Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3346

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
nl19.4171
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

dublin, roemenië, indirect refoulement, strafrechtelijke veroordeling, artikel 17, iran, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.4171

v-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met kenmerk NL19.4172, plaatsgevonden op 21 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 19 december 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft verklaard dat hij in Roemenië is uitgeprocedeerd en dat de Roemeense autoriteiten hem wilden uitzetten naar Iran. Volgens eiser hebben de Roemeense autoriteiten drie brieven met zijn asielrelaas naar het adres van zijn moeder in Iran gestuurd. Het betreft brieven van 12 april 2018, 13 april 2018 en 22 november 2018, welke in drie enveloppen, die reeds geopend waren, zijn ontvangen. Eiser heeft deze brieven met de bijbehorende enveloppen overgelegd.

De brieven betreffen de strafvervolging van eiser in verband met de valse Israëlische documenten waarmee eiser naar Roemenië is gereisd. Hierin is ook vermeld dat eiser uit Iran is vertrokken vanwege zijn bekering tot het christendom. Eiser is daarom bang om terug te keren naar Roemenië. Daarnaast heeft eiser een verklaring van een Roemeense vriend en diens (kopie van een) identiteitskaart overgelegd. In de verklaring staat vermeld dat twee buitenlandse mannen het adres van de ouders van de vriend hebben bezocht

waar zijn vriend aanwezig was, omdat ze op zoek waren naar eiser.

Volgens eiser hebben de Roemeense autoriteiten ervoor gezorgd dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van een aantal zeer belastende feiten door het opsturen van informatie over eiser naar Iran. Met deze handelwijze hebben de Roemeense autoriteiten het interstatelijk vertrouwensbeginsel geschonden.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Verweerder heeft de Roemeense autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening1. Op 28 januari 2019 hebben deze hiermee ingestemd.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Niet in geschil is dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag omdat eiser eerder in dat land asiel heeft aangevraagd en hij sindsdien het gebied van de Europese Unie niet heeft verlaten. Wel in geschil is of Roemenië, gelet op wat daar is gebeurd met eiser, het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft geschonden en of verweerder om die reden de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet kan aantonen dat de brieven van de Roemeense autoriteiten betreffende diens strafvervolging daadwerkelijk naar het adres van zijn moeder in Iran zijn gestuurd, nu het vensterenveloppen betreft. De rechtbank ziet aanleiding om de kritiek die eiser hierop heeft gegeven te volgen. Zoals eiser terecht heeft opgemerkt zijn de brieven aan hem gericht. Zijn naam en Iraanse adresgegevens staan op de brieven geprint, die vervolgens in vensterenveloppen zijn verzonden. Opgevouwen in de enveloppen zijn de naam en adresgegevens van eiser zichtbaar, zodat aannemelijk is dat de brieven in deze enveloppen zijn verzonden vanuit Roemenië.

7. Ter onderbouwing van de voornoemde handelwijze van de autoriteiten heeft eiser een e-mailbericht van 28 februari 2019 van [naam 4] , legal counselor bij de Romanian National Council for Refugees, overgelegd. In dit bericht legt zij uit welke

procedure wordt gevolgd op basis van de Roemeense strafwet, indien iemand is

aangehouden op verdenking van een poging tot illegale grensoverschrijding. Zij

bevestigt dat in dergelijke gevallen de stukken naar een adres in het land van herkomst worden gezonden. Ook de advocaat van eiser in Roemenië, [naam 2] , heeft deze handelwijze in een e-mailbericht van 28 februari 2019 bevestigd.

Volgens mevrouw [naam 4] heeft het Tribunal in Boekarest, dat in juni 2018 over eisers asielberoep heeft geoordeeld, geen aandacht besteed aan deze handelwijze. Namens eiser is gewezen op de schending van zijn rechten, maar dit heeft het Tribunal gepasseerd.

Eiser vreest dat de Iraanse autoriteiten hierdoor op de hoogte zijn geraakt van zijn asielaanvraag in Roemenië vanwege zijn bekering tot het christendom. Daarnaast hebben ze tevens kunnen lezen dat hij met valse Israëlische documenten heeft gereisd. Volgens eiser

zal dit de Iraanse autoriteiten alarmeren en doen vermoeden dat hij zich wellicht met spionageactiviteiten voor Israël bezighoudt.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser geen stukken heeft overgelegd die betrekking hebben op zijn Roemeense asielprocedure. Eisers verklaring dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn asielaanvraag en dat het Roemeense Tribunal deze informatie en de gestelde schending van zijn rechten heeft gepasseerd, kunnen derhalve niet worden getoetst. Gelet op het contact dat eiser heeft met zijn advocaat in Roemenië, valt niet in te zien dat hij niet over de asielstukken kan beschikken.

9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat eiser zijn vrees voor indirect refoulement bij overdracht aan Roemenië niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om de behandeling van eisers asielverzoek aan zich te trekken. De autoriteiten van Roemenië hebben door het claimakkoord gegarandeerd dat het opvolgend verzoek om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen. Voor zover eiser stelt dat Roemenië handelt in strijd met het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wordt overwogen dat als uitgangspunt geldt dat hierover bij de Roemeense autoriteiten dient te worden geklaagd. Zo nodig kan eiser zich nog wenden tot het EHRM2 en een voorlopige maatregel (interim measure) vragen.

10. Verder is de rechtbank van oordeel dat eisers gestelde bekering tot het christendom vraagtekens oproept. In de verklaring van eiser op pagina 2 van het bevel van 10 april 2018 van het Roemeense Openbaar Ministerie staat vermeld: “Tijdens het verhoor dat afgenomen werd door de politie, verklaarde verdachte [naam] dat hij gearresteerd was omdat hij zijn godsdienst had veranderd, waarna hij vrijgelaten werd onder rechterlijke toezicht en besloot te vluchten uit Iran”.

Dit is tegenstrijdig met eisers verklaring die is te lezen op pagina 4 van het rapport aanmeldgehoor Dublin. Hierin verklaart eiser dat hij in Boekarest tot het christendom is bekeerd. De uitleg van eiser ter zitting, dat hij dacht dat het over zijn doop ging, is niet afdoende. Bovendien heeft eiser deze verklaring naderhand niet gecorrigeerd.

11. Eiser heeft zich vervolgens nog beroepen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië3.

Ter onderbouwing van zijn psychische klachten heeft hij een verwijzingsbrief van zijn huisarts [naam 3] van 20 februari 2019 overgelegd. De huisarts vermoedt dat in het geval van eiser sprake is van een posttraumatische stressstoornis als reactie op schokkende gebeurtenissen/ervaringen in het land van herkomst. Ook is er volgens de huisarts sprake van een continu hoog stressniveau.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij inmiddels onder behandeling is bij een psycholoog. Hij heeft hiervan echter geen stukken overgelegd.

12. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 4 januari 20194 heeft overwogen, volgt uit voornoemd arrest dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. Of dit het geval is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of, in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat, als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen en welke voorzorgsmaatregelen eventueel noodzakelijk zijn bij de overdracht.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de verwijzingsbrief van de huisarts terecht op het standpunt gesteld dat geen nader onderzoek door het Bureau Medische Advisering nodig is. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van een bijzonder ernstige gezondheidstoestand, als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië. Uit de brief van de huisarts valt niet op te maken dat een overdracht aan Roemenië aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zal hebben voor de gezondheid van eiser.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

3 ECLI:EU:C:2017:127

4 ECLI:NL:RVS:2019:23