Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3580

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
C/09/541830 / HA ZA 17-1128
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conflict tussen TNO en ondernemer over het naar de markt brengen van Ultrasonic Corrosion Monitoring-technologie met een Technology Readiness Level 4 (TRL 4). Geen grond voor aansprakelijkheid van TNO uit hoofde van dwaling of onrechtmatig handelen. De stand van de technologie en de daarbij bijbehorende risico’s waren partijen voldoende bekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/541830 / HA ZA 17-1128

Vonnis van 6 maart 2019

in de zaak van

1 [A] te [plaats] ,

eiser in conventie,

2. [B.V. I] te [plaats] ,

eiseres in conventie,

3. [CIT] te [plaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.J. Wittekamp te Delft,

tegen

NEDERLANDSE ORGANISATIE VOOR TOEGEPAST NATUURWETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK, te Delft,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.F. Kloppenburg te 's-Gravenhage.

Eisers in conventie zullen hierna ‘ [A] ’, ‘ [B.V. I] ’ en ‘CIT’ (gezamenlijk: ‘ [A c.s.] ’) genoemd worden, verweerster in reconventie zal eveneens ‘CIT’ worden genoemd. Gedaagde in conventie en eiseres in reconventie zal als ‘TNO’ worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 september 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 18 juni 2018 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte inbreng producties in conventie en reconventie, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie, gehouden op 23 november 2018.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. [A c.s.] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en bij brief van 19 december 2019 opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal gemaakt. Het proces-verbaal wordt gelezen met inachtneming van deze opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] is enig aandeelhouder en bestuurder van de beheersmaatschappij [B.V. I] , die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van CIT.

CIT houdt zich bezig met het inspecteren van industriële installaties op het gebied van energiewinning en advisering daaromtrent. Beide vennootschappen zijn op 1 september 2012 opgericht.

2.2.

TNO is een organisatie die zich onder meer toelegt op toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek.

2.3.

[A] was tot 1 september 2012 als global senior productmanager werkzaam bij General Electric Inspection Technologies (hierna: GE). In deze hoedanigheid was hij in 2008 aanwezig op een conferentie over niet-destructief onderzoek (onderzoek waarbij het onderzochte object tijdens het onderzoek volledig intact blijft) van de Nederlandse Vereniging voor Kwaliteitstoezicht Inspectie en Niet-Destructieve Technieken. Op deze conferentie was ook TNO aanwezig. Zij toonde de door haar ontwikkelde ultrasone modeleringssoftware genaamd UMASIS. Naar aanleiding van deze software is op de conferentie tussen TNO en [A] gesproken over een andere technologische toepassing, te weten Ultrasonic Corrosion Monitoring (hierna: UCM-technologie). Deze technologie houdt in dat corrosie en erosie in pijpleidingen, vaten en platen kunnen worden gemeten zonder te meten objecten aan te tasten. Dit gebeurt door plaatsing van twee ringen met sensoren op een bepaalde afstand van elkaar, waartussen gecorrespondeerd wordt middels ultrasone akoestische golven die door de betreffende leiding of plaat worden gestuurd. Uit de metingen van de sensoren kan vervolgens een gespecialiseerd computerprogramma een visualisatie vervaardigen waaruit de corrosie en erosie aan het gemeten gedeelte van het object blijkt. Dit betrof vernieuwende technologie.

2.4.

Na de conferentie is er veelvuldig contact geweest tussen [A] en TNO omtrent de UCM-technologie. Kort na de conferentie in 2008 heeft TNO per e-mail een presentatie over de UCM-technologie gestuurd aan [A] . In deze presentatie is onder meer het volgende opgenomen:

“Technology developed:

Permanent Corrosion Monitoring for Pipeline and Piping

TNO is looking for partner ship for commercialization of this technology through:

  • -

    Strategic R&D collaboration

  • -

    License agreement

  • -

    Business to business R&D projects”

2.5.

Omtrent de ontwikkelingsstaat van de technologie is in deze presentatie onder meer het volgende opgenomen. Hierbij is van belang dat bij niveau 4 een rode pijl staat:

“The road map wired product.

  1. Basic Principles Observed and Reported

  2. Technology Concept And/or Application Formulated

  3. Active R&D Proof of Concept

  4. Component Validation in Laboratory Environment

  5. Component Calidation in Operational Environment

  6. Prototype Demonstrator in Relevant Environment

  7. System Prototype In Operational Environment

  8. System Quilified Through Test And Demonstration

  9. System Qualified Through Mission Operation”

2.6.

Deze niveaus, die aangeven hoe ver een nieuwe technologie is in haar ontwikkeling, sluiten aan bij de internationaal gebruikelijke ‘Technology Readiness Levels’, ofwel TRL. Voor het TRL 4 niveau worden de volgende definities aangehouden door achtereenvolgens de NASA en de EU:

Definitie TRL 4 volgens NASA:

“TRL level 4:

Proof of concept wordt op labschaal getest, design, ontwikkeling en het testen van technologische componenten vinden plaats in een lab omgeving. Technische basiscomponenten worden geïntegreerd met elkaar om de werking te garanderen. Een prototype dat in deze fase wordt ontwikkeld kost relatief weinig geld en tijd om te ontwikkelen en is daarmee nog ver verwijderd van een definitief product, proces of dienst.”

Definitie TRL 4 volgens EU:

“TRL 4

Definition: Component and/or breadboard validation in laboratory environment.

Hardware Description: A low fidelity system/component breadboard is built and operated to demonstrate basic functionality and critical test environments, and associated performance predictions are defined relative to the final operating environment.

Software Description: Key, functionally critical, software components are integrated, and functionally validated, to establish interoperability and begin architecture development. Relevant Environments defined and performance in this environment predicted.

Exit Criteria: Documented test performance demonstrating agreement with analytical predictions. Documented definition of relevant environment.”

2.7.

In de maanden nadat TNO haar presentatie over de UCM-technologie had opgestuurd heeft GE bij monde van [A] aangegeven betrokken te willen zijn bij de verdere ontwikkeling van de UCM-technologie, omdat zij kansen zag om de technologie op termijn commercieel in te zetten. Op 10 maart 2010 zijn GE en TNO in dit kader een Letter of Intent overeengekomen, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“GE IT is interested to commercialise the TNO Invention after first having had the opportunity to participate in validating the TNO Invention through a proposed Co-financed project by Dutch Ministry of Economic affairs: Test and Evaluate new technology for Corrosion Monitoring Of Pipelines with large area coverage (“TECMOP”).

(…)

PURPOSE OF COLLABORATION

1.1

GE IT wishes to be a partner in the TECMOP. The objective of the TECMOP is the validation of the performance of the TNO Invention in order to determine the applicabillity of such ultrasonic monitoring technology for the process industry in order to allow GE to decide on initiating product development and commercialisation.”

2.8.

In het verlengde van deze Letter of Intent zijn GE en TNO op 26 maart 2010 een overeenkomst inzake cofinanciering aangegaan voor verdere tests, ook wel het Joint Industry Project (hierna: JIP) genoemd. Dit testproject is door het Ministerie van Economische Zaken aangeduid als een categorie 3-project. Dit houdt in dat het project pre-concurrentiële, experimentele ontwikkeling als doelstelling heeft. Voor dergelijke projecten wordt de helft van de benodigde financiële middelen door de Nederlandse Staat verstrekt, terwijl TNO voor de andere helft diverse investeerders dient te vinden. De totale financiële omvang van het JIP was € 300.000,--. Met GE werd afgesproken dat zij voor een bedrag van € 25.000,-- in het project zou participeren. [A] was hierbij als werknemer van GE betrokken.

2.9.

Tijdens uitvoering van het JIP, vonden er tussen GE en TNO onderhandelingen plaats inzake mogelijke (optie op) licensering van de UCM-technologie door GE. Per e-mail van 25 november 2010 heeft TNO in dat kader het volgende bericht aan [A] gestuurd:

“Please communicate to GE that we would prefer to grant them an option for a license now, to account for the fact that they will not make and sell licensed products until after the R&D is complete and the product is market ready. The option fee has to account for the lost opportunities that TNO has in licensing the same technology to others during the pre-market R&D phase. The option fee will of course reflect the fact that the TRL of the technology is not yet market ready.”

2.10.

Binnen GE heeft er discussie plaatsgevonden omtrent de wenselijkheid van een dergelijke (optie op een) licentie, de prijs die daarvoor betaald zou moeten worden en de risico’s die hiermee gepaard gingen. In een e-mail tussen verschillende medewerkers van GE, waaronder [A] , van 29 juni 2011 wordt onder meer het volgende aan de orde gesteld:

“There is still a lot of work for GE to do to make this a successful product. What they have done is develop only a core technology and it still needs to be produced, which means GE will have significant efforts to do this thereby lowering the expected buyout… in other words if this is worth $40MM, then only x percent is attributable to the work that TNO did not 100%.”

2.11.

Op 14 juli 2011 is het JIP afgerond. Uit de onderzoeksresultaten bleek dat verder onderzoek naar en ontwikkeling van de UCM-technologie nodig was om tot praktische toepassing te kunnen komen. Teneinde deze ontwikkeling te realiseren heeft TNO geprobeerd tot verdere samenwerking te komen met diverse partijen, waaronder GE. Bij e-mail van 7 december 2011 heeft GE, bij monde van de heer [X] en met [A] als mede-ontvanger, TNO als volgt bericht:

“We are disappointed that we could not come to a mutually agreeable partnership, but we remain interested in the technology. We would need to reduce our perceived technical risk and also the perceived time to market before moving forward. Perhaps we can find a way in the future to reduce these perceived risks, but at the moment feel we are at an impasse.”

2.12.

Enige tijd nadat GE te kennen heeft gegeven dat zij niet verder zal samenwerken met TNO voor de ontwikkeling van de UCM-technologie is er opnieuw contact geweest tussen TNO en [A] . Laatstgenoemde handelde hierbij niet als werknemer van GE. Het contact had ten doel te onderzoeken of het mogelijk was dat [A] in eigen hoedanigheid, althans middels een door hem op te richten vennootschap, de door GE stopgezette samenwerking met TNO voort zou zetten. Dit heeft geleid tot de e-mail van 21 september 2011 van TNO aan [A] , waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Hallo [A] ,

We overwegen op korte termijn een inspectiebedrijf op te zetten om zo snel mogelijk naar de markt te kunnen met de technologie. Je hebt aangegeven hier interesse in te hebben en we willen hier over verder praten. De scope van het bedrijf is dienstverlening en manufacturing valt er nu buiten. Neem ook geen ontwikkelingsactiviteiten mee het moet even op basis van de huidige performance.

Als je interesse hebt dan wil ik je ter voorbereiding vragen een kort businessplan op hoofdlijnen te sturen, niet meer dan 2 A4tjes met je gedachten. Het plan moet gericht zijn om op korte termijn max. rendement te geven. Geef wel wat getallen ter onderbouwing, sale price, kosten, aantal metingen enzo.

Ga er even van uit dat de flexibele ringen beschikbaar zijn + uitleeshardware en dat het aanbrengen kan gebeuren in 1 uur.”

2.13.

[A] is hierop begonnen met het opstellen van een bedrijfsplan (hierna: het Bedrijfsplan). Op 26 februari 2012 heeft hij per e-mail aan TNO een eerste, nog onvolledig, onderdeel hiervan gestuurd en hierbij het volgende aangegeven:

“Hallo [… 1] en [X] ,

Hierbij stuur ik jullie een eerste pass voor de functionele specificatie zoals afgesproken in onze laatste meeting.

Ik heb het document opgesteld met slechts een hele beperkte kennis van de uiteindelijke technologie, daar met mij nog niet alles is gedeeld. Ik hoop dat het document waardevol is voor het bepalen van een eerste productspecificatie en bijkomende budget.

Ik wil het finale businessplan proberen nu binnen een week klaar te hebben. Ik zal deze dan ook naar jullie sturen. Ik hoop dan op een brief van TNO die het plan ondersteund, wat het verkrijgen van financiering moet vergemakkelijken.”

2.14.

Op 25 maart 2012 heeft TNO per e-mail op het voorstel van [A] gereageerd, waarbij zij onder meer het volgende aangeeft:

“Je wilt ook Rightrax gaan leveren van GE. Dit gaat vragen opleveren bij ons ivm verstrengeling belangen dit ligt inmiddels erg gevoelig. GE gaat immers met een concurrent systeem komen dat je dus ook gaat services. Je ambitie is monitoring provider te worden en ook andere producten te voeren. Dat kan, maar dan kun je ook andere merken en aanvullende technieken kiezen ipv concurrerende. Je noemt daarbij alleen GE. Het lijkt op twee paarden wedden. Dit ligt lastig en introduceert een risico dat bij ons besproken zal worden ook mbt tot de indiening van het voorstel.

Licht dit even asap toe voor de bespreking van morgen!”

2.15.

Onderwijl heeft TNO contact met andere investeerders gezocht. In zowel een e-mail van donderdag 5 april 2012 aan [… 2] als een e-mail van 17 april 2012 aan Parcom Capital is door TNO aangegeven dat de betreffende UCM-technologie zich op dat moment op niveau TRL 4 bevond. Deze e-mails zijn steeds door TNO doorgezonden aan [A] .

2.16.

Eind april 2012 stuurt [A] een volledige versie van het Bedrijfsplan. In versie 1.0 R4, gedateerd 30 april 2012, is een schematisch overzicht van de kansen en risico’s opgenomen. Dit betreft een zogenaamde SWOT (Strenghts, Weaknesses Opportunities en Threats) analyse. Een deel van dit overzicht is hieronder opgenomen:

Afbeelding 1

2.17.

Mede naar aanleiding van het Bedrijfsplan hebben TNO en [A] besloten om een samenwerking aan te gaan met als doel de verdere ontwikkeling van de UCM-technologie. Teneinde uitvoering te geven aan deze samenwerking heeft [A] zijn baan bij GE opgezegd en op 1 september 2012 de vennootschappen CIT en [B.V. I] opgericht. Vervolgens is op 2 november 2012 tussen CIT en TNO een cofinancieringsovereenkomst tot stand gekomen (hierna: de Cofinancieringsovereenkomst), waarbij werd overeengekomen dat CIT een bedrag van € 75.000,- (exclusief btw) aan TNO ter beschikking zou stellen om de UCM-technologie verder te ontwikkelen. Dit betrof, net als het JIP, een project dat door het Ministerie van Economische Zaken is aangeduid als een categorie 3-project, zodat de Nederlandse Staat de helft van de benodigde gelden verstrekte. De totale financiële omvang van het project was € 300.000,-. Hierna is op 7 november 2012 tussen CIT en TNO een licentieovereenkomst gesloten (hierna: de Licentieovereenkomst), waarbij CIT semi-exclusieve rechten verkreeg op de computerprogrammatuur behorende bij de UCM-technologie. Naast CIT heeft Shell Global Solutions eveneens in de UCM-technologie geïnvesteerd onder vergelijkbare voorwaarden.

2.18.

In de Cofinancieringsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Overwegende:

  • -

    dat TNO het onderzoek High resolution inspection of pipe supports with TNO’s Guide Wave Tomography, hierna te noemen het Project, wil uitvoeren met cofinanciering door de cofinancier;

  • -

    dat de cofinancier samen met andere cofinanciers geïnteresseerd is in de uitvoering van het Project door TNO en bereid is als cofinancier daarvan op te treden;”

2.19.

In de jaren na het sluiten van deze overeenkomsten zijn meerdere testen en experimenten uitgevoerd door TNO, CIT en Shell. Hierbij werd op diverse problemen gestuit. De laatste test vond plaats aan het einde van 2015 en werd uitgevoerd door de HOIS groep, een branchevereniging waarvan alle belangrijke potentiële klanten van CIT lid zijn. Bij deze test bleek dat defecten aan pijpleidingen niet betrouwbaar konden worden gemeten en dat de bijbehorende computerprogrammatuur te veel rekentijd nodig had om de gegevens te verwerken. Gezien het feit dat via de HOIS groep alle potentiële klanten van CIT direct van deze negatieve testresultaten op de hoogte waren, verbetering van de UCM-technologie niet op korte termijn was te verwachten en de financiële middelen die zijdens TNO voor het project ter beschikking stonden in ruime mate waren overschreden, is na deze test zowel door CIT en TNO het besluit genomen om niet meer door te gaan met de ontwikkeling van de UCM-technologie.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A c.s.] vordert, samengevat, dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht verklaart dat TNO onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem en aansprakelijk is voor de door hem geleden schade;

  • -

    voor recht verklaart dat de Licentieovereenkomst, de Cofinancieringsovereenkomst en alle samenhangende en hieruit voortvloeiende afspraken bij brief van 4 mei 2016 rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd op grond van dwaling, althans deze overeenkomsten met een beroep op dwaling vernietigt;

  • -

    TNO veroordeelt tot betaling aan [A] van een schadevergoeding van € 263.276,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding en vermeerderd met schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    TNO veroordeelt tot betaling aan CIT van een schadevergoeding van € 87.328,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding en vermeerderd met schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    TNO veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

3.2.

[A c.s.] legt hieraan, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat:

  • -

    hij bij het sluiten van de Licentieovereenkomst en de Cofinancieringsovereenkomst omtrent de stand van de ontwikkeling van de UCM-technologie heeft gedwaald als bedoeld in artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat de Licentieovereenkomst en de Cofinancieringsovereenkomst rechtsgeldig zijn vernietigd althans bij vonnis vernietigd dienen te worden;

  • -

    zijn dwaling te wijten is aan onjuiste inlichtingen door TNO, althans een gebrek aan inlichtingen door TNO, zodat TNO aansprakelijk is voor de schade die [A c.s.] heeft geleden in de vorm van misgelopen inkomsten en kansen.

in reconventie

3.3.

TNO vordert, samengevat, dat de rechtbank voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, CIT veroordeelt om aan TNO te betalen een bedrag van € 45.375,--, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 18 januari 2016, buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 1.228,75 en met veroordeling van CIT in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.4.

TNO legt hieraan, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat:

  • -

    de Cofinancieringsovereenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:228 BW;

  • -

    CIT nog de helft van de in de Cofinancieringsovereenkomst overeengekomen financiële investering aan TNO dient te verstrekken;

in conventie en reconventie

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De rechtbank ziet aanleiding om eerst het beroep op dwaling dat door CIT is gedaan te beoordelen. Hierbij merkt de rechtbank op dat uit de processtukken en hun toelichting ter comparitie blijkt dat partijen uitgaan van verschillende betekenissen van de termen ‘inspectie’ en ‘monitoring’ in relatie tot de UCM-technologie. Naar de rechtbank begrijpt, zijn monitoring en inspectie volgens TNO twee verschillende toepassingen van de UCM-technologie, in die zin dat monitoring plaatsvindt middels vaste meetsensoren, terwijl inspectie plaatsvindt door middel van mobiele meetsensoren. [A c.s.] maakt daarentegen het onderscheid tussen mobiele en vaste meetsensoren niet, en interpreteert inspectie zodanig dat dit mede een 0-meting van een monitoringsinstallatie omvat. De discussie hieromtrent is hoofdzakelijk semantisch van aard, een spraakverwarring die naar het oordeel van de rechtbank niet van (doorslaggevend) belang is voor de juridische beoordeling van de geschilpunten die partijen verdeeld houdt. Bij de beoordeling zal de rechtbank dan ook uitgaan van de UCM-technologie als één geheel.

Dwaling?

4.2.

CIT stelt dat zij heeft gedwaald bij het sluiten van de Licentieovereenkomst en de Cofinancieringsovereenkomst, omdat:

  • -

    TNO inlichtingen heeft verstrekt waaruit bleek dat de UCM-technologie snel klaar zou zijn voor commercieel gebruik, terwijl dit achteraf bezien onjuist bleek te zijn;

  • -

    TNO CIT niet actief heeft ingelicht omtrent het feit dat zij geen technologie kon leveren die klaar was voor commercieel gebruik, terwijl dit op haar weg lag.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat een overeenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling indien is voldaan aan de vereisten van artikel 6:228 BW, waarbij het aan CIT is om gemotiveerd en onderbouwd te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat aan de vereisten voor een beroep op dwaling is voldaan.

4.4.

Voor zover een onjuiste voorstelling van zaken bestond aan de zijde van CIT die tot het sluiten van de overeenkomsten met TNO heeft geleid, is de rechtbank van oordeel dat dat niet te wijten was aan onvolledige of onjuiste inlichtingen van TNO, en ook niet dat TNO nadere inlichtingen had behoren te verstrekken. Hiervoor is het volgende redengevend, waarbij van belang is dat de rechtbank de wetenschap van [A] als indirect bestuurder en aandeelhouder van CIT eveneens toeschrijft aan CIT.

4.5.

TNO heeft consequent in haar communicatie aangegeven dat de UCM-technologie zich bevond op het niveau TRL 4. Dit volgt bijvoorbeeld uit de aan [A] verstuurde presentatie en de daarin weergegeven rode pijl, alsmede uit de e-mails van TNO aan potentiële investeerders, waaronder [A] , van april 2012. Blijkens de omschrijvingen door de NASA en de EU van het niveau TRL 4, wordt hiermee niet de indruk gewekt dat, zoals CIT stelt, sprake is van een technologie die klaar is voor de markt. Dit niveau impliceert immers dat het betreffende product nog ver verwijderd is van een definitieve versie, en dat het risico bestaat dat het niveau TRL 9 door de betreffende technologie wegens toekomstige ontwikkelingsproblemen niet gerealiseerd gaat worden.

4.6.

Dat CIT, in de persoon van haar indirect bestuurder [A] , zich van de risico’s bewust was blijkt uit de SWOT-analyse in het Bedrijfsplan, waarin de dreiging getiteld “werking van het systeem niet als gepland” staat opgenomen met het hoogste gevolgcijfer (10 uit 10), en met roze kleur blijkens de legenda als een “showstopper” is gemarkeerd. [A] was bovendien, vanuit zijn eerdere functie bij GE, op de hoogte van het feit dat GE had afgezien van verdere financiering inzake TNO’s onderzoek naar de UCM-technologie. De redenen hiervoor waren [A] eveneens bekend: uit de e-mails van 29 juni 2011 en 14 juli 2011 blijkt dat de UCM-technologie volgens GE slechts een “core technology” was waar nog veel aan moest worden ontwikkeld, terwijl niet duidelijk was hoeveel tijd hiervoor nodig zou zijn en welke risico’s te verwachten zouden zijn. TNO heeft in de hieraan voorafgaande, [A] bekend zijnde, correspondentie in dit kader aangegeven dat de UCM-technologie “not yet marked ready” was (e-mail van 25 november 2010). Ook het feit dat de Nederlandse Staat het project typeerde als een categorie 3-project, hetgeen inhoudt dat het project pre-concurrentiële en experimentele ontwikkeling als doelstelling had, moet voor [A] en CIT reden zijn geweest om in te zien dat er grote risico’s bestonden dat de ontwikkeling van de UCM-technologie niet zou verlopen zoals gehoopt. Dat CIT desondanks besloot om te investeren in de ontwikkeling van de UCM-technologie met het oog op haar commercieel potentieel, ging dan ook gepaard met het nodige ondernemersrisico. Wanneer dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, kan niet enkel om die reden door CIT een geslaagd beroep op dwaling worden gedaan.

4.7.

TNO heeft informatie verstrekt over de premature en risicovolle stand van de UCM-technologie. [A c.s.] brengt daartegen in dat hij voor CIT en TNO het Bedrijfsplan met een, naar eigen zeggen, beperkte kennis van de uiteindelijke technologie heeft opgesteld, zodat TNO meer inlichtingen had moeten verstrekken. Tegen de achtergrond van de onder 4.5 en 4.6 genoemde feiten en omstandigheden moet aan deze stelling voorbij worden gegaan. Het lag namelijk op de weg van [A] om, indien hij van mening was over te weinig kennis van de achterliggende technologie te beschikken, te verzoeken om nadere inlichtingen van TNO dan wel geheel van de investering af te zien.

4.8.

Ter comparitie heeft CIT toegelicht dat zij inschatte dat de stappen van niveau TRL 4 naar niveau TRL 9 snel genomen konden worden omdat het uiteindelijke product vervaardigd zou kunnen worden zonder het opzetten van een productielijn. Deze gestelde verwachting van CIT is echter niet terug te voeren op mededelingen van TNO. Dit kan dan ook geen grond vormen voor een beroep op dwaling. Evenmin is gebleken dat CIT of [A] aan TNO dergelijke verwachtingen hebben uitgesproken, zodat TNO niet behoefde te begrijpen dat zij CIT nadere inlichtingen moest verstrekken omtrent hetgeen van de UCM-technologie te verwachten was.

4.9.

CIT voert hiernaast aan dat de UCM-technologie zich niet op het niveau TRL 4 bevond bij het sluiten van de Licentie overeenkomst en Cofinancieringsovereenkomst, en dat TNO door aan te geven dat de UCM-technologie zich wel op dit niveau bevond onjuiste inlichtingen aan CIT heeft verstrekt. Deze stelling wordt door CIT echter onvoldoende onderbouwd, gelet op de wel overgelegde stukken waaruit het niveau TRL 4 met zoveel woorden blijkt. Het enkele feit dat de metingen uit het JIP zouden hebben plaatsgevonden op buizen met een redelijk homogene wanddikte, terwijl in de praktijk naadloze buizen worden gebruikt die een meer variërende wanddikte vertonen, maakt niet dat de UCM-technologie zich niet op het niveau TRL 4 bevond. TNO heeft voldoende gemotiveerd toegelicht, en CIT heeft onvoldoende concreet weersproken, dat een dergelijke meting in een gecontroleerde (lab)omgeving past bij technologie die zich bevindt op niveau TRL 4.

4.10.

CIT stelt nog dat zij bij het project betrokken is geraakt om de UCM-technologie naar de markt te brengen en niet als partner voor een researchproject. Daarom behoefde zij niet te verwachten dat er nog veel risicovolle ontwikkeling aan de UCM-technologie plaats moest vinden, aldus CIT. Deze stelling vindt echter geen bevestiging in de feiten. In de Cofinancieringsovereenkomst is immers met zoveel woorden aangegeven dat TNO onderzoek zal doen naar de UCM-technologie, waarbij CIT (en Shell) als co-financiers zullen optreden. Hieruit blijkt i) dat het project ten doel had om nader onderzoek naar de UCM-technologie te verrichten en niet om slechts verdere verfijning te bieden en ii) dat CIT weldegelijk een financiële partner was in een researchproject. Stukken waaruit anders zou blijken heeft CIT niet overgelegd.

4.11.

De vordering van CIT tot vernietiging van de Licentieovereenkomst, de Cofinancieringsovereenkomst en alle samenhangende en uit deze overeenkomsten voortvloeiende afspraken, facturen en overeenkomsten zal dan ook worden afgewezen, omdat niet is voldaan aan de vereisten voor dwaling in de zin van artikel 6:228 BW. Dit brengt mee dat deze overeenkomsten door CIT met de brief van 4 mei 2016 niet rechtsgeldig zijn vernietigd, zodat ook de vordering tot een verklaring voor recht dat met deze brief rechtsgeldige vernietiging heeft plaatsgevonden zal worden afgewezen.

Onrechtmatige daad van TNO jegens CIT?

4.12.

CIT vordert een verklaring voor recht dat TNO onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar, en dat TNO aansprakelijk is voor de schade die CIT als gevolg daarvan heeft geleden. Zij voert aan dat TNO haar onvolledig en onjuist heeft geïnformeerd over de stand van de UCM-technologie.

4.13.

De partij jegens wie een vernietigingsgrond wordt ingeroepen, in casu TNO, kan onder omstandigheden tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad gehouden zijn, indien de ander ten gevolge van het aangaan of de vernietiging van de overeenkomst schade geleden heeft. Het niet inlichten of meedelen moet dan te kwalificeren zijn als een nalaten in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt (HR 2 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0915, NJ 1995/94). De normschending bij de onrechtmatige daad is erin gelegen dat de wederpartij de ander ten onrechte tot de contractsluiting heeft gebracht.

4.14.

Zoals de rechtbank reeds onder 4.4-4.11 in het kader van dwaling heeft overwogen, heeft TNO geen onvolledige en onjuiste inlichtingen verstrekt aan CIT, dan wel heeft zij informatie verzwegen die zij aan CIT had behoren mede te delen. TNO heeft CIT dus niet ten onrechte tot contractsluiting gebracht. Van een onrechtmatige gedraging jegens CIT is dan ook geen sprake.

4.15.

Voor zover CIT schadevergoeding vordert omdat gebrekkige of onjuiste informatieverstrekking over de stand en ontwikkeling van de UCM-technologie door TNO na het sluiten van de Cofinancieringsovereenkomst en de Licentieovereenkomst onrechtmatig is jegens CIT, zal deze worden afgewezen. CIT heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat TNO na het sluiten van de bedoelde overeenkomsten meer of andere informatie aan CIT had moeten verstrekken dan dat zij heeft gedaan. Deze informatieverstrekking door TNO kan dan ook, net als haar informatieverstrekking daterend van voor het sluiten van bedoelde overeenkomsten, niet kwalificeren als een inbreuk op een recht of een doen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, terwijl hiermee ook geen wettelijke plicht is geschonden. CIT stelt nog dat TNO met deze gestelde gebrekkige informatieverstrekking niet heeft voldaan aan de op haar rustende schadebeperkingsplicht. Omdat er geen sprake is van een grond voor aansprakelijkheid van TNO, kan van enige schending van de schadebeperkingsplicht door TNO evenmin sprake zijn.

4.16.

Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Onrechtmatige daad van TNO jegens [A] ?

4.17.

[A] vordert een verklaring voor recht dat TNO onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem, en dat TNO daarom aansprakelijk is voor de schade die [A] als gevolg daarvan heeft geleden. Hij voert aan dat TNO:

  • -

    bij hem een verkeerde indruk heeft gewekt omtrent de stand van de UCM-technologie;

  • -

    hem heeft tegengehouden om exploitatiemogelijkheden met derden te onderzoeken en aan te gaan.

4.18.

Voor zover de onrechtmatigheid jegens [A] is gebaseerd op de stelling dat TNO middels niet gedane of onjuiste mededelingen ten onrechte CIT tot sluiting van de Licentieovereenkomst en Cofinancieringsovereenkomst heeft bewogen, zal deze vordering gezien de overwegingen onder 4.4-4.11 worden afgewezen.

4.19.

[A] stelt nog dat de mededeling van TNO bij e-mail van 25 maart 2012, inhoudende dat zij liever niet heeft dat CIT met zowel TNO als GE in zee gaat, onrechtmatig is, omdat dit heeft geleid tot gemiste kansen voor [A] . Deze mededeling van TNO heeft echter, zoals TNO terecht heeft aangevoerd, betrekking op de bedrijfsactiviteiten van CIT en niet op de activiteiten van [A] in persoon. Los hiervan kan het enkele feit dat TNO duidelijk heeft gemaakt dat zij het lastig vindt wanneer CIT zowel de technologie van TNO als vergelijkbare technologie van een concurrent steunt, zonder hier overigens direct zakelijke of juridische consequenties aan te verbinden, niet kwalificeren als een inbreuk op een recht of een doen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, terwijl hiermee ook geen wettelijke plicht is geschonden. Deze mededeling van TNO is dan ook – zonder bijkomende bijzondere omstandigheden, die door [A] niet concreet zijn aangevoerd of toegelicht – niet onrechtmatig jegens [A] .

4.20.

De vordering zal worden afgewezen.

Onrechtmatige daad van TNO jegens [B.V. I] ?

4.21.

Ter comparitie heeft [A c.s.] deze vordering toegelicht in die zin dat [B.V. I] in de procedure als eisende partij is betrokken, anticiperende op het standpunt van TNO dat deze vennootschap de uiteindelijke schadelijdende partij betreft. De rechtbank overweegt, nu dit standpunt niet door TNO is gevoerd en er geen schadevergoeding zal worden toegewezen aan [A] en CIT, door [B.V. I] onvoldoende is gesteld dat jegens haar sprake is van een onrechtmatige gedraging door TNO. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Voordeelstoerekening

4.22.

Omdat de vorderingen gegrond op onrechtmatige daad van [A c.s.] zullen worden afgewezen, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het door TNO gevoerde verweer van voordeelstoerekening, en evenmin aan het hieruit voortvloeiende verzoek van TNO om op grond van artikel 22 Rv [A c.s.] te bevelen om aan te geven hoeveel inkomsten zij heeft genoten sinds de oprichting van CIT.

Proceskosten in conventie

4.23.

[A c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van TNO worden als volgt begroot:

  • -

    Griffierecht € 3.946,--

  • -

    Salaris advocaat € 4.804,-- (2 punten x tarief € 2.402,--)

Totaal € 8.750,--

Overeenkomstig de niet weersproken vordering daartoe van TNO wordt de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en vermeerderd met wettelijke rente. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

in reconventie

4.24.

TNO vordert betaling door CIT van de factuur van 18 december 2015, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van 18 januari 2016 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.228,75 op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Deze factuur betreft het door CIT nog onbetaald gelaten gedeelte van haar verplichting op basis van de Cofinancieringsovereenkomst en bedraagt

€ 45.375,-- inclusief btw.

4.25.

CIT heeft tegen de verschuldigdheid van dit factuurbedrag slechts aangevoerd dat de overeenkomst waaruit deze op CIT rustende financiële verplichting gegrond is, reeds buitengerechtelijk door haar is vernietigd dan wel bij dit vonnis dient te worden vernietigd. Gezien het in conventie overwogene, kan dit verweer niet slagen. Nu CIT verder verschuldigdheid van de factuur, de rente en de buitengerechtelijke kosten onweersproken heeft gelaten, zullen deze vorderingen van TNO worden toegewezen.

Proceskosten in reconventie

4.26.

CIT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu de reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie wordt het salaris van de advocaat gewaardeerd op de helft van de punten in conventie. De kosten aan de zijde van TNO in reconventie worden begroot op € 537,-- (1 punt x 0,5 x tarief € 1.074,00). Ook deze proceskostenveroordeling wordt overeenkomstig de niet weersproken vordering daartoe van TNO uitvoerbaar bij voorraad verklaard en vermeerderd met wettelijke rente. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [A c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van TNO tot op heden begroot op € 8.750,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

in reconventie

5.3.

veroordeelt CIT om aan TNO te betalen een bedrag van € 45.375,--, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 18 januari 2016;

5.4.

veroordeelt CIT om aan TNO te betalen een bedrag van € 1.228,75 voor de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

5.5.

veroordeelt CIT in de proceskosten, aan de zijde van TNO tot op heden begroot op € 537,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

in conventie en reconventie

5.6.

begroot de door TNO nog te maken nakosten in conventie en reconventie tezamen op € 246,--, vermeerderd met € 82,-- in geval van betekening, en vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis;

5.7.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2, 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2019.1

1 type: 2633