Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3400

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
C/09/548651 / HA ZA 18-223
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0679
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/548651 / HA ZA 18-223

Vonnis van 20 maart 2019

in de zaak van

[eiser] , te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE, THANS: MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID), te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 februari 2018;

  • -

    de akte overlegging producties van 28 februari 2018 van de zijde van [eiser] , met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van de Staat, met producties;

  • -

    de brief van de zijde van [eiser] van 26 november 2018, met een nadere productie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 11 december 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte van de zijde van de Staat van 6 februari 2019.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 december 1997 wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is [eiser] bij dit vonnis veroordeeld tot betaling binnen 2 jaren aan de Staat van een bedrag van fl. 89.757,53 ten behoeve van de benadeelde partij, de Sociale Verzekeringsbank.

2.2.

Zowel [eiser] als het Openbaar Ministerie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Kort daarna is [eiser] , die op dat moment niet gedetineerd was, uit Nederland vertrokken. Hij heeft zich op 15 april 1998 laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente [gemeente] . Volgens deze uitschrijving is [eiser] vertrokken naar [land 1] zonder opgave van een adres aldaar.

2.3.

[eiser] heeft in de periode 1998 tot en met 2008 gewoond en gewerkt in [land 1] . Aanvankelijk, toen hij in 1998 in [land 1] aankwam, verbleef hij bij familie in [plaats 2] en later in een eigen appartement. Toen hij de beschikking kreeg over dit appartement heeft hij zich ingeschreven in het bevolkingsregister van [land 1] .

2.4.

Op 22 maart 1999 heeft de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam plaatsgevonden. Op deze zitting is noch [eiser] noch zijn advocaat verschenen, waarna het gerechtshof bij arrest van 2 april 1999 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 december 1997 heeft vernietigd en opnieuw rechtdoende [eiser] bij verstek heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft het gerechtshof [eiser] veroordeeld tot betaling aan de Sociale Verzekeringsbank van een bedrag van fl. 84.646,91. Ten tijde van het wijzen van dit arrest was van [eiser] hier te lande geen woon- of verblijfplaats bekend. Wel is in het arrest een adres van [eiser] vermeld: [adres 1] in [plaats 2] .

2.5.

Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 april 1999 is verstuurd naar de [adres 1] in [plaats 2] maar vervolgens onbestelbaar retour gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft in de periode 2 april 2000 tot 15 oktober 2009 diverse malen gecontroleerd of [eiser] inmiddels in de (Nederlandse) Basisregistratie Personen (BRP), toen nog GBA geheten, was opgenomen. Bij brieven van 16 april 2009 en 6 mei 2009 heeft de minister van Buitenlandse Zaken het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) bericht dat conform diens verzoek de personalia van [eiser] zijn opgenomen in het opsporingsregister van de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) en dat door tussenkomst van de Nederlandse ambassade in [plaats 2] een adres van [eiser] in [land 1] is ontvangen, te weten [adres 2] in [plaats 2] . In een rechtshulpverzoek namens de advocaat-generaal die met de executie is belast van 12 mei 2009 gericht aan de bevoegde autoriteiten in [land 1] , is verzocht het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 april 1999, althans de verstekmededeling, op dat adres aan [eiser] te doen toekomen en de advocaat-generaal vervolgens te berichten of de uitreiking heeft plaatsgevonden. Op 5 oktober 2009 heeft het Openbaar Ministerie via het rechtshulpverzoek de verstekmededeling uitgereikt aan een zwager van [eiser] op het adres [adres 2] in [plaats 2] .

2.6.

Op 15 oktober 2009 heeft [eiser] cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 april 1999 ingesteld. De cassatieschriftuur vermeldt [adres 2] in [plaats 2] als adres van [eiser] . Bij arrest van 27 september 2011 heeft de Hoge Raad het arrest vernietigd, echter uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft deze verminderd tot 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voor het overige heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. In dit arrest staat vermeld dat [eiser] hier te lande geen bekende woon- of verblijfplaats heeft.

2.7.

[eiser] is in 2009 door de raad van toezicht van de Stichting Kadaster- en Hypotheekwezen [… 1] op [land 2] (hierna: het Kadaster) benoemd tot

waarnemend directeur van het Kadaster en met ingang van 1 december 2010, voor de duur van vijf jaren, tot directeur van het Kadaster. Hij bekleedde tevens de functie van bewaarder en hoofd landmeetkunde. Het Kadaster en [eiser] hebben hiertoe op 13 januari 2011 een bestuurdersovereenkomst gesloten, met als einddatum 30 november 2015.

2.8.

Bij brief van 24 februari 2012 heeft mr. Van der Lee namens [eiser] aan zowel het gerechtshof Amsterdam als het ministerie van Justitie (thans: ministerie van Justitie en Veiligheid, hierna: het Ministerie), dienst Justis, afdeling Executie gevangenisstraffen, onder meer als volgt bericht:

Hierdoor bericht ik u dat cliënt, voor wat betreft mededelingen terzake de executie van de gevangenisstraf, woonplaats kiest op mijn kantooradres en dat mededelingen aan of oproepingen jegens cliënt aan ons kantooradres kunnen worden gericht.”

2.9.

Per faxbericht van 27 februari 2012 heeft mr. Van der Lee het CJIB onder meer als volgt bericht:

Op 24 februari 2012 zond ik het gerechtshof en het Ministerie van Justitie aangehechte brief. Heden kreeg ik het telefonische bericht van het Ministerie van Justitie dat de kwestie aldaar en ook bij uw dienst nog niet bekend was. Ik ben ook geadviseerd om alvast u een afschrift van de brief toe te faxen, hetgeen ik hierbij doe.

2.10.

Op 26 maart 2014 heeft [eiser] op de Nederlandse ambassade in [plaats 2] verzocht om verlenging dan wel uitgifte van zijn paspoort. In het aanvraagformulier staat vermeld dat [eiser] woonachtig is in de [adres 2] in [plaats 2] . De ambassade heeft het verzoek van [eiser] aangehouden met als reden dat hij was getraceerd op de signaleringslijst.

2.11.

Bij brief van 24 juni 2014 heeft [eiser] bij de dienst Justis van het Ministerie een gratieverzoek ingediend. Dit verzoekt vermeldt [adres 3] , [plaats 2] , [land 1] als verblijfplaats van [eiser] en [adres 4] , [land 2] als woonplaats van [eiser] en tevens de functie die [eiser] bij het Kadaster bekleedde. Dit gratieverzoek is op 13 augustus 2014 afgewezen, ondanks het advies van het Openbaar Ministerie om [eiser] gratie te verlenen onder de voorwaarde van betaling van de (door het gerechtshof) aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

2.12.

Op 3 juni 2015 is jegens [eiser] een Europees arrestatiebevel uitgevaardigd en een interregionaal rechtshulpverzoek aan [land 2] verzonden. In dit rechtshulpverzoek staat onder meer vermeld dat uit onderzoek (door het Team Executie Strafvonnissen, thans Fugitive Active Search Team van het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie) naar voren is gekomen dat [eiser] op [land 2] staat ingeschreven op het adres [adres 4] [land 2] en dat hij werkzaam is bij het Kadaster op [land 2] .

2.13.

Op 24 juni 2015 is [eiser] in zijn kantoor bij het Kadaster, in het bijzijn van collega’s, aangehouden en naar een op [land 2] gelegen gevangenis gebracht. Op dezelfde dag en in de dagen daarna hebben de (lokale) media (via internetblogs) bericht over de aanhouding van [eiser] .

2.14.

Bij e-mailbericht van 26 juni 2015, en rappel van 29 juni 2015, heeft mr. Van Sambeek het Openbaar Ministerie namens [eiser] verzocht te berichten of aan [eiser] een oproeping is verzonden om zijn straf uit te zitten en, zo dat niet het geval is, hem alsnog op te roepen en hem de gelegenheid te bieden om vrijwillig te verschijnen, zulks met het oog op het overdragen van zijn werkzaamheden als directeur van het Kadaster en het afwikkelen van privézaken.

2.15.

In antwoord hierop heeft mr. [Officier van Justitie] , officier van justitie, bij e-mailbericht van 29 juni 2015 als volgt bericht aan mr. Van Sambeek:

Gelet op het feit dat uw cliënt geen adres in het GBA (Thans BRP genoemd) heeft achtergelaten, komt uw cliënt gelet op de aanwijzing executie niet in aanmerking voor de zelfmeldprocedure. Gelet op het feit dat uw cliënt ook gedurende de strafrechtelijk procedure geen of onjuiste gegevens heeft verstrekt over een verblijfplaats heeft voor de nodige vertraging in de procedure gezorgd. Uw cliënt heeft vervolgens in 2014 nog op de ambassade in [plaats 2] om een paspoort gevraagd terwijl hij op dat moment mogelijk reeds woonachtig was op [land 2] .

Gelet op al deze omstandigheden zie ik geen reden het Openbaar Ministerie op [land 2] te verzoeken uw cliënt in vrijheid te stellen. Hij zal worden overgebracht naar Nederland om zijn straf uit te zitten.”

2.16.

Mr. Van Sambeek heeft bij e-mailbericht van 29 juni 2015 onder meer als volgt aan mr. [Officier van Justitie] bericht:

Voor zover de Aanwijzing Executie (201A013) zich al mede uitstrekt tot de andere landen van het Koninkrijk (vgl. onder meer art. 40 Statuut), heeft te gelden dat cliënt over een met het BRP gelijk adres/registratie beschikt. Zie hiervoor de Circulaire Uitwisseling persoonsgegevens tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten van 6 december 2013. Op grond van deze circulaire staat vast dat de andere landen van het Koninkrijk een met BRP vergelijkbaar PIVA administratie onderhouden. De uitwisseling van persoonsgegevens vindt structureel en geautomatiseerd plaats en deze zijn ook te Nederland te raadplegen. Hieruit volgt dat een redelijke uitleg van nr. 4 mede omvat de registratie van persoonsgegevens van de andere landen van het Koninkrijk der Nederlanden.

Op grond van het vorenstaande kwalificeert cliënt als zelfmelder, althans kan niet zonder meer van het tegendeel worden uitgegaan en behoorde er een deugdelijke afweging plaats te vinden, waarbij niet kan worden teruggegrepen op omstandigheden uit 1997. Daarbij dient wel te worden betrokken dat de cassatie- en gratieadvocaat verzocht heeft om cliënt op zijn kantoor op te roepen én blijkt voorts uit het gratieverzoek al dat cliënt woonachtig is te [land 2] . Van verstrekking van onjuiste gegevens kan dan ook in dat verband niet worden gesproken.

Gelet op de ondeelbaarheid van het Openbaar Ministerie, is uw organisatie er mee bekend dat cliënt een aantal jaren te [land 2] woonachtig is. En uit het gratieverzoek kunt u voorts wel afleiden welke maatschappelijke functie hij tot vorige week daar bekleedde. U kunt zich denk ik wel voorstellen welke desastreuze gevolgen de door de aanhouding gegeneerde media-aandacht voor hem heeft in de kleine gemeenschap van [land 2] .

Vanwege al het vorenstaande verzoek ik u om uw beslissing te heroverwegen en cliënt alsnog toe te staan zijn zaken af te wikkelen zoals afgelopen vrijdag verzocht.”

2.17.

Bij e-mailbericht van 30 juni 2015 heeft mr. Van Sambeek in aanvulling op zijn e-mailbericht van 29 juni 2015 onder meer als volgt aan mr. [Officier van Justitie] bericht:

Nu cliënt als zelfmelder dient te worden aangemerkt, verzoekt cliënt hierbij tot uitstel als bedoeld in bijlage 2 van de regels voor het uitstelbeleid van ‘lopende vonnissen’ in het kader van de zelfmeldprocedure. De reden voor dit uitstelverzoek is reeds in mijn eerdere e-mails verwoord en komt ter kort gezegd onder meer op neer dat de cliënt de functie van directeur van het Kadaster bekleedt en tevens bewaarder is van de Openbare Registers (zie art. 3:16 e.v. BWSXM of BW NL). Indien cliënt thans detentie zou moeten ondergaan, kan het Kadaster geen uitvoering geven aan haar taken als bewaarder totdat in de opvolging of vervanging van cliënt is voorzien. Hiertoe dient het Land een andere bewaarder te benoemen. (…)

Op grond van al het vorenstaande verzoek ik u cliënt en de Stichting het Kadaster en Hypotheekwezen in de gelegenheid te stellen een zaakwaarnemer/andere bewaarder te vinden en in te werken alvorens de detentie in kan gaan. (…)

2.18.

Bij e-mailbericht van 30 juni 2015 heeft mr. [Officier van Justitie] als volgt aan mr. Van Sambeek bericht:

Uw cliënt heeft zich tijdens de gehele strafrechtelijke procedure moeilijk vindbaar gehouden voor justitie. Het domicilie kiezen op kantoor van een advocaat om executiemededelingen te ontvangen is op zichzelf onvoldoende om in aanmerking te komen voor de zelfmeldprocedure. Aangezien er geen bekende woon of verplaats in Nederland van uw cliënt bekend was, is hij in het opsporingsregister geplaatst. Inderdaad is bij het gratieverzoek een adres op [land 2] genoemd. Zoals gezegd heeft uw cliënt in de periode dat hij beweerdelijk op [land 2] verbleef echter ook een paspoort aangevraagd op de ambassade in [plaats 2] . Naar aanleiding van deze paspoortaanvraag is het hem duidelijk geworden dat hij deze niet zou verkrijgen en heeft hij vervolgens het gratieverzoek ingediend. Dit gratieverzoek is afgewezen. Vanaf het moment van de veroordeling heeft uw cliënt zelf geen enkele actie ondernomen om de straf uit te zitten en/of zichzelf bij CJIB te melden. Dat het voor werkgever van uw cliënt niet uitkomt dat hij een straf moet uitzitten is evident. Dat zou op een ander moment niet anders geweest zijn en is mede de verantwoordelijkheid van uw cliënt zelf. Het Openbaar Ministerie op [land 2] heeft de advocaat van het Kadaster toegang verschaft tot uw cliënt om gegevens over te kunnen dragen.

Concluderend stelt u zich op het standpunt dat uw cliënt recht gehad zou hebben op een zelfmeldbrief en dat daarom de arrestatie en overbrenging ongedaan gemaakt zou moeten worden. Ik heb u reeds duidelijk gemaakt dat ik die mening niet deel en dat derhalve de overbrenging doorgang zal laten vinden. Om via de mail standpunten te gaan herhalen is in mijn beleving derhalve niet heel zinnig.”

2.19.

Op 1 juli 2015 is [eiser] overgebracht naar Nederland, waar hij in detentie is genomen.

2.20.

Eveneens op 1 juli 2015 heeft het Openbaar Ministerie een persbericht uitgebracht met onder meer de volgende informatie:

Voortvluchtige veroordeelde op [land 2] aangehouden

Een 55-jarige [… 2] man is vorige week op [land 2] aangehouden, omdat hij in Nederland nog 475 dagen gevangenisstraf moet uitzitten voor grootschalige uitkeringsfraude in de jaren negentig. (…)

Met de noorderzon vertrokken

Hoewel de rechtbank in eerste aanleg in december 1997 reeds uitspraak heeft gedaan, is de zaak pas in 2011 onherroepelijk geworden na het afronden van een cassatieprocedure. Bij dat tijdsverloop is doorslaggevend geweest dat betrokkene op enig moment met de noorderzon is vertrokken. Het heeft veel tijd en moeite gekost om adresgegevens te achterhalen.

Uit onderzoek door het Fugitive Active Search Team (FAST) bleek dat de man werkzaam en woonachtig zou zijn op [land 2] . Hij bekleedt er een hoge overheidsfunctie.”

2.21.

Op 9 juli 2015 heeft [eiser] een kort geding procedure tegen de Staat aanhangig gemaakt, waarin hij onder meer heeft gevorderd dat de Staat hem de status van zelfmelder als bedoeld in Bijlage 1 bij de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke in vrijheidstelling (hierna: de Aanwijzing executie) dient toe te kennen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 7 augustus 2015 deze vordering toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de weigering van het CJIB (Openbaar Ministerie) tot het aan [eiser] toekennen van de status van zelfmelder een redelijke grondslag ontbeert. De Staat heeft tegen dit vonnis geen hoger beroep ingesteld.

2.22.

[eiser] is vervolgens in vrijheid gesteld en op 18 augustus 2015 op eigen gelegenheid teruggekeerd op [land 2] .

2.23.

Bij brief van 7 augustus 2015 heeft mr. Van der Lee namens [eiser] de dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie verzocht om uitstel (als bedoeld in bijlage 2 van de Aanwijzing executie) van de executie van de gevangenisstraf tot na de afloop van de bestuurdersovereenkomst op 2 december 2015.

2.24.

Op 30 juli 2015 heeft de raad van toezicht van het Kadaster besloten om [eiser] met ingang van 31 juli 2015 te ontslaan als hypotheekbewaarder en directeur, en om de bestuurdersovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Nadat [eiser] tijdens een vergadering op 19 augustus 2015 de gelegenheid heeft gekregen om zijn visie op dit besluit naar voren te brengen, heeft de raad van toezicht zijn besluit op diezelfde dag bekrachtigd. De raad van toezicht heeft zijn besluit als volgt gemotiveerd:

The Supervisory Board had weighed [eiser] ’ concerns, but decided to confirm the Resolution of July 30, 2015, for the following reasons. At the time of his appointment as General Director in 2010, [eiser] withheld information about his prosecution for fraud in the Netherlands. Also when the Supreme Court irrevocably ruled on his appeal in September 2011, [eiser] did not inform the Supervisory Board. The Supervisory Board only became aware of these facts after [eiser] ’ arrest in [land 2] on June 24, 2015. Under these facts and circumstances, the Supervisory Board had lost all confidence in [eiser] . Also, in light of the turmoil [eiser] ’ arrest has caused for the Kadaster, internally and publicly, in light of the trust that was placed in [eiser] as General Director and Hypotheekbewaarder, the breach of confidence is beyond repair, despite [eiser] ’ willingness to (temporarily) render services to Kadaster and despite [eiser] ’ work for Kadaster in the past.”

2.25.

Bij brief van 12 augustus 2015 heeft de selectiefunctionaris van de dienst Justitiële Inrichtingen, sectordirectie Gevangeniswezen, van het Ministerie, [eiser] het volgende bericht:

Naar aanleiding van de uitspraak van 7 augustus 2015 van de rechtbank Den Haag is aan u de zelfmeldstatus toegekend.

In het verlengde hiervan hebben wij het verzoek tot uitstel van uw advocaat (…) gehonoreerd en u éénmalig uitstel verleend.

U dient zich te melden op 7 december 2015 bij de Penitentiaire Inrichting [locatie] . (…)

Binnen zeven dagen na ontvangst van dit besluit kunt u hiertegen in beroep gaan. Het beroepschrift dient te worden ingediend bij de beroepscommissie van de sectie gevangeniswezen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (…).”

2.26.

Op 5 oktober 2015 heeft [eiser] het Kadaster in rechte betrokken over de beëindiging van de bestuurdersovereenkomst. Bij vonnis in kort geding van 13 november 2015 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van [land 2] de vorderingen van [eiser] tot wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon (tot 1 december 2015) afgewezen. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:

Anders dan [eiser] stelt is het Gerecht van oordeel dat hij de strafrechtelijke veroordeling wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte niet had mogen verzwijgen. De functie van bewaarder, bestuurslid en directeur van het Kadaster betreft een openbare functie, betaald uit gemeenschapsgelden, waarvan de vervulling integer dient te geschieden. Dit geldt te meer nu de veroordeling ook ziet op fraude met gemeenschapsgelden. Desgevraagd vertelde [eiser] ter zitting dat de baan bij het Kadaster zijn droombaan was en dat om die reden hij niet heeft gerept van de veroordeling. Het Gerecht begrijpt dit aldus dat [eiser] opzettelijk de veroordeling en de nog lopende strafzaak heeft verzwegen, niet alleen bij zijn aanstelling als bewaarder, maar ook bij zijn benoeming tot bestuurslid en volgens tot directeur van het Kadaster. Daarmee heeft hij niet integer gehandeld en het Kadaster in ernstige verlegenheid gebracht. Hieraan doet niet af dat het OM in strijd met de eigen richtlijnen zou hebben gehandeld door hem aan te houden en dat [eiser] in kort geding in het gelijk is gesteld. Het publicitaire leed (voor het Kadaster en [eiser] zelf) was toen al geschied en had (mogelijk) kunnen worden voorkomen als [eiser] bij zijn sollicitatie of tijdens zijn werkzaamheden voor het Kadaster op enig moment open kaart zou hebben gespeeld.

2.27.

Bij beschikking/vonnis van 25 mei 2016 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van [land 2] in de bodemzaak in gelijke zin geoordeeld.

2.28.

Op 7 december 2015 heeft [eiser] zich gemeld bij de penitentiaire inrichting in [locatie] om zijn straf uit te zitten.

2.29.

Bij brief van 29 januari 2016 heeft [eiser] bij de dienst Justis van het Ministerie een gratieverzoek ingediend. Dit verzoek is, na een negatief advies van het Openbaar Ministerie en het gerechtshof Amsterdam, op 17 maart 2016 afgewezen.

2.30.

Op 8 december 2016 heeft mr. Van Sambeek het Ressortsparket in Amsterdam verzocht om [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen omdat hij sinds 30 augustus 2016 zonder titel gedetineerd is. In zijn brief heeft mr. Van Sambeek een berekening van de feitelijk te ondergane gevangenisstraf, rekening houdend met tenuitvoerlegging van twee derde van de straf en het aantal dagen dat [eiser] in voorlopige hechtenis en in detentie heeft doorgebracht, opgenomen. Op 13 december 2016 is [eiser] in vrijheid gesteld. Voor de duur dat [eiser] zonder titel was gedetineerd heeft hij van de Staat een forfaitaire schadevergoeding van € 8.000,- ontvangen.

2.31.

Bij vonnis van 3 maart 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof) de vordering van [eiser] tot doorbetaling van het loon (en alle overeengekomen voorzieningen) alsnog toegewezen. Het Gemeenschappelijk Hof heeft hiertoe overwogen dat [eiser] zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan een ernstige toerekenbare tekortkoming door na zijn onherroepelijke veroordeling deze en de nog uit te zitten straf in 2011 te verzwijgen tegenover het Kadaster, maar dat dit onverlet laat dat in de bestuurdersovereenkomst is bepaald dat ook in dat geval een opzegtermijn van acht maanden geldt. [eiser] heeft daarom recht op doorbetaling van zijn loon tot 1 december 2015, aldus het Gemeenschappelijk Hof.

2.32.

Sinds 30 mei 2017 ontvangt [eiser] een bijstandsuitkering, omdat hij er (vooralsnog) niet in is geslaagd een baan te vinden. Zo heeft hij tevergeefs gesolliciteerd naar een functie bij het kadaster op [land A] en in [land B] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is jegens [eiser] voor alle door hem geleden schade die het gevolg van het feit dat hij aanvankelijk als voortvluchtige is aangemerkt en dat hij als zodanig is aangehouden en voor de publiciteit die de Staat daaraan gegeven heeft, zoals in de dagvaarding omschreven, nader te specificeren dan wel op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet;

2. de Staat te veroordelen om bij wijze van voorschot op de schadevergoeding aan [eiser] te voldoen een bedrag in Nederlands wettig betaalmiddel dat een equivalent is van USD 13.984,32, althans een in goede justitie te betalen voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van voldoening;

3. de Staat te veroordelen in de kosten van de procedure en daarbij te bepalen dat de Staat vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal worden tot aan de dag van voldoening;

4. de Staat te veroordelen in de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat en kort weergegeven, ten grondslag dat de Staat onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem aanvankelijk als voortvluchtige kwalificeren, een arrestatiebevel jegens hem uit te vaardigen, een rechtshulpverzoek aan [land 2] te verzenden, hem aan te houden en dit in de publiciteit te brengen en voorts die kwalificatie tot het moment van rechterlijke interventie te handhaven in plaats van [eiser] van meet af aan de status van zelfmelder te verlenen en toe te laten tot de zelfmeldprocedure. De Staat is aansprakelijk voor alle schade die [eiser] heeft geleden en lijdt door deze onrechtmatige daad. De omvang van de schade staat nog niet vast, maar bestaat in ieder geval uit het misgelopen en mis te lopen inkomen, aantasting van de eer, goede naam en reputatie, althans schending van de privacy van [eiser] , kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en buitengerechtelijke incassokosten.

Als voorschot vordert [eiser] de nu reeds vastgestelde schade, zijnde de kosten die [eiser] heeft moeten maken om aanspraak te houden op het loon bij het Kadaster.

3.3.

De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is of de Staat schadeplichtig is jegens [eiser] op grond van een onrechtmatige daad. De eerste vraag die partijen verdeeld houdt is of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Verder twisten partijen over de vraag of – indien sprake is van een onrechtmatig handelen – er causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen en de schade die [eiser] stelt te hebben geleden en waarvoor hij verwijzing naar de schadestaat wenst. Daarnaast verschillen partijen van mening over de vraag of [eiser] eigen schuld heeft aan het ontstaan van zijn gestelde schade. Ten slotte is het door [eiser] gevorderde voorschot op de in de schadestaatprocedure vast te stellen schadevergoeding in geschil.

Onrechtmatigheid

4.2.

De rechtbank onderscheidt in de stellingen van [eiser] twee elementen waaruit het onrechtmatig handelen van de Staat zou bestaan, te weten (i) het onthouden van de status van zelfmelder aan [eiser] en hem als voortvluchtige aan te merken, als gevolg waarvan een arrestatiebevel is uitgevaardigd, een rechtshulpverzoek aan [land 2] is verzonden en een aanhouding heeft plaatsgevonden en (ii) het doen van meerdere uitlatingen over [eiser] in de media, waaronder het persbericht op 1 juli 2015.

Element (i): onthouden status zelfmelder en aanhouding [eiser]

4.3.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat hij zich primair op het standpunt stelt dat het onrechtmatig handelen van de Staat reeds voortvloeit uit het besluit van de selectiefunctionaris van 12 augustus 2015, waarin [eiser] de status van zelfmelder is verleend. Dit besluit heeft volgens [eiser] formele rechtskracht gekregen doordat geen gebruik is gemaakt van de met voldoende waarborgen omklede procedure die tegen het besluit heeft opengestaan. De formele rechtskracht ziet op alle feiten die ten grondslag liggen aan het besluit en werkt niet pas vanaf de datum van het besluit. Dit betekent dat er in deze procedure vanuit moet worden gegaan dat [eiser] ten tijde van zijn aanhouding de status van zelfmelder had, dus voordat aan hem op 12 augustus 2015 formeel die status is toegekend, en de Staat dus onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] aan te merken als voortvluchtige en hem aan te houden, aldus [eiser] . Subsidiair betoogt [eiser] dat de Staat hem al eerder dan 12 augustus 2015 de status van zelfmelder had moeten toekennen en hem ten onrechte heeft aangehouden en dus onrechtmatig heeft gehandeld.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de primaire stelling van [eiser] faalt. Weliswaar is niet in geschil dat het besluit van de selectiefunctionaris van 12 augustus 2015 formele rechtskracht heeft, maar [eiser] geeft een onjuiste uitleg aan de betekenis hiervan. Het leerstuk van de formele rechtskracht houdt in dat de burgerlijke rechter in het geval de geldigheid van een besluit in het voor hem gevoerde ding in geschil is, terwijl tegen dit besluit een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan die niet is benut, ervan uit dient te gaan dat dit besluit zowel wat haar wijze van totstandkoming als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen (vgl. HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1802). Die situatie doet zich hier niet voor, nu [eiser] noch de Staat de rechtmatigheid van het besluit van 12 augustus 2015 ter discussie stelt. Reeds om die reden kan het beroep van [eiser] op de formele rechtskracht geen grond bieden voor zijn stelling dat moet worden aangenomen dat [eiser] al vóór het besluit over de status van zelfmelder beschikte. Die stelling komt de rechtbank overigens ook niet juist voor, nu, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, met het besluit slechts uitvoering is gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2015 en het besluit niets zegt over de status van [eiser] voorafgaand aan het besluit. [eiser] kan derhalve op grond van het besluit geen aanspraak maken op de status van zelfmelder voor 12 augustus 2015.

4.5.

De rechtbank komt daarom toe aan de subsidiaire stelling van [eiser] .

4.6.

[eiser] heeft aangevoerd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet de status van zelfmelder toe te kennen en hem als zodanig te behandelen. De Staat betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen. De Staat voert in dit verband aan dat het toekennen van de status van zelfmelder een discretionaire bevoegdheid van het Openbaar Ministerie is, zodat de civiele rechter de beslissing van het Openbaar Ministerie om [eiser] geen oproep voor de zelfmeldprocedure te doen toekomen slechts marginaal kan toetsen. Het Openbaar Ministerie heeft in redelijkheid tot zijn beslissing kunnen komen en is binnen de grenzen van zijn beleidsvrijheid gebleven. [eiser] voldeed namelijk niet aan de in bijlage 1 bij de Aanwijzing Executie gemelde voorwaarde dat een veroordeelde dient te staan ingeschreven in het BRP om als zelfmelder aangemerkt te kunnen worden, doordat hij zich na zijn vertrek uit Nederland niet in het GBA en/of BPR heeft laten registreren. De status van zelfmelder is bovendien bedoeld voor veroordeelden die verantwoordelijkheid tonen voor hun gedrag en met name voor de tenuitvoerlegging van hun straf. Bij [eiser] is hiervan op geen enkel moment sprake geweest. Hij heeft zich immers lange tijd onvindbaar gehouden voor het Openbaar Ministerie en ook na het arrest van de Hoge Raad geen enkel initiatief getoond om tot betaling van de schadevergoedingsmaatregel dan wel de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te kunnen komen. De omstandigheid dat [eiser] op 24 februari 2012 domicilie heeft gekozen ten kantore van zijn advocaat onderstreept juist dat hij het Openbaar Ministerie niet op de hoogte wilde brengen van zijn werkelijke verblijfplaats. Het lijkt erop dat [eiser] het Openbaar Ministerie tot het laatste moment op het verkeerde been heeft geprobeerd te zetten door op 26 maart 2014 verlenging van zijn paspoort aan te vragen in [land 1] met opgave van een onjuist dan wel oud adres in [land 1] . [eiser] is derhalve op goede gronden de status van zelfmelder onthouden, zodat het handelen van de Staat bij de aanhouding van [eiser] rechtmatig is geweest, aldus steeds de Staat.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt. De Staat heeft terecht gesteld dat het Openbaar Ministerie, dat (onder meer) is belast met de tenuitvoerlegging van de door de strafrechter opgelegde straffen en dus ook de aan [eiser] opgelegde straffen, een vrijheid toekomt t van (beleid over) de wijze van tenuitvoerlegging. Dit geldt ook ten aanzien van de (niet-wettelijk verplicht gestelde) zelfmeldprocedure.

4.8.

Het beleid met betrekking tot (onder meer) die procedure is neergelegd in Aanwijzing Executie. Voor zover hier van belang schrijft de Aanwijzing Executie voor dat het CJIB in opdracht van het Openbaar Ministerie beoordeelt of een veroordeelde in aanmerking komt voor de zelfmeldprocedure en dat de beleidsregels met betrekking tot de zelfmeldprocedure zijn opgenomen in de bijlagen 1 en 2. In bijlage 1 is bepaald dat een veroordeelde in beginsel niet in aanmerking komt voor de status van zelfmelder indien de veroordeelde geen BRP adres heeft. Wanneer iemand de status van zelfmelder heeft verkregen en naar aanleiding van een oproep zich te melden om uitstel vraagt, wordt de procedure zoals opgenomen in bijlage 2 toegepast. Voor zover relevant is hierin vermeld dat redenen tot het inwilligen van verzoeken tot uitstel kunnen zijn problemen die in de werksituatie kunnen ontstaan en die kunnen leiden tot ontslag, het als gevolg van detentie voortijdig moeten beëindigen van scholing/opleiding, het zoeken van een zaakwaarnemer gedurende de detentieperiode en gezinsproblematiek.

4.9.

Hieruit volgt dat de rechtbank de beslissing van het Openbaar Ministerie om [eiser] de status van zelfmelder te onthouden in beginsel slechts marginaal kan toetsen. Beoordeeld moet of het Openbaar Ministerie (CJIB) in redelijkheid [eiser] deze status heeft onthouden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

4.10.

De rechtbank neemt hierbij het volgende tot uitgangspunt. Bijlage 1 bij de Aanwijzing executie bevat weliswaar een (niet-limitatieve) opsomming van situaties waarin een veroordeelde niet in aanmerking komt voor de status van zelfmelder, maar dat laat – zo volgt uit de in bijlage 1 bij de Aanwijzing executie gebezigde woorden ‘in beginsel’ – onverlet dat ruimte bestaat om hiervan af te wijken en een veroordeelde de status van zelfmelder toe te kennen ook al doet zich een van die situaties voor. De Staat heeft ter gelegenheid van de comparitie bevestigd dat bij de beoordeling van de vraag of een veroordeelde in aanmerking komt voor de status van zelfmelder naar het geheel van feiten en omstandigheden wordt gekeken. Verder acht de rechtbank van belang dat de beleidsregels met betrekking tot het verlenen van de status van zelfmelder (mede) zijn bedoeld in het belang van de veroordeelde en mede beogen om de veroordeelde extra onnodig leed toe te brengen.

4.11.

Vaststaat dat [eiser] niet beschikte over een BRP-adres in de zin van de Aanwijzing Executie en daarom op grond van bijlage 1, onder punt 4 van de Aanwijzing Executie in beginsel niet in aanmerking kwam voor de status van zelfmelder. Hoewel de Staat terecht heeft aangevoerd dat in beginsel niet steeds per geval kan en hoeft te worden nagaan waarom een BRP-adres van de veroordeelde ontbreekt - de veroordeelde heeft hierin immers zelf ook een verantwoordelijkheid -, beschikte het Openbaar Ministerie over informatie over [eiser] die, mede gelet op de zorgvuldigheid die van het Openbaar Ministerie bij de besluitvorming mag worden verlangd, aanleiding had moeten geven om [eiser] de status van zelfmelder te verlenen, althans in elk geval nader onderzoek te doen naar de woon- en verblijfplaats van [eiser] voordat het besluit werd genomen, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de advocaat van [eiser] . Het gaat om de volgende informatie.

4.12.

In de eerste plaats waren het Openbaar Ministerie en het CJIB er in februari 2012, dus kort nadat de aan [eiser] opgelegde veroordelingen onherroepelijk waren geworden, mee bekend geworden dat mededelingen over de executie van de gevangenisstraf van [eiser] en oproepen konden worden gedaan aan het kantooradres van diens advocaat. De brieven van 24 en 27 februari 2012 moeten naar het oordeel van de rechtbank zo worden gelezen dat [eiser] via het kantoor van zijn advocaat kon worden opgeroepen voor de executie van de gevangenisstraf om daarmee de status van voortvluchtige te voorkomen. De rechtbank volgt de Staat dan ook niet in zijn verweer dat de brief onderstreept dat [eiser] het Openbaar Ministerie niet op de hoogte wilde brengen van zijn werkelijke verblijfplaats. Integendeel: [eiser] heeft juist te kennen gegeven dat hij bereikbaar is voor verdere communicatie over de uitvoering van zijn gevangenisstraf.

4.13.

In de tweede plaats was het Openbaar Ministerie bekend met het gratieverzoek van [eiser] van 24 juni 2014 en dus ook met de daarin vermelde woon- en verblijfplaats van [eiser] en diens publieke functie bij het Kadaster. Indien, zoals de Staat betoogt, deze brief onduidelijkheden bevatte over de verblijfplaats van [eiser] , had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om hierover contact op te nemen met [eiser] dan wel diens advocaat. Dit is echter niet gebeurd. [eiser] mocht er daarom op vertrouwen dat hij voor het Openbaar Ministerie traceerbaar was met het oog op de tenuitvoerlegging van de veroordelingen, ook al beschikte hij niet over een (in Nederland geregistreerd) BRP-adres. Dat het Openbaar Ministerie de juistheid van deze gegevens gecontroleerd heeft, en dus er mee bekend was waar [eiser] zich feitelijk ophield, volgt ook uit de inhoud van het Europees arrestatiebevel en het interregionaal rechtshulpverzoek waarin het adres van [eiser] ( [adres 4] [land 2] ) en zijn functie (directeur van het Kadaster) vermeld zijn.

4.14.

Hieruit volgt dat het Openbaar Ministerie niet op de (enkele) grond dat van [eiser] geen BRP-adres bekend was mocht besluiten hem de status van zelfmelder te onthouden.

4.15.

De Staat heeft in dit verband verder nog aangevoerd dat de omstandigheid dat

[eiser] zich lange tijd onvindbaar heeft gehouden en geen verantwoordelijkheid heeft getoond voor zijn gedrag en de tenuitvoerlegging van de veroordelingen ook een grond vormde om hem niet als zelfmelder aan te merken. Ook deze stelling van de Staat faalt. Uit voormelde brieven van [eiser] van 24 februari 2012 en 24 juni 2014 blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [eiser] zich heeft willen onttrekken aan de aan hem opgelegde veroordelingen. Integendeel: zonder bijkomende omstandigheden, die ontbreken, had juist uit deze brieven afgeleid moeten worden dat [eiser] zich ter beschikking stelde voor de uitvoering van de gevangenisstraf. Voor zover de Staat nog heeft betoogd dat [eiser] het Openbaar Ministerie met zijn paspoortaanvraag (op 26 maart 2014) op het verkeerde been heeft willen zetten, wordt hiermee voorbij gegaan aan het feit dat dit zou zijn gebeurd kort voordat [eiser] (op 24 juni 2014) zijn exacte woon- en verblijfplaats kenbaar heeft gemaakt middels het gratieverzoek. Hieraan mocht in de besluitvorming dan ook geen gewicht worden toegekend, nog daargelaten dat niet vaststaat dat het verwijt terecht is gemaakt.

4.16.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om [eiser] de status van zelfmelder te onthouden. Dat [eiser] vanaf zijn vertrek naar [land 1] in 1998 moeilijk te traceren is geweest, moge zou zijn, maar dat legt in dit geval gezien de voormelde feiten en omstandigheden, en de door/namens [eiser] wel aan de verstrekte informatie over zijn adres, onvoldoende gewicht in de schaal, en in ieder geval kan dit niet gezegd worden vanaf het moment dat de Hoge Raad arrest heeft gewezen. In ieder geval kan de lange duur van de strafrechtelijke procedure niet zonder meer in het nadeel van [eiser] in de beoordeling betrokken worden.

Element (ii): uitlatingen in de media

4.17.

Het bovenstaande brengt tevens met zich dat, nu de Staat in de gegeven omstandigheden [eiser] de status van zelfmelder niet had mogen onthouden en hem dus niet als voortvluchtige had mogen aanmerken, de Staat hierover ook geen informatie had mogen verschaffen in de media. Dit heeft de Staat wel gedaan in zijn persbericht van 1 juli 2015, waarin [eiser] met zoveel worden als “voortvluchtige” is aangemerkt, terwijl dit nieuwe informatie ten opzichte van de eerdere berichtgeving in de (lokale) media was. De Staat heeft bij het opstellen van het persbericht dan ook onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser] en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] .

Tussenconclusie onrechtmatigheid

4.18.

De rechtbank concludeert dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem ten onrechte aanvankelijk niet de status van zelfmelder te verlenen en hem aan te houden en hierover op 1 juli 2015 in de publiciteit te treden. Dit betekent dat de Staat aansprakelijk is voor de eventuele schade die [eiser] als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden.

Causaal verband

4.19.

Voor het bestaan van de verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is vereist dat sprake is van schade en causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van de Staat. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het causaal verband in de vestigingsfase en anderzijds de kwestie van de omvang van de schadevergoedingsverbintenis. Voor de vestiging van aansprakelijkheid is voldoende dat tussen de onrechtmatige daad en de geleden schade een condicio sine qua non verband bestaat.

4.20.

[eiser] betoogt dat causaal verband aanwezig is. Als [eiser] de status van zelfmelder was toegekend, dan zou hij een oproep hebben ontvangen om zich te melden bij een penitentiaire inrichting voor het ondergaan van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf. Aan deze oproep zou geen ruchtbaarheid zijn gegeven. [eiser] zou zijn werkzaamheden bij het Kadaster hebben afgerond en zich na het einde van de bestuurdersovereenkomst (op 1 december 2015) gemeld hebben bij de penitentiaire inrichting. In die situatie bestond voor het Kadaster geen aanleiding om [eiser] te ontslaan. Na het einde van zijn straf zou [eiser] zijn leven weer hebben opgepakt, al dan niet op [land 2] , en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt met een (sinds 1998) onberispelijke staat van dienst, aldus [eiser] .

4.21.

De Staat betwist daarentegen het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en de door [eiser] gestelde schade. De Staat betoogt dat het nadeel dat [eiser] stelt te hebben ondervonden voortvloeit uit zijn strafrechtelijke veroordeling en de wijze waarop [eiser] gekozen heeft daarmee om te gaan en niet uit het handelen van de Staat. Zoals blijkt uit de uitspraken in het arbeidsrechtelijk geschil tussen [eiser] en het Kadaster is de beëindiging van de aanstelling van [eiser] volgens de Staat het gevolg van het feit dat hij zijn veroordeling opzettelijk heeft verzwegen voor het Kadaster en niet zijn aanhouding op [land 2] en/of het persbericht van het Openbaar Ministerie. Er bestaat derhalve geen causaal verband tussen het handelen van de Staat en de door [eiser] gevorderde advocaatkosten voor de door hem tegen het Kadaster gevoerde procedure. Hetzelfde geldt voor de door [eiser] gestelde inkomensschade. De veroordeling voor valsheid in geschrifte (fraude) staat in de weg aan het bekleden van functies die [eiser] eerder bekleedde en niet zijn aanhouding, aldus de Staat.

4.22.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of sprake is van causaliteit in de zin van een condicio sine qua non verband. Hiertoe overweegt zij, dat, indien [eiser] was aangemerkt als zelfmelder, en (dus) niet op het kantoor van het Kadaster in het bijzijn van collega’s was aangehouden op 24 mei 2015, de berichtgeving in de media hierover niet had plaatsgevonden en de raad van toezicht van het Kadaster niet op 30 juli 2015/19 augustus 2015 had besloten om [eiser] met onmiddellijke ingang te ontslaan. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat dit tot enige schade aan de zijde van [eiser] heeft geleid. Dat volgens de Staat ook andere omstandigheden hebben bijgedragen aan de (inkomens)schade en het ontslag van [eiser] , doet aan het condicio sine qua non-verband niet af en komt aan de orde bij de bespreking van de omvang van de schade. Daarmee is de aansprakelijkheid van de Staat gegeven.

4.23.

De vraag of alle door [eiser] gestelde schadeposten aan de Staat kunnen worden toegerekend als gevolg van het onrechtmatig handelen (artikel 6:98 BW) zal hierna bij de behandeling van de omvang schade (zie rechtsoverwegingen 4.25 e.v.) aan de orde komen.

Tussenconclusie verklaring voor recht

4.24.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] aanvankelijk niet de status van zelfmelder toe te kennen, hem aan te houden en daar publiciteit aan te geven. Ook staat voldoende vast dat [eiser] schade heeft geleden, en dat tussen die schade en het onrechtmatig handelen een condicio sine qua non-verband bestaat. De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

Omvang schade

4.25.

[eiser] vordert dat de omvang van de door hem gestelde geleden en nog te lijden schade zal worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Bij wege van voorschot op de schadevergoeding vordert [eiser] een bedrag in Nederlands wettig betaalmiddel dat een equivalent is van USD 13.984,32, althans een in goede justitie te bepalen voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening.

Voorschot: advocaatkosten en eigen schuld

4.26.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat het door hem gevorderde voorschot ziet op de door hem reeds geleden schade, die bestaat uit de kosten die hij heeft gemaakt voor het voeren van de arbeidsrechtelijke procedure tegen het Kadaster op [land 2] . Deze kosten betreffen de door zijn advocaat aan hem in rekening gebrachte kosten.

4.27.

De Staat betwist als zodanig niet de hoogte van gevorderde advocaatkosten, maar beroept zich erop dat geen causaal verband bestaat tussen deze kosten en het handelen van de Staat. De Staat betoogt dat de beëindiging van de aanstelling van [eiser] bij het Kadaster het gevolg is van het feit dat hij zijn veroordeling opzettelijk heeft verzwegen voor het Kadaster en niet van zijn aanhouding en/of het persbericht van het Openbaar Ministerie. Daarnaast beroept de Staat op eigen schuld aan de zijde van [eiser] .

4.28.

Uit artikel 6:98 BW volgt dat vereist is dat de door [eiser] gevorderde advocaatkosten in redelijkheid aan het onrechtmatig handelen van de Staat kunnen worden toegekend. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen) en de hypothetische situatie zonder de onrechtmatige gedraging (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending). Indien [eiser] ook in die hypothetische situatie dezelfde schade zou hebben geleden, ontbreekt het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en de door [eiser] opgevoerde schade. De rechtbank dient te reconstrueren wat er zou zijn gebeurd in de hypothetische situatie waarin de Staat [eiser] de status van zelfmelder zou hebben toegekend. Die reconstructie moet worden gebaseerd op de redelijke verwachting van de rechter.

4.29.

De rechtbank overweegt als volgt. Indien aan [eiser] de status van zelfmelder was toegekend, dan zou hij, zo volgt uit de Aanwijzing Executie, een oproep hebben ontvangen om zich op een bepaalde datum te melden in een penitentiaire inrichting in Nederland om zijn gevangenisstraf te ondergaan. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat in het geval die datum vóór 1 december 2015 gelegen zou zijn geweest, hij verzocht zou hebben om uitstel om hem de gelegenheid te geven zijn werkzaamheden bij het Kadaster op deugdelijke wijze af te ronden en over te dragen aan zijn opvolger. Gelet op de centrale functie die [eiser] in de kleine organisatie van het Kadaster bekleedde, en de omstandigheid dat [eiser] ’ aanstelling bij het Kadaster binnen afzienbare termijn zou eindigen, mag er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat dit uitstelverzoek zou worden gehonoreerd. In de Aanwijzing Executie worden problemen in de werksituatie immers genoemd als reden voor inwilliging van een uitstelverzoek. Bovendien is het door [eiser] werkelijk gedane verzoek tot uitstel om die reden ook op 12 augustus 2015 ingewilligd.

4.30.

De Staat betoogt dat het Kadaster [eiser] ook in deze hypothetische situatie zou hebben ontslagen. [eiser] stelt echter dat hij het Kadaster ook dan niet geïnformeerd zou hebben over zijn veroordeling en zijn contract had laten aflopen. De rechtbank volgt [eiser] hierin. Omdat de Staat tot het persbericht van 1 juli 2015 nooit publiekelijk aandacht heeft besteed aan de veroordeling van [eiser] , mag worden aangenomen dat de Staat aan de oproeping van [eiser] ook geen ruchtbaarheid zou hebben gegeven. Dit is in ieder geval niet gebleken en er is ook niets daartoe gesteld door de Staat. Dat betekent dat (de raad van toezicht van) het Kadaster niet bekend zou zijn geworden met de veroordeling van [eiser] en hem dus ook niet zou hebben ontslagen op dat moment. Aangezien [eiser] zich daadwerkelijk op 2 december 2015 heeft gemeld in de penitentiaire inrichting in Nederland, heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat dit in de hypothetische situatie anders zou zijn en dat alsnog een arrestatiebevel zou worden uitgevaardigd. Dit betekent dat met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat [eiser] geen procedure tegen het Kadaster aanhangig zou hebben hoeven maken om aanspraak op zijn loon te maken, in de hypothetische situatie dat [eiser] als zelfmelder zou zijn aangemerkt.

4.31.

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank mag worden aangenomen dat causaal verband bestaat tussen de door [eiser] gevorderde advocaatkosten en het onrechtmatig handelen van de Staat.

4.32.

Met betrekking tot het beroep van de Staat op eigen schuld overweegt de rechtbank als volgt.

4.33.

Het beroep van de Staat moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:101 BW. In dat wetsartikel is bepaald dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

4.34.

Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat een aanzienlijk deel van de gevorderde advocaatkosten op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van [eiser] moet blijven. Uit de arbeidsrechtelijke procedure, in het bijzonder het besluit van de raad van toezicht van het Kadaster van 19 augustus 2015, volgt dat het feit dat [eiser] zijn veroordeling heeft verzwegen mede reden voor zijn ontslag is geweest. Zowel in de kort geding procedure als in de bodemprocedure (in eerste aanleg én in hoger beroep) is geoordeeld dat [eiser] zich om die reden schuldig heeft gemaakt aan een ernstige toerekenbare tekortkoming. Weliswaar is in hoger beroep uitgemaakt dat het Kadaster ook in dat geval een opzegtermijn in acht had moeten nemen en het loon aan [eiser] diende door te betalen tot het einde van de betrekking, maar dat laat onverlet dat [eiser] heeft bijgedragen aan (de kosten van) het voeren van een procedure over zijn ontslag door zijn veroordeling te verzwijgen en in zoverre tekort te schieten in zijn verplichtingen jegens het Kadaster. De rechtbank volgt de Staat echter niet in zijn betoog dat zijn vergoedingsplicht volledig vervalt. De Staat gaat er aan voorbij dat het Kadaster in de procedure tegen [eiser] uiteindelijk in het ongelijk is gesteld in die zin dat zij is veroordeeld tot doorbetaling van het loon. Bovendien is het ontslag ook, zo blijkt uit het besluit van de raad van toezicht, ingegeven door het tumult dat intern en extern bij het Kadaster is ontstaan. Daaraan heeft de Staat bijgedragen met het persbericht van 1 juli 2015. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden evenveel aan de schade (het ontslagbesluit en de daarop volgende procedures) hebben bijdragen als de tekortkoming van [eiser] (het verzwijgen van zijn veroordeling) en dat daarom 50% van de gevorderde advocaatkosten voor rekening van [eiser] moet blijven. Het door [eiser] gevorderde voorschot zal derhalve voor de helft worden toegewezen.

4.35.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat dit oordeel uitsluitend betrekking heeft op de door [eiser] bij wege van voorschot gevorderde advocaatkosten en dat het niets zegt over het door de Staat gedane beroep op eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van de andere door hem gestelde schadeposten. Dat beroep zal steeds per post moeten worden beoordeeld.

4.36.

[eiser] vordert het equivalent van USD 13.984,32 in Nederlands wettig betaalmiddel. Nu in Nederland wordt geprocedeerd, is [eiser] op grond van artikel 6:123 lid 1 BW bevoegd betaling in Euro’s te vorderen. Daarbij dient echter op grond van artikel 6:124 BW de koers van de dag van betaling gehanteerd te worden. De helft van het bedrag van USD 13.984,32 (USD 6.992,16) zal onder deze voorwaarde worden toegewezen.

Schadestaat: eigen schuld met betrekking tot de overige schadeposten

4.37.

Hoewel de omvang van de schade in deze procedure nog niet ter beoordeling voorligt, behoudens de hiervoor besproken kosten die [eiser] heeft gemaakt voor het voeren van de arbeidsrechtelijke procedures tegen het Kadaster, dient wel aannemelijk te zijn dat [eiser] aanspraak heeft op (enige) schadevergoeding. De Staat heeft als meest verstrekkend verweer gevoerd dat de mate waarin de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen rechtvaardigt dat de vergoedingsplicht van de Staat geheel vervalt. De rechtbank zal dit verweer in deze procedure beoordelen, omdat als het verweer slaagt de vordering van [eiser] op deze grond afgewezen dient te worden.

4.38.

[eiser] verkeert volgens de Staat in zijn huidige positie doordat hij zich jarenlang aan het zicht van het Openbaar Ministerie heeft onttrokken, zich niet beschikbaar heeft gesteld voor de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde straffen en zijn veroordeling heeft verzwegen voor het Kadaster. Deze handelwijze van [eiser] rechtvaardigt naar de opvatting van de Staat dat de vergoedingsplicht van de Staat geheel of in ieder geval ten dele vervalt.

4.39.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] voert aan dat de omvang van zijn schade nog niet vast staat, maar in ieder geval bestaat uit het door hem misgelopen en mis te lopen inkomen en immateriële schade. De rechtbank gaat er thans veronderstellende wijs vanuit dat die schade daadwerkelijk is opgetreden en/of nog zal optreden en het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de Staat. Vaststaat dat [eiser] strafrechtelijk is veroordeeld voor valsheid in geschrifte, dat hij dit verzwegen heeft tegenover zijn voormalig werkgever en dat dit reden is geweest voor zijn ontslag. De rechtbank acht aannemelijk dat dit in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de huidige (inkomens)positie van [eiser] . Afhankelijk van het soort werk kan dit immers voor een toekomstig werkgever een bezwaar opleveren. De Staat heeft echter ook bijgedragen aan het ontstaan van de door [eiser] gestelde schade. Door de handelwijze van de Staat is immers de veroordeling van [eiser] publiekelijk bekend geworden. Het feit dat [eiser] in het persbericht is omschreven als een voortvluchtige heeft de beeldvorming over hem in negatieve zin beïnvloed en zijn kansen op de arbeidsmarkt (verder) beperkt. De rechtbank is voorshands van oordeel dat, in het licht van die omstandigheden, niet gezegd kan worden dat de omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend dusdanig zwaar wegen dat de vergoedingsplicht van de Staat voor de overige materiële en immateriële schadeposten geheel vervalt. De stelling van de Staat faalt derhalve. In welke verhouding (bijvoorbeeld uitgedrukt in percentages) de verschillende omstandigheden hebben bijdragen aan de schade, kan in de schadestaatprocedure verder aan de orde komen.

4.40.

Nu voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat schade heeft geleden, zal de zaak, zoals gevorderd, worden verwezen naar de schadestaatprocedure om de omvang van de schade vast te stellen. In die procedure zal, zoals hiervoor overwogen, onder meer het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schadeposten in de zin van artikel 6:98 BW aan de orde kunnen komen. Ook kan dan in het kader van het beroep van de Staat op eigen schuld van [eiser] de exacte schadeverdeling worden vastgesteld.

Eindconclusie

4.41.

De Staat heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door hem aanvankelijk niet als zelfmelder aan te merken en hem aan te houden en hierover op 1 juli 2015 in de publiciteit te treden. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiser] zo dat hij, in aanvulling op het door hem gevorderde voorschot, een vergoeding van de door hem geleden schade wenst en de rechtbank zal deze vordering toewijzen. In de schadestaatprocedure zal vervolgens de omvang van deze schade moeten worden vastgesteld en of deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de Staat (in de zin van artikel 6:98 BW) en of, en zo ja, welk deel van de schade ingevolge artikel 6:101 BW voor eigen rekening van [eiser] dient te blijven. Het door [eiser] gevorderde voorschot op gemaakte advocaatkosten zal voor de helft worden toegewezen.

Proceskosten

4.42.

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht € 895,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief II € 543,00)

Totaal € 2.079,01

4.43.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Staat aansprakelijk is jegens [eiser] voor de schade die hij gelden heeft omdat hij aanvankelijk als voortvluchtige is aangemerkt, hij als zodanig is aangehouden en dat daaraan publiciteit gegeven is,

5.2.

veroordeelt de Staat om aan [eiser] te betalen: (i) de tegenwaarde in euro’s van het bedrag van USD 6.992,16 tegen de koers van de dag van betaling, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele betaling; en (ii) de overige schade, nader op te maken bij staat,

5.3.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op

€ 2.079,01 aan tot heden gemaakte proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening,

5.4.

verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.