Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3614

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
C/09/544380 / HA ZA 17-1266
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuurdersaansprakelijkheid; verhaalsfrustratie; vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/610
OR-Updates.nl 2019-0049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/544380 / HA ZA 17-1266

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.H.J. Körver te Den Haag.

Partijen zullen hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het vonnis waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de aanvullende productie aan de zijde van [gedaagde] ;

  • -

    de akte houdende uitlating productie aan de zijde van [eiser] ;

  • -

    de op de rol van 7 november 2018 aan [gedaagde] verleende akte van niet-dienen.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is vanaf 24 december 2010 tot 10 december 2013 enig bestuurder geweest van [B.V. X] (hierna: [B.V. X] ). [gedaagde] was vanaf 10 december 2013 tot 31 december 2016 enig bestuurder van [B.V. X] . [B.V. X] exploiteerde een horecalocatie aan de strandboulevard op Scheveningen.

2.2.

Blijkens een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel is op 19 januari 2017 geregistreerd dat [B.V. X] is ontbonden met ingang van 31 december 2016. [gedaagde] is de vereffenaar van [B.V. X] .

2.3.

De rechtbank Den Haag heeft op 8 maart 2017 [B.V. X] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [eiser] van:

-een bedrag van € 110.000, vermeerderd met 6% rente per jaar, met ingang van 11 januari 2011;

-een bedrag van € 1.875 aan buitengerechtelijke kosten;

-proceskosten aan de zijde van [eiser] , begroot op € 4.342.

De rechtbank heeft daarbij onder meer als feit vastgesteld dat op 4 januari 2011 tussen [eiser] als schuldeiser en [B.V. X] als schuldenaar een geldleningsovereenkomst is gesloten. Blijkens de geldleningsovereenkomst heeft [eiser] aan [B.V. X] per de opnamedag een bedrag van € 110.000 te leen verstrekt. Dit bedrag is op 11 januari 2011 door [eiser] aan [B.V. X] overgemaakt. Op grond van de geldleningsovereenkomst diende [B.V. X] het voormelde bedrag uiterlijk op 1 januari 2016 aan [eiser] terug te betalen.

Naar het oordeel van de rechtbank was, kort gezegd, niet komen vast te staan dat de geldleningsovereenkomst was afgelost. Omdat de terugbetalingstermijn was verstreken, kwam de vordering van [eiser] tot terugbetaling van de lening, te verhogen met de contractueel overeengekomen rente van 6% per jaar met ingang van 11 januari 2011, voor toewijzing in aanmerking.

2.4.

[eiser] heeft het onder 2.3 genoemde vonnis aan [B.V. X] en [gedaagde] in persoon betekend. [B.V. X] heeft hoger beroep tegen het voormelde vonnis ingesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

  1. € 110.000, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 11 januari 2011;

  2. € 1.875 en € 4.342, vermeerderd met nakosten en gemaakte executiekosten;

  3. € 2.387,15 aan buitengerechtelijke kosten;

  4. de proceskosten en nakosten.

3.2.

Daaraan legt [eiser] , zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

[eiser] heeft uit hoofde van een overeenkomst van geldlening aan [B.V. X] op 11 januari 2011 € 110.000 geleend, tegen een rente van 6% per jaar. Terugbetaling van de lening moest, inclusief rente, uiterlijk op 1 januari 2016 plaatsvinden, maar betaling is uitgebleven. Daarom is [B.V. X] , na sommaties, op 16 juni 2016 in rechte betrokken met een vordering tot terugbetaling van de lening. [gedaagde] is sinds 10 december 2013 enig bestuurder van [B.V. X] . [B.V. X] is op 31 december 2016 ontbonden. Bij vonnis van 8 maart 2017 heeft de rechtbank Den Haag [B.V. X] veroordeeld om aan [eiser] € 110.000 te betalen, vermeerderd met rente en kosten. Terwijl [gedaagde] wist dat [B.V. X] de geldlening aan [eiser] moest gaan terugbetalen heeft hij haar eigendommen/gelden in 2016 en 2017 weggemaakt of ontvreemd:

i) de bankrekening van [B.V. X] is vrijwel leeggehaald, omdat een beslag slechts € 897 trof;

ii) [gedaagde] heeft op 19 januari 2016 en op 2 februari 2017 een appartement gekocht met geld van [B.V. X] ;

iii) de succesvolle horecalocatie die [B.V. X] exploiteerde aan de strandboulevard op Scheveningen is, zonder een tegenprestatie, overgenomen door Plankgas B.V., opgericht op 1 november 2016, waarmee [gedaagde] [B.V. X] en daarmee [eiser] heeft benadeeld. Voormelde verhaalsfrustrerende gedragingen leveren onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] op en een voldoende ernstig verwijt, zodat hij onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld. [gedaagde] is daarom in privé aansprakelijk voor de door [eiser] geleden en/of te lijden schade, die [gedaagde] dient te vergoeden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit het onder 2.3 vermelde vonnis blijkt dat tussen [eiser] en [B.V. X] onenigheid bestond over de terugbetaling van de geldlening door [B.V. X] aan [eiser] . In die procedure heeft [B.V. X] onder meer het (verworpen) verweer gevoerd dat de geldlening al aan [eiser] was terugbetaald en een (afgewezen) tegenvordering ingesteld, kort gezegd inhoudende dat [eiser] onterechte privéontrekkingen ten laste van de bankrekening van [B.V. X] heeft gedaan. [B.V. X] heeft hoger beroep tegen het voormelde vonnis ingesteld en ter comparitie is gebleken dat die procedure in hoger beroep nog aanhangig is. Hierover bestaat dus nog een discussie tussen [eiser] en [B.V. X] waarover verder wordt geprocedeerd, zodat tussen partijen niet vaststaat dat [B.V. X] haar verplichtingen tegenover [eiser] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst niet is nagekomen. Er veronderstellenderwijze vanuit gaande dat die lening niet is terugbetaald door [B.V. X] , zal de rechtbank beoordelen of [gedaagde] als voormalig bestuurder van [B.V. X] er in privé aansprakelijk voor is dat die lening niet is terugbetaald.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] , tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , zijn stellingen over het persoonlijk aan [gedaagde] te maken ernstig verwijt onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe ze tot dat oordeel is gekomen.

4.3.

Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, kan onder bijzondere omstandigheden een bestuurder van de vennootschap voor de daardoor ontstane schade persoonlijk aansprakelijk zijn. Daarvoor is vereist dat die bestuurder met betrekking tot de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dat het geval is, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

4.4.

De onder 4.3 bedoelde bestuurdersaansprakelijkheid kan zich voordoen als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (verhaalsfrustratie; HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 Ontvanger/Roelofsen).

4.5.

Ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst in 2011 was [eiser] zelf enig bestuurder van [B.V. X] . [gedaagde] werd dat pas ruim later op 10 december 2013. Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat [gedaagde] met een beroep op de Beklamel-norm (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521) aansprakelijk is voor het aangaan van deze overeenkomst, gaat dat verwijt niet op, omdat [gedaagde] toen nog geen bestuurder van [B.V. X] was.

4.6.

[eiser] heeft [gedaagde] verweten dat hij de bankrekening van [B.V. X] heeft leeggehaald en daarmee heeft verhinderd dat [B.V. X] de vordering van [eiser] zou betalen, terwijl er volgens [eiser] daarvoor nog genoeg middelen beschikbaar waren. [gedaagde] heeft deze stellingen evenwel betwist. Hij heeft aangevoerd dat er bij [B.V. X] geen sprake was van betalingsonwil. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat ten tijde van de ontbinding [B.V. X] niet langer bedrijfsactiviteiten ontplooide en er om die reden geen middelen meer waren om [eiser] van te voldoen. Daartegenover heeft [eiser] onvoldoende geconcretiseerd waaruit de conclusie kan worden getrokken dat [B.V. X] , toen hij zich met zijn vordering in 2016 bij [B.V. X] meldde, daadwerkelijk nog voldoende middelen had om zijn vordering te betalen, zodat niet is vast komen te staan dat er in [B.V. X] op dat moment of daarvoor nog voldoende baten aanwezig waren.

4.7.

[gedaagde] heeft voorts betwist dat [B.V. X] nog tot najaar 2016 de horecalocatie aan de strandboulevard op Scheveningen exploiteerde en deze zonder tegenprestatie door Plankgas B.V. is overgenomen. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat [B.V. X] al sinds 2014 de horecalocatie, waarvan [eiser] stelt dat [B.V. X] die nog tot najaar 2016 exploiteerde aan de strandboulevard op Scheveningen, door derden werd geëxploiteerd, te weten eerst door Refino B.V. en vervolgens door Firoozi Food B.V., vanaf medio 2015, zodat van een overname van [B.V. X] aan Plankgas B.V. in het najaar 2016 geen sprake is geweest. Toen [B.V. X] stopte met de exploitatie van de horecalocatie in 2014 speelde de procedure tussen [eiser] en [B.V. X] bovendien nog helemaal niet en [gedaagde] wist toen niet dat er in 2016 een sommatiebrief van [eiser] zou volgen, aldus [gedaagde] .

4.8.

[eiser] heeft op zijn beurt ter comparitie toegelicht dat Refino B.V. en Firoozi Food B.V. inmiddels failliet zijn verklaard en uit de openbare faillissementsverslagen van de curatoren volgt dat sprake was van katvangers, waarbij de horecalocatie is doorgestart via Plankgas B.V., terwijl het restaurant inmiddels te koop staat. De bestuurder van Plankgas B.V. woont volgens [eiser] ondertussen in een appartement van [gedaagde] . [eiser] blijft daarom bij zijn stelling dat de horecalocatie van [B.V. X] direct door Plankgas B.V. is overgenomen. Uit een factuur van april 2017, geadresseerd op naam van [gedaagde] , zou blijken dat [gedaagde] nog steeds betrokken is bij de huur van de horecalocatie en nog steeds huurnota’s betaalt. Het succesvolle restaurant is uit [B.V. X] verdwenen en [gedaagde] was bij de andere B.V.’s betrokken, aldus [eiser] . Ook is het bezoekadres van [B.V. X] tot aan de ontbindingsdatum de horecalocatie aan de strandboulevard op Scheveningen gebleven.

4.9.

Namens [gedaagde] is ter comparitie toegelicht dat [gedaagde] persoonlijk de horecalocatie huurt en verhuurt aan blvrd food B.V., maar hij bij het standpunt blijft dat [B.V. X] al in 2014 is gestopt met de exploitatie en wat er toen is afgesproken tussen Refino B.V. en [B.V. X] niet relevant is, omdat toen de procedure tussen [eiser] en [B.V. X] nog helemaal niet speelde en het [gedaagde] niet bekend was dat [eiser] een geldlening op [B.V. X] stelde te hebben. [gedaagde] en [B.V. X] waren sinds in elk geval 2014 niet langer betrokken bij de exploitatie van de horecalocatie. De door [eiser] aangevoerde aanvullende omstandigheden tonen in geen enkel opzicht aan dat [gedaagde] als bestuurder van [B.V. X] onrechtmatig heeft gehandeld in die zin dat dit externe aansprakelijkheid van [gedaagde] tegenover [eiser] oplevert, aldus [gedaagde] .

4.10.

Wat ook van de door [eiser] aangevoerde omstandigheden zij, zij bieden in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] onvoldoende concrete aanknopingspunten dat [gedaagde] , handelend als bestuurder van [B.V. X] , verhaal van [eiser] op [B.V. X] heeft willen frustreren of heeft gefrustreerd. Met name is er onvoldoende concreet en specifiek toegelicht waaruit volgt dat niet Refino B.V. in 2014, maar Plankgas B.V. in het najaar van 2016 de exploitatie van de horecalocatie aan de strandboulevard op Scheveningen heeft overgenomen. Ook is de (gestelde) betrokkenheid van [gedaagde] bij Refino B.V., Firoozi Food B.V. en Plankgas B.V., en verband met [B.V. X] in de jaren 2016 en 2017, niet vast komen te staan. Evenmin is de relevantie aangetoond van het gegeven dat de bestuurder van Plankgas B.V. in een appartement van [gedaagde] woont voor het handelen van [gedaagde] als bestuurder van [B.V. X] . Ook de omstandigheid dat het bezoekadres van [B.V. X] tot aan de ontbindingsdatum de horecalocatie aan de strandboulevard op Scheveningen is gebleven is, zonder meer, onvoldoende voor het vergaande oordeel dat [gedaagde] als voormalig bestuurder van [B.V. X] ten opzichte van [eiser] als schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem op grond daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.11.

[eiser] heeft verder nog gesteld dat [gedaagde] op respectievelijk 19 januari 2016 en op 2 februari 2017 een appartement heeft gekocht met geld van [B.V. X] . [gedaagde] heeft dat weersproken en daartegen ingebracht dat hij deze appartementen met eigen geld heeft gekocht. [eiser] heeft op zijn beurt onvoldoende feitelijk toegelicht waaruit valt af te leiden dat de door [gedaagde] gekochte appartementen met geld van [B.V. X] zijn gekocht. Daarvoor is in elk geval onvoldoende het enkele gegeven dat [gedaagde] het eerste appartement op 19 januari 2016 kocht in de periode dat [eiser] aan [gedaagde] had aangekondigd zijn vordering op [B.V. X] aan zijn advocaat uit handen te geven en het tweede appartement op 2 februari 2017, twee weken na de comparitie in de procedure tussen [eiser] en [B.V. X] , die tot het onder 2.3 vermelde vonnis leidde. Hiermee strandt reeds enig verwijt in relatie tot [gedaagde] handelend als bestuurder van [B.V. X] .

4.12.

Op grond van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt treft, zodat hij niet aansprakelijk is tegenover [eiser] op grond van onrechtmatige daad. Dat zich in het onderhavige geval een situatie voordeed waarin over de betrokken periode de volledige of overheersende zeggenschap over [B.V. X] direct dan wel indirect bij [gedaagde] berustte, is overigens evenmin vast komen te staan (vgl. HR 3 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0564 [… 1] / [… 2]). Voor een afwijking van de regel dat de stelplicht en bewijslast voor de aansprakelijkheid van [gedaagde] op [eiser] rust, bestaat daarom geen grond.

4.13.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 4.959 (€ 1.545 aan griffierecht en € 3.414 aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 1.707)). Overeenkomstig de niet weersproken vordering daartoe van [gedaagde] wordt de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en vermeerderd met wettelijke rente als weergegeven in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.959,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.