Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3328

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
C/09/553117 / FA RK 18-3506, C/09/563647, FA RK 18-8564
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen: overeenstemming partneralimentatie, belangenafweging t.a.v. huurrecht echtelijke woning, verdeling (ontslagvergoeding / verknochtheid hiermee aangekochte aandelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2019/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 18-3506 (echtscheiding) en FA RK 18-8564 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/553117 (echtscheiding) en C/09/563647 (verdeling)

Datum beschikking: 21 maart 2019

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 14 mei 2018 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.G. Schnoor te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.C.M. van der Voet te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier van 28 juni 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift inhoudende zelfstandige verzoeken van 13 augustus 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 1 oktober 2018 van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 11 oktober 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 5 november 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 17 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 24 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 14 februari 2019 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw bijgestaan door mr. C.M.H. Revis (die de zaak voor mr. J.G. Schnoor waarneemt).

Van de zijde van de man is tijdens de zitting een draagkrachtberekening overgelegd.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 1977 te [huwelijksplaats] , Duitsland.

- Zij zijn de ouders van drie meerderjarige kinderen.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de man en de vrouw de Nederlandse nationaliteit.

- Deze rechtbank heeft op 18 mei 2018 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende, dat conform de afspraken tussen partijen is bepaald:

- dat de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , met inbegrip van de inboedel;

- dat de man met ingang van de dag waarop de vrouw de echtelijke woning zal hebben verlaten voorlopig tot levensonderhoud van de vrouw € 100,- bruto per maand zal verstrekken.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 176,- bruto per maand;

- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw;

- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man refereert zich ten aanzien van het verzoek de echtscheiding uit te spreken. De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna zal worden besproken.

Tevens heeft de man thans nog zelfstandig verzocht om toedeling aan hem van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] , voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert hiertegen verweer, welk verweer hierna zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Nu aan de wettelijke formaliteiten is voldaan, kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

De door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de man niet betwist en staat daarmee dus in rechte vast. De rechtbank zal het hierop steunende verzoek tot echtscheiding dan ook toewijzen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De man en de vrouw hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de partneralimentatie. Zij hebben afgesproken dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand € 137,- bruto per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal bijdragen. De rechtbank zal overeenkomstig deze afspraak beslissen. Hetgeen eerder meer of anders is verzocht ten aanzien van de partneralimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Huurrecht echtelijke woning

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de huurwoning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

Inhoudelijke beoordeling

De man en de vrouw hebben beiden een verzoek gedaan om toedeling van het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning in Den Haag. Nu zowel de man als de vrouw in deze woning willen blijven wonen, zal de rechtbank hierna een belangenafweging maken.

De rechtbank is uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken het volgende gebleken. De man en de vrouw hebben in de voorlopige voorzieningenprocedure afgesproken dat de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke huurwoning zal worden toegekend, waarbij de vrouw deze woning pas hoeft te verlaten op het moment dat zij een andere huurwoning heeft gevonden. Het is de vrouw tot op heden echter nog niet gelukt om andere passende woonruimte te vinden. De situatie is hierdoor thans zo dat beide partijen nog ingeschreven staan op het adres aan de [adres] en ook nog beiden in deze woning wonen, maar de vrouw feitelijk een groot deel van de tijd elders (bij haar dochter en kennissen) verblijft. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van de vrouw dat het haar nog niet is gelukt om een woning te vinden omdat zij – vanwege het ontbreken van inkomen – op dit moment niet in aanmerking komt voor een huurwoning én geen inkomen heeft omdat haar aanvraag voor een bijstandsuitkering is afgewezen omdat partijen nog samenwonen. De vrouw lijkt de oplossing van dit probleem te zien in het thans toekennen van het huurrecht van de woning aan haar, zodat zij – nadat de man zich heeft uitgeschreven – opnieuw een bijstandsuitkering kan aanvragen om zo de huur van de echtelijke woning te kunnen betalen en/of in aanmerking te komen voor een andere huurwoning. De man is het hier niet mee eens. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de vrouw zich in een lastige situatie bevindt, ziet de rechtbank in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om het huurecht van de echtelijke woning aan de vrouw toe te kennen. Zij zal immers op dit moment niet in staat zijn om zelf de woonlasten van deze woning te dragen. De man is met zijn inkomen wel in staat om de aan de woning verbonden kosten te (blijven) betalen. Bovendien heeft de man – in tegenstelling tot de vrouw – ook een emotioneel belang bij toekenning van het huurrecht van de woning aan hem, nu de man geboren en getogen is in deze woning en mede om die reden in de woning wil blijven wonen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het huurrecht van de echtelijke woning dan ook toekennen aan de man en het verzoek van de vrouw afwijzen.

Verdeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen.

De rechtbank gaat bij bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Gelet op de huwelijksdatum – [huwelijksdatum] 1977 – dient de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime beslist te worden door toepassing van de in het Chelouche/Van Leer-arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275) geformuleerde conflictregels. De rechtbank is niet gebleken dat de echtgenoten destijds afspraken hebben gemaakt over het huwelijksvermogensrecht. Volgens de aanknopingsladder van het arrest wordt het toepasselijke huwelijksvermogensrecht bij het ontbreken van een gezamenlijke rechtskeuze van de aanstaande echtgenoten én het ontbreken van een gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting, bepaald door het recht van het land van de eerste huwelijksdomicilie. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van de man en de vrouw dat zij vlak na het huwelijk naar Nederland zijn verhuisd en sindsdien in Nederland wonen. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime.

Inhoudelijke beoordeling

Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt geldt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen hen wordt verdeeld (artikel 1:100 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018).

Peildatum

De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 14 mei 2018, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.

Omvang

De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd:

  1. bank- en spaarrekeningen;

  2. Renault Clio;

  3. Tomos brommer;

  4. inboedel;

  5. aandelen Wind Share Fund;

  6. inleg Lender & Spender;

  7. eventuele belastingteruggave.

De bank- en spaarrekeningen

Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat de bankrekening bij de ING ( [nr. 1] ) ten name van de man en de Oranje Spaarrekening bij de ING ten name van de man aan de man worden toegedeeld en dat de bankrekening bij de ABN AMRO ( [nr. 2] ) ten name van de vrouw aan de vrouw wordt toegedeeld. De saldi op deze rekeningen op de peildatum 14 mei 2018 zullen de man en de vrouw bij helfte met elkaar delen. De rechtbank zal overeenkomstig deze afspraak beslissen.

Renault Clio

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de Renault Clio tegen een waarde van

€ 8.000,- aan de man wordt toegedeeld. De man zal de helft van deze waarde (€ 4.000,-) aan de vrouw voldoen.

Tomos brommer

De rechtbank gaat er – gelet op hetgeen tijdens de zitting is besproken – vanuit dat er op de peildatum één brommer aanwezig was. Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat deze (blauwe) Tomos brommer tegen een waarde van € 100,- aan de man wordt toegedeeld. De man zal de helft van deze waarde, te weten € 50,-, aan de vrouw voldoen.

Inboedel

Partijen hebben tijdens de zitting aan de hand van het door de man als productie 18 overgelegde voorstel afspraken gemaakt over de verdeling van de inboedel. De rechtbank zal deze inboedellijst voor de volledigheid aan de beschikking hechten. De rechtbank zal hierbij overeenkomstig de afspraken tussen partijen bepalen dat de door de man voorgestelde verdeling wordt gevolgd met dien verstande dat – in afwijking van de verdeling zoals aangegeven in de aangehechte inboedellijst – alle “overige inboedelgoederen" (tweede bladzijde onderaan) aan de vrouw worden toebedeeld, met uitzondering van het bankstel en het box spring bed, die aan de man worden toegedeeld. Er vindt na deze verdeling van de inboedel geen nadere onderlinge verrekening van de waarde plaats.

De ontslagvergoeding, aandelen Wind Share Fund en de inleg Lender & Spender

De rechtbank is uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken het volgende gebleken. De man heeft van zijn voormalig werkgever Koninklijke PostNL B.V. een ontslagvergoeding ontvangen van € 45.603,09 netto. Dit bedrag is op 22 juni 2017 gestort op de bankrekening van de man bij ING ( [nr. 1] ). In de beëindigingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: ‘Deze vergoeding dient in beginsel (gedeeltelijk) als tegemoetkoming voor te derven inkomsten en/of overbrugging naar ander werk buiten PostNL’.

Tussen partijen is niet in geschil dat van de ontslagvergoeding slechts nog resteert een bedrag dat door de man van die ontslagvergoeding is gestort in de aandelen van Wind Share Fund, die op de peildatum een waarde van € 10.000,- vertegenwoordigen, en de inleg bij Lender & Spender die op de peildatum een waarde vertegenwoordigt van € 510,-. Partijen zijn het eens dat het resterende bedrag van de ontslagvergoeding is uitgegeven en niet meer tot enige verdeling of verrekening moet leiden.

Tussen partijen is in geschil of de aandelen van Wind Share Fund en de inleg bij Lender & Spender in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. De man stelt dat de aandelen en de inleg verknocht zijn, omdat zij afkomstig zijn van zijn (verknochte) ontslagvergoeding, en dus niet voor verdeling in aanmerking komen. De vrouw betwist de verknochtheid en stelt dat deze vermogensbestanddelen in de gemeenschap van goederen vallen en de waarde hiervan dus bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de aandelen Wind Share Fund en de inleg bij Lender & Spender in de huwelijksgemeenschap vallen of dat sprake is van verknochtheid. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder ECLI:NL:HR:2018:270, is het antwoord op de vraag of een goed aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Een aan één van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In dat geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. Dit uitgangspunt geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-B.V.

De rechtbank stelt voorop dat de ontslagvergoeding van de man blijkens de beëindigingsovereenkomst (deels) strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid. De rechtbank moet dan bezien in hoeverre het bedrag ziet op de periode vóór respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De ontslagvergoeding was (deels) bedoeld om de terugval in inkomen – van het door de man laatstgenoten salaris van € 1.821,32 bruto per maand exclusief vakantie-uitkering en emolumenten naar de WW-uitkering van € 1.722,82 dan wel € 1.736,64 bruto per maand en de thans tijdelijk te ontvangen ZW-uitkering van

€ 1.894,86 bruto per maand – op de vangen. Er is in de periode tussen juni 2017 en mei 2018 (ontbinding van de huwelijksgemeenschap) sprake van een geringe terugval in inkomen, en dus ook een geringe noodzaak tot compensatie dan wel aanvulling van inkomen. Indien de man al vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap de ontslagvergoeding zou hebben aangewend om de inkomstenteruggang vanaf juni 2017 te compenseren dan zou, gelet op de geringe inkomensterugval, ná de peildatum nog een aanzienlijk bedrag resteren. Dit resterende deel van de aanspraak, dat betrekking heeft op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap valt, gelet op voornoemde jurisprudentie, niet in de huwelijksgoederengemeenschap en komt vanwege verknochtheid dus niet voor verdeling in aanmerking

De rechtbank is van oordeel dat de man mede gelet op het voorgaande, na de niet nader gemotiveerde betwisting door de vrouw (middels verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad) voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij met de verknochte ontslagvergoeding de aandelen Wind Share Fund heeft gekocht en de inleg bij Lender & Spender heeft gedaan, waardoor deze vermogensbestanddelen vervolgens (ook) verknocht zijn. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de aandelen van Wind Share Fund en de inleg bij Lender & Spender niet in de gemeenschap van goederen vallen. De rechtbank zal deze vermogensbestanddelen dan ook – conform het verzoek van de man – zonder verdere verrekening of verdeling van de waarde aan de man toedelen.

Eventuele belastingteruggave

De rechtbank zal bepalen dat voor zover partijen teruggaven inkomstenbelasting ontvangen die zien op de periode tot 14 mei 2018 deze teruggaven bij helfte moeten worden gedeeld.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [huwelijksdatum] 1977 te [huwelijksplaats] , Duitsland;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 137,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] ( [woonplaats] ;

*

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van de man en de vrouw – onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – het volgende:

1. de bankrekening bij de ING ( [nr. 1] ) ten name van de man en de Oranje Spaarrekening bij de ING ten name van de man worden aan de man toegedeeld, onder de verplichting om de op peildatum 14 mei 2018 aanwezige saldi bij helfte met de vrouw te delen;

2. de bankrekening bij de ABN AMRO ( [nr. 2] ) ten name van de vrouw wordt aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting om het op peildatum 14 mei 2018 aanwezige saldo bij helfte met de man te delen;

3. de Renault Clio wordt aan de man toegedeeld tegen de tussen partijen overeengekomen waarde van € 8.000,-, onder de verplichting om € 4.000,- aan de vrouw te voldoen;

4. de (blauwe) Tomos brommer wordt aan de man toegedeeld tegen de tussen partijen overeengekomen waarde van € 100,-, onder de verplichting om € 50,- aan de vrouw te voldoen;

5. de inboedel wordt verdeeld conform het voorstel van de man als omschreven in de aangehechte inboedellijst (productie 18 van de zijde van de man), met dien verstande dat – in afwijking van die lijst – alle “overige inboedelgoederen” (tweede bladzijde onderaan) aan de vrouw worden toebedeeld, met uitzondering van het bankstel en het box spring bed, die aan de man worden toegedeeld, dit alles zonder onderlinge verrekening van de waarde;

6. de aandelen Wind Share Fund en de inleg bij Lender & Spencer worden zonder verdere verrekening of verdeling van de waarde aan de man toegedeeld;

7. partijen dienen de eventuele teruggaven inkomstenbelasting voor zover die zien op de periode tot 14 mei 2018 bij helfte te delen;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, rechter, bijgestaan door

mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 maart 2019.