Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
18/4021
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2594, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 22 januari 2018 heeft verweerder eiser naar aanleiding van zijn verzoek van 1 december 2017 om verlening van beschermd wonen, in die zin dat aan hem in een beschermde woonomgeving noodzakelijke medische zorg wordt verleend, informatie verstrekt. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet onderkend dat het niet aan hem was om een inhoudelijke reactie te geven op eisers verzoek. Het COa was de instantie die belast was met de Rva verstrekkingen waar eiser tijdens de brief van 22 januari 2018 recht op had. Op grond van artikel 2:3 van de Awb had verweerder eisers verzoek daarom moeten doorzenden aan het COa. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, had verweerder eisers bezwaar in het bestreden besluit gegrond moeten verklaren en de inhoudelijke reactie in de brief van 22 januari 2018 moeten herroepen.

Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit in verband met schending van de doorzendplicht, gegrondverklaring bezwaar en herroeping inhoudelijke reactie in de brief van 22 januari 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/4021

[V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Ghanese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. S.H.M. Maas en mr. H.P. Kallenbach).

Procesverloop

Bij brief van 22 januari 2018 heeft verweerder eiser naar aanleiding van zijn verzoek van 1 december 2017 om verlening van beschermd wonen, in die zin dat aan hem in een beschermde woonomgeving noodzakelijke medische zorg wordt verleend, informatie verstrekt. Verweerder heeft het daartegen door eiser gemaakte bezwaar bij besluit van

11 mei 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep bij de rechtbank ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ook was [naam] , tolk in de Engelse taal, op de zitting aanwezig.

Overwegingen

Vrijstelling griffierecht

1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft daartoe bij faxbericht van 28 mei 2018 een verklaring overgelegd, waarin hij heeft vermeld dat hij vermogen noch inkomen heeft. Eiser heeft daarnaast kenbaar gemaakt dat hij in Nederland niet over een geldige verblijfsvergunning beschikt, waardoor hij geen middelen van bestaan heeft. Het beroep op betalingsonmacht slaagt om die reden. De rechtbank stelt eiser daarom vrij van de verplichting om griffierecht te betalen voor de behandeling van zijn beroep.

Beoordeling beroep

2. In eisers brief van 1 december 2017 staat, voor zover van belang, het volgende:

“( …) doe ik een aanvraag beschermd wonen. Aan cliënt is art. 64 toegekend. Op het COa rust evenwel geen verplichting ook adequate opvang te bieden. (…)”

3.1

Bij brief van 22 januari 2018 heeft verweerder gereageerd op eisers verzoek. Verweerder heeft in deze brief algemene informatie gegeven over de mogelijkheid van opvang in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel en de maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015. Daarnaast stelt verweerder dat eiser zich met de brief kan melden bij de VBL. Alvorens daarnaar af te reizen kan hij contact opnemen met de afdeling TM Noord Nederland van de directie Toezicht en Maatregelen van de DT&V. Mocht het voor hem een onoverkomelijk bezwaar zijn om naar Ter Apel af te reizen, dan kan hij dit aangeven in contact met de DT&V.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat eiser op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 uitstel van vertrek heeft gekregen en daarom rechtmatig in Nederland verblijft. Op grond hiervan heeft hij recht op opvang en verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 2005. Niet verweerder, maar het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) gaat daarom over eisers verzoek om opvang. Eiser kan bij het COa een schriftelijk verzoek indienen.

4.1

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser, in ieder geval, gedurende de periode tussen het indienen van zijn aanvraag bij verweerder om beschermd wonen op 1 december 2017 tot het nemen van het bestreden besluit op 11 mei 2018 rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 had. Aan eiser was destijds namelijk uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Hij had daarom recht op verstrekkingen op grond van de Rva 2005. Deze verstrekkingen betreffen onder meer onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden of in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van asielzoekers aangepaste ruimten en de dekking van de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling.

4.2

Uit artikel 3 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, gelezen in samenhang met artikel 3 en 9 van de Rva 2005 volgt dat het COa belast is met die verstrekkingen. Het COa is een zelfstandig bestuursorgaan in de zin van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, een bestuursorgaan van de centrale overheid met openbaar gezag bekleed dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister. Aan het COa zijn specifieke taken en bevoegdheden opgedragen met betrekking tot de materiële en immateriële opvang van asielzoekers en vreemdelingen zoals eiser met rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 van de Vw 20001.

4.3

Het COa was in de periode in geding, en dus ook tijdens de bekendmaking van de brief van 22 januari 2018, de instantie die belast was met de Rva-verstrekkingen waar eiser kennelijk recht op had. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich niet tot verweerder, maar tot het COa had moeten wenden met zijn verzoek om opvang in een beschermde woonomgeving met daarbij noodzakelijke medische zorg. Op grond van artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had verweerder eiser hier echter niet alleen over moeten informeren, maar eisers verzoek ook moeten doorzenden aan het COa. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat dat is gebeurd. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit op dit punt moet vernietigen in verband met schending van de doorzendplicht. Gelet op de specifieke combinatie van omstandigheden van dit geval, ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding om eisers verzoek vervolgens door te geleiden naar het COa. Uit het dossier en verweerders toelichting ter zitting maakt de rechtbank namelijk op dat het COa eiser gedurende de periode in geding Rva-verstrekkingen zou hebben verleend waar eiser recht op had. Daarnaast heeft eiser thans geen recht meer op Rva-verstrekkingen, omdat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft.

5. Dit betekent voor eiser het volgende. In het bestreden besluit heeft verweerder niet onderkend dat het niet aan hem was om een inhoudelijke reactie te geven op eisers verzoek van 1 december 2017. Verweerder had eisers bezwaar in het bestreden besluit gegrond moeten verklaren en de inhoudelijke reactie in de brief van 22 januari 2018 moeten herroepen. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, maar in plaats daarvan het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard, zal de rechtbank:

(i) het beroep van eiser gegrond verklaren;

(ii) het bestreden besluit vernietigen in verband met schending van de doorzendplicht;

(iii) het bezwaar alsnog gegrond verklaren; en

(iv) de inhoudelijke reactie in de brief van 22 januari 2018 van verweerder herroepen.

6. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, voorzitter, en mr. A.H. van Zutphen en mr. A.K. Mireku, leden, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FZ

D: B

VK

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Zie ook een uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722.