na het verstrijken van de termijn een voogd werd toegewezen, die zijn belangen behartigde. Dat de voogd er destijds vanuit is gegaan dat de stiefmoeder de biologische moeder was van referent, kan referent in redelijkheid niet worden verweten, nu de aanvraag voor zijn vader, stiefmoeder en halfbroers en –zussen is ingediend zonder dat hierover met hem is gesproken, en hij deze niet heeft kunnen corrigeren. Verweerder heeft zich van het voorgaande onvoldoende rekenschap gegeven, zodat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en genomen. Referent heeft er in dit specifieke geval op mogen vertrouwen dat Nidos tijdig een aanvraag voor eiseres zou indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18 / 7933

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Eritrese nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis voor verblijf bij [naam 1] (hierna: referent)” afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Referent is verschenen. Verweerder is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vw gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

  2. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Een rechtzoekende kan op grond van betalingsonmacht worden vrijgesteld van het betalen van het griffierecht als hij aan de vereisten voldoet genoemd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282). De rechtbank stelt vast dat eiseres aan de daarvoor geldende eisen voldoet en wijst het verzoek om nihilstelling van het griffierecht toe. Dit betekent dat eiseres met het niet-betalen van het griffierecht niet in verzuim is als bedoeld in artikel 8:41, zesde lid, Awb.

  3. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Referent is geboren op [geboortedatum 2] . Hij is Nederland ingereisd op 27 oktober 2015. Referent is bij besluit van 13 maart 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met ingang van 28 oktober 2015 en geldig tot 28 oktober 2020.

De termijn voor het tijdig indienen van een aanvraag om afgifte van een mvv in het kader van nareis verliep op 13 juni 2016. Op 8 juni 2016, bij verweerder geregistreerd op 10 juni 2016, zijn door stichting Nidos jeugdbescherming voor vluchtelingen (hierna: Nidos) , namens referent, aanvragen ingediend om afgifte van een mvv in het kader van nareis voor zijn vader, stiefmoeder, halfbroers- en halfzussen.

Nidos heeft op 3 augustus 2016 verzocht om een voorziening in de (tijdelijke) voogdij. Bij beschikking van rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2016 is Nidos belast met de tijdelijke voogdij over referent.

Op 6 november 2017 is door referent een aanvraag ingediend voor verlening van een mvv aan eiseres, zijn biologische moeder, in het kader van nareis.

Op 25 mei 2018 is door referent een aanvraag om afgifte van een mvv aan eiseres ingediend voor het doel “verblijf op grond van artikel 8 EVRM”. Deze aanvraag is bij besluit van 8 augustus 2018 niet in behandeling genomen, omdat de voor de aanvraag verschuldigde leges niet zijn voldaan.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op de volgende gronden. De aanvraag om een mvv is niet ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend aan referent. De overschrijding van deze termijn wordt door verweerder niet verschoonbaar geacht. Het tegenwerpen van de termijnoverschrijding levert volgens verweerder geen strijd op met richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn). Verweerder heeft onder toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb afgezien van het horen van eiseres of referent.

5. Eiseres voert aan dat niet in geschil is dat de aanvraag niet is ingediend binnen de termijn van drie maanden. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht. Ter onderbouwing van dit standpunt voert eiseres aan dat Nidosten onrechte niet binnen de termijn een aanvraag voor een mvv voor haar heeft ingediend. Uit de stukken blijkt dat Nidos wel tijdig aanvragen voor de vader, stiefmoeder en halfbroers en –zussen van referent heeft ingediend. Eerst na het indienen van deze aanvragen is aan referent een voogd toegewezen, terwijl hij bij binnenkomst in Nederland amper 15 jaar oud was. Referent was bij het indienen van de aanvraag amper 16 jaar oud en was volledig afhankelijk van de medewerkers van Nidos. Uit het dossier blijkt vervolgens dat referent bij Nidos op dat moment niet de tijd en aandacht heeft gekregen die noodzakelijk waren voor het indienen van de juiste aanvraag. Indien de medewerkers van Nidos het dossier van referent wel goed zouden hebben doorgenomen, voordat de termijn voor het indienen van de aanvraag was verstreken, hadden zij kunnen zien en lezen dat referent niet zozeer met zijn stiefmoeder herenigd wilde worden, maar met zijn moeder.

5.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de stelling in bezwaar, dat referent Eritrea heeft verlaten omdat hij met eiseres herenigd wilde worden, niet kan worden gevolgd omdat referent duidelijk geen prioriteit heeft gesteld om de termijn voor nareis voor eiseres veilig te stellen of daartoe een poging heeft ondernomen. Niet valt in te zien waarom referent voor zijn overige familieleden wel tijdig een aanvraag heeft kunnen indienen. Op basis hiervan stelt verweerder dat geen sprake is van overmacht, dan wel een verschoonbare termijnoverschrijding. Ten aanzien van de stelling dat referent ten tijde van het indienen van de aanvraag minderjarig was en daardoor volledig afhankelijk was van Nidos, wordt overwogen dat referent steeds de intentie heeft getoond om te worden herenigd met zijn stiefmoeder en hiertoe heeft hij dan ook tijdig een aanvraag om een mvv voor nareis ingediend. Verder is het uitgangspunt dat referent als minderjarige, doch jong volwassene, zelf verantwoordelijk is voor de tijdige indiening van de aanvraag voorzien van de juiste informatie. Nidos was voor de indiening van de aanvraag afhankelijk van de informatie van referent. Hierbij is van belang dat referent de kennelijk onjuiste aanvraag niet heeft gecorrigeerd. Referent heeft dan ook onvoldoende stappen ondernomen om de driemaandentermijn zelf, of met behulp van derden, veilig te stellen, dan wel om de kennelijke fout van Nidos te herstellen.

5.2

In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat terecht is overwogen dat de overschrijding van de termijn van drie maanden niet verschoonbaar is te achten, omdat niet is gebleken dat referent actie heeft ondernomen om de termijn voor eiseres veilig te stellen, terwijl hij wel tijdig een aanvraag heeft ingediend voor zijn vader, stiefmoeder en halfbroers- en zussen. Eiseres wordt niet gevolgd in de stelling dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat referent destijds 16 jaar oud was en volledig afhankelijk was van Nidos. Hoewel eiser ten tijde van het indienen van de nareisaanvraag 17 jaar oud was, laat dit onverlet dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen dat de nareisaanvraag tijdig wordt ingediend. Niet is gebleken dat referent, nadat hij tijdig de aanvragen voor zijn overige gezinsleden heeft ingediend, nog enige actie heeft ondernomen om ook voor eiseres een aanvraag in te dienen. Op het moment dat referent, samen met Nidos, de aanvraag heeft ingediend voor de overige gezinsleden, had hij ook kunnen aangeven dat hij een aanvraag voor eiseres wilde indienen.

5.3

De rechtbank stelt vast dat in het begeleidend schrijven van Nidos bij de aanvraag om een mvv van 8 juni 2016 voor de vader, stiefmoeder en halfbroers en –zussen van referent is aangegeven dat veel nog onduidelijk is en nagevraagd zal moeten worden, maar omdat de nareistermijn bijna is verstreken, er geen tijd meer is om referent hierover uitgebreid te spreken. Dit gesprek zal op een later moment plaatsvinden. Ten tijde van deze aanvraag was aan referent nog geen voogd toegewezen.

[naam 2] , jeugdbeschermer bij Nidos en de later toegewezen voogd van referent, heeft namens referent de aanvraag om verlening van een mvv voor eiseres ingediend. In het begeleidend schrijven van 6 november 2017 bij deze aanvraag heeft de voogd, voor zover hier van belang, aangegeven dat Nidos in de periode dat referent een verblijfsvergunning kreeg, niet correct heeft gehandeld en alleen een aanvraag heeft ingediend voor de biologische vader en stiefmoeder van referent. Nidos is er destijds vanuit gegaan dat de stiefmoeder de biologische moeder was van referent. Daardoor is de termijn van drie maanden voor eiseres niet veilig gesteld.

In een brief van [naam 3] , jeugdbeschermer bij Nidos, van 25 mei 2018 is, voor zover hier van belang, nogmaals aangegeven dat Nidos in de periode dat referent zijn verblijfsvergunning kreeg, niet correct heeft gehandeld. Er is destijds een aanvraag ingediend voor de biologische vader en stiefmoeder van referent en de aanvraag voor eiseres is niet tijdig ingediend, ondanks de uitdrukkelijke wens van referent om zich met eiseres te herenigen zodra zij in beeld zou zijn. Door verhuizing van referent naar een andere regio is er een wisseling geweest in voogden, waardoor de aanvraag voor gezinshereniging met eiseres nog meer is vertraagd. Referent heeft echter meermaals bij zijn voogden aangegeven dat hij met eiseres wil worden herenigd.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet aan referent heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet tijdig een aanvraag om afgifte van een mvv voor eiseres heeft ingediend. Hierbij is van belang dat referent al tijdens zijn eerste gehoor (pagina 9) te kennen heeft gegeven dat hij Eritrea heeft verlaten omdat hij graag met zijn moeder herenigd wilde worden. Verder acht de rechtbank van belang dat referent ten tijde van het verstrijken van de termijn van drie maanden net zestien jaar was geworden en hem eerst na het verstrijken van de termijn een voogd werd toegewezen, die zijn belangen behartigde. Dat de voogd er destijds vanuit is gegaan dat de stiefmoeder de biologische moeder was van referent, kan referent in redelijkheid niet worden verweten, nu de aanvraag voor zijn vader, stiefmoeder en halfbroers en –zussen is ingediend zonder dat hierover met hem is gesproken, en hij deze niet heeft kunnen corrigeren. Verweerder heeft zich van het voorgaande onvoldoende rekenschap gegeven, zodat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en genomen. Gelet op alle feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat referent er in dit specifieke geval op heeft mogen vertrouwen dat Nidos tijdig een aanvraag voor eiseres zou indienen. Het beroep is reeds daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking.

6. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

7. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen nu hieraan hetzelfde gebrek kleeft en verweerder opdragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.024,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.