Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:368

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
NL18.23496
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in een andere lidstaat internationale bescherming geniet. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.23496


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.G.Th. Omtzigt),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).


Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.23497, plaatsgevonden op 10 januari 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser heeft op 31 oktober 2018 zijn asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw), omdat eiser in een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Italië, internationale bescherming geniet. Kort weergegeven heeft verweerder overwogen dat eiser om die reden een sterke(re) band met Italië heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet nakomt en dat niet mag worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. In het geval van dreigende of zich voordoende problemen kan eiser de bescherming inroepen van de (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties in Italië.

3. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de Italiaanse autoriteiten hem geen bescherming hebben geboden tegen de bedreigingen van de mensensmokkelaars die zijn reis naar Europa hadden geregeld. Eiser is daardoor gedwongen de opvang voor asielzoekers te verlaten en is op straat beland. Ook werd eiser geen hulp geboden bij het vinden van huisvesting, uitkering of medische zorg. Eiser werd daardoor aangewezen op een bedelend bestaan en in die situatie is hij door de lokale politie lastig gevallen, opgepakt en aangezegd te vertrekken. Eiser wist niet meer waarheen te gaan en uit vrees om opnieuw opgepakt te worden heeft hij Italië verlaten.

Verweerder heeft ten onrechte in de beoordeling niet betrokken de overgelegde beschikking die hij heeft ontvangen en waarin staat dat hij moest vertrekken of anders gedetineerd zou worden. Verweerder had bij kennisneming van dit stuk moeten oordelen dat eiser geen hulp krijgt in Italië. Gelet op vorenstaande is eiser van mening dat Italië de verplichtingen, voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en de Opvangrichtlijn niet heeft nagekomen en dat er voor eiser ook geen mogelijkheden waren deze rechten af te dwingen. Om deze redenen kan niet worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel en wordt verzocht dat Nederland de asielaanvraag aan zich trekt.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Niet in geschil is dat eiser in Italië internationale bescherming geniet.

4.2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1794) uitspraak gedaan over de situatie van statushouders in Italië. In deze uitspraak erkent de Afdeling dat de feitelijke situatie voor statushouders moeilijk is. Zij worden echter volgens de wet wel gelijkgesteld met Italiaanse staatsburgers. Het enkele feit dat de economische positie in Italië slechter zal zijn dan in Nederland, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zal worden geschonden. Van vreemdelingen mag worden verwacht dat zij in Italië zelf de rechten die voortvloeien uit hun status effectueren en zich in dat kader wenden tot de hogere autoriteiten.

4.3

Eiser heeft geen informatie naar voren gebracht die grond biedt voor een andere conclusie dan die van de Afdeling in de voornoemde uitspraak van 30 mei 2018.

4.4

De rechtbank is verder van oordeel dat het persoonlijke relaas van eiser geen aanleiding biedt om aan te nemen dat de Italiaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Eiser heeft, naar eigen zeggen, aangifte gedaan van bedreiging, maar de politie zou daar niks mee gedaan hebben omdat het telefoonnummer van de bedreiger niet langer actief zou zijn. Eiser zou vervolgens vanwege aanhoudende bedreigingen naar een andere plaats in Italië gegaan. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de politie hem geen hulp of bescherming wilde bieden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door eiser overgelegde beschikking, nog daargelaten dat deze niet vertaald is, onverlet laat dat eiser (die statushouder is in Italië) zich daarover dient te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten of de geëigende instanties.

4.5

Van eiser mag worden verwacht dat hij in Italië zelf de rechten die voortvloeien uit zijn status effectueert. Gesteld noch gebleken is dat eiser zich tot de hogere autoriteiten in Italië heeft gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Italiaanse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zal komen en dat hij dus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan.

5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk kunnen verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat hij in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.