Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:332

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
09-817137-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft vandaag een 29-jarige vrouw veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs (MDMA, cocaïne en amfetamine), voor het dealen daarin en voor het dealen in softdrugs (hennep/hasjiesh) over een periode van ruim drie maanden. De vrouw verkocht de softdrugs ook aan minderjarigen.

Voor deze feiten heeft de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. Hoewel de verdachte een first offender is, rekent de rechtbank ten nadele van de verdachte mee dat zij voor een lange periode aan minderjarigen softdrugs verkocht en dealde in verschillende soorten harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817137-18

Datum uitspraak: 17 januari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1989 [geboorteplaats],

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Achahbar en van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw mr. M. Lochs naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 20 januari 2018 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer:

- ongeveer 194 pillen, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of

- ongeveer 95,9 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of

- ongeveer 10,1 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- 150,3 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende Amfetamine;

zijnde MDMA en/of cocaïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 te ’s-Gravenhage telkens opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 te ’s-Gravenhage meermalen althans eenmaal , (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesh, zijnde hennep en/of hasjiesh, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat verdachte minder cocaïne aanwezig heeft gehad dan is ten laste gelegd. De cocaïne was namelijk versneden met mannitol. Verder is van belang dat de aangetroffen amfetamine nog in ‘natte’ (pasta)vorm was; na het drogen blijft daar minder voor gebruik geschikt materiaal van over. Met betrekking tot feit 2 heeft zij aangevoerd dat er geen aanwijzingen zijn voor verkoop van harddrugs voor 17 november 2017; de ten laste gelegde periode is dan ook te ruim. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feit 1 (het aanwezig hebben van harddrugs)

Doorzoeking woning

Op zaterdag 20 januari 2018 is verdachtes toenmalige woning in Den Haag doorzocht. Daarbij werden verschillende (grip)zakjes met een witte of bruine substantie, tabletten, ponypacks en een plastic bak en zak met witte brokkelige substanties aangetroffen.2

Onderzoek

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft de aangetroffen (grip)zakjes, tabletten, ponypacks, bak en zak onderzocht en onder meer het volgende geconcludeerd:

  • -

    de 194 tabletten bevatten MDMA;

  • -

    de netto 150 gram witte pastasubstantie (uit plastic bak) bevat amfetamine;

  • -

    de netto 0,3 gram witte pastasubstantie in een gripzakje bevat amfetamine;

  • -

    de netto 43 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;

  • -

    de netto 29,5 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;

  • -

    de (totaal) netto 11,8 gram in 17 kleine gripzakjes bevatten MDMA;

  • -

    de netto 7 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;

  • -

    de netto 4,6 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;

  • -

    de (totaal) netto 1,5 gram in 4 gripzakjes met een witte brokkelige substantie bevat cocaïne;

  • -

    de netto 8 gram uit een gripzakje met daarin fijn wit poeder bevat cocaïne en mannitol;

  • -

    de (totaal) netto 0,4 gram in 2 ponypacks met daarin een wit poeder bevat cocaïne;

  • -

    de netto 0,2 gram witte brokjes in 1 gripzakje bevat cocaïne;

  • -

    de 5 gram beige substantie in een gripzakje bevat amfetamine.3

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft bekend dat zij de hierboven genoemde harddrugs in haar toenmalige woning aanwezig had. Deze drugs waren zowel voor eigen gebruik als van of voor anderen.4 De hoeveelheid cocaïne was kleiner: zij had 3 gram liggen. Ook de hoeveelheid amfetamine was kleiner: het is ‘nat’ gewogen maar wordt ‘droog’ gebruikt.

Conclusie ten aanzien van feit 1

Op grond van het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs op 20 januari 2018 in Den Haag bewezen worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een kleinere hoeveelheid amfetamine. Immers gaat het hier om ‘150,3 gram (…) van een materiaal bevattende amfetamine’. Om eenzelfde reden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om uit te gaan van de door verdachte aangevoerde kleinere hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van feit 2 (het handelen in harddrugs)

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter zitting bekend dat dat zij harddrugs kocht. Een deel van de verkregen harddrugs was voor eigen gebruik, een ander deel verkocht zij door en daar verdiende zij geld aan. In eerste instantie verkocht zij alleen aan vrienden en bekenden, maar in tweede instantie ook aan onbekenden doordat haar telefoonnummer werd doorgegeven. Het ging om speed, cocaïne en XTC.5

SMS- en WhatsApp-berichten

Enkele in beslag genomen mobiele telefoons van verdachte zijn op inhoud onderzocht. Daarbij kwamen onder meer de volgende SMS- en WhatsApp-berichten naar voren.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in verdachtes woning, wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte handelde in harddrugs.

Verdachte en haar raadsvrouw hebben aangevoerd dat deze handel enkel in de periode van 17 november 2017 tot en met 20 januari 2018 kan worden bewezen verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer en baseert dit op de volgende SMS- en WhatApp‑berichten die naar voren zijn gekomen uit de inbeslaggenomen mobiele telefoons van verdachte.

Berichten tussen [naam 1] en verdachte, startend op 12 augustus 2018.

[naam 1] (30-10-2017): “Yo kn je wat met snelle. Heb 15 stuks.”

Verdachte: “(…) K heb wel interesse maar app je morgen ff erover ok?”6

Berichten tussen [naam 2] en verdachte, startend op 15 september 2017.

[naam 2] (20-10-2017): “Wou vragen als je ben interested in blanco. 7g.”

Verdachte: “Ahh ok ok nu nog niet. Wel interested.”

[naam 2] (11-11-2017): “Heb snoepjes. 220 MG netto.”

[naam 2] (23-11-2017): “Kun je 100g speed voor me regelen?”

Verdachte: “Jaa kan.”7

Berichten tussen [naam 3] en verdachte, startend op 14 oktober 2017.

[naam 3] (16-10-2017): “Zou je eigenlijk wat met speedkunne.”

Verdachte: “Jaa zwz. Maar heb zelf wel nog genoeg nu. Hoeveel is t bij jouw?”

[naam 3]: “Ja kheb hier pasta ligge in de vriezer maar weet niet precies hoeveel nog maar ongeveer 30 g voor 75 eu moet ff precies kijke maar ligt niet bij mij thuis. Tusse de 20 en 30 is dr.”

[naam 3] (17-10-2017): “Hey zal ik om 1 uur ff komen.”

Verdachte: “Jaa s goed.”

[naam 3] (13:16:01): “Heey. Ik ben er.”

[naam 3] (3-11-2017): “Nee of je daar nog wat van wou en heb ook weer snoepjes andere.”

Verdachte: “Okee luister ik heb ook miss wat goeds voor jouw. Er is nu een vriend van mij hier die ook snoepjes heeft er eraf wil. Miss wil jij ze dacht ik. Omdat ik net heb gehaald al haha. (…) Okee hij vraagt 1.20 ervoor maar hoe meer hoe goedkoper. Ja kan ff komen kijken. Hij is hier nu.”8

Uit bovenstaande berichten blijkt dat ook voor 17 november 2017 door verdachte werd gehandeld in harddrugs. De berichten tussen [naam 1] en verdachte starten reeds halverwege augustus 2017, de berichten tussen [naam 2] en verdachte reeds halverwege september 2017 en de berichten tussen [naam 3] en verdachte op 14 oktober 2017.

Conclusie ten aanzien van feit 2

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat verdachte zich in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 heeft schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs.

Ten aanzien van feit 3 (het handelen in softdrugs)

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft bekend dat zij in de ten laste gelegde periode in softdrugs handelde. Zij wist niet dat zij ook aan minderjarigen verkocht.9

In het dossier bevinden zich verschillende verklaringen van afnemers die op het moment dat zij soft-drugs bij verdachte kochten, minderjarig waren.

Zo heeft de, toen vijftienjarige, [naam 4] verklaard dat hij op 17 november 2017 wiet gekocht heeft bij verdachte. Op 11 en op 14 oktober van dat jaar heeft [naam 4] via WhatsApp ook wiet bij haar besteld.10 Op 21 januari 2018 heeft hij verklaard dat hij al zo’n drie tot vier maandjes contact had met verdachte.11 De, toen, eveneens vijftienjarige [naam 5] heeft op 21 januari 2018 verklaard dat hij ongeveer een half jaar geleden voor het eerst wiet bij verdachte heeft gekocht.12

Op vrijdag 16 februari 2018 heeft de, dan vijftienjarige, [naam 6] verklaard dat zij begin 2017 met verdachte in contact is gekomen. [naam 6] kocht softdrugs, wiet, bij verdachte. Zij heeft voor het laatst ergens in november 2017 bij haar gekocht.13

Conclusie ten aanzien van feit 3

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte alsmede verklaringen van de (minderjarige) afnemers acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 in softdrugs heeft gehandeld.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij op 20 januari 2018 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 194 pillen van een materiaal bevattende MDMA en

- 95,9 gram van een materiaal bevattende MDMA en

- ongeveer 10,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne en

- 150,3 gram van een materiaal bevattende amfetamine;

zijnde MDMA en cocaïne en amfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

zij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 te ’s-Gravenhage opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en cocaïne en amfetamine, zijnde MDMA en cocaïne en amfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

zij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 te ’s-Gravenhage meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt hennep en/of hasjiesh, zijnde hennep en/of hasjiesh, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om een eventuele gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, al dan niet gecombineerd met een (onvoorwaardelijke) taakstraf. Verdachte is een first offender die de feiten heeft begaan in een relatief beperkte periode. Zij heeft haar handelen bekend en neemt daarvoor de verantwoordelijkheid. Bovendien zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ingrijpende negatieve consequenties hebben voor de voor haar zo belangrijke opleiding.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich over een periode van ruim drie maanden schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van en het dealen in verschillende soorten harddrugs. Ook heeft zij zich over eenzelfde periode schuldig gemaakt aan het dealen in softdrugs, nota bene aan minderjarigen. Zij heeft daardoor, direct en indirect, bijgedragen aan het gebruik van drugs door anderen. Drugs werken verslavend, in het bijzonder enkele van de harddrugs die verdachte verkocht. Bovendien hebben drugs schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker, zeker voor die van een minderjarige gebruiker. De minimumleeftijd voor aankopen in een coffeeshop is met reden achttien jaar. Daarnaast bevorderen drugs veelal andere vormen van criminaliteit, omdat gebruikers vaak hun verslaving bekostigen door weer andere strafbare feiten te plegen. Dit zorgt voor maatschappelijke onrust en overlast. Verdachte heeft zich hier weinig gelegen aan laten liggen en slechts oog gehad voor haar eigen verslavingsbehoefte en financiële gewin.

De rechtbank weegt mee dat verdachte de laatste vijf jaren, blijkens haar strafblad van 28 november 2018, geen veroordelingen heeft gehad en, wat betreft feiten als de onderhavige, een first offender is. Ook weegt zij mee dat verdachte een bijbaan heeft en een opleiding volgt. De reclassering heeft in haar rapport van 15 oktober 2018 geadviseerd tot een (deels) voorwaardelijke straf en daarbij gewezen op de opleiding die verdachte volgt, die zij mogelijk niet succesvol kan afronden bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij ziet als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname) en het meewerken aan schuldhulpverlening. Het risico op het onttrekken aan deze voorwaarden is door de reclassering als laag ingeschat, nu verdachte zich zeer coöperatief opstelt en zich gemotiveerd tot verandering toont. Het risico op recidive is in een aanvullend rapport van 17 december 2017 ingeschat op laag tot gemiddeld.

Anderzijds weegt de rechtbank mee dat het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht reeds voor het (meer dan) drie maanden dealen in harddrugs, niet voor niets, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden is.

Alles overwegende is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf niet op zijn plaats. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is passend en geboden. Een deel daarvan zal zij voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 3, 10, en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) maanden

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onder behandeling stelt van de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, ook als dat inhoudt het innemen van medicijnen en/of een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 (zeven) weken voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van haar schulden en het treffen afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke personen, en de reclassering inzicht geeft in haar financiën en schulden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.M. Vingerling, voorzitter,

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter,

mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Doornekamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 januari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018019092, van de politie‑eenheid Den Haag, district Den Haag‑West, basisteam Segbroek, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 335).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 52-53, met bijlagen.

3 Geschrift, te weten een ‘Aanvraag extern forensisch onderzoek’, p. 267-273 en geschrift (separaat), te weten een vier pagina’s tellend rapport ‘Identificatie van drugs en precursoren’ van het RIVM van 28 maart 2018.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 januari 2019.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 januari 2019.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 247, met bijlage, p. 248, 250.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 219, met bijlage, p. 220, 222, 224, 226.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 232, met bijlage, p. 233, 236-237, p. 241, 243.

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 januari 2019.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 41-43, met bijlage, p. 45-47.

11 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [naam 4], p. 112-113.

12 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [naam 5], p. 120-121.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6], p. 292-293.