Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3280

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
NL19.744 (beroep) en NL19745 (vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; niet-ontvankelijk; minderjarige met secundaire bescherming in Duitsland; artikel 3 van het IVRK; alle belangen kenbaar meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.744 (beroep) en NL19.745 (voorlopige voorziening)

[persoonsnummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[de persoon 1] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).


Procesverloop
Met het besluit van 4 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening, die inhoudt dat zij niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn behandeld op de zitting van 5 februari 2019. Eiseres was op de zitting aanwezig, samen met haar gemachtigde. Verder waren aanwezig [de persoon 2] (broer van eiseres) en [de persoon 3] (de voogd van eiseres). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is van Syrische nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum] 2006.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres internationale bescherming geniet in Duitsland.

Standpunt van verweerder

3. Verweerder stelt dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit kan worden gegaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat dit in haar geval niet zo is. Uit het verlenen van subsidiaire bescherming blijkt volgens verweerder de intentie van Duitsland om eiseres te beschermen en dat zij bij dreigende of zich voordoende problemen de bescherming kan inroepen van de (hogere) autoriteiten van Duitsland. Uit het gegeven dat eiseres een verblijfstatus heeft in Duitsland volgt dat zij een dusdanige band met dat land heeft, dat het ook redelijk is dat zij naar Duitsland teruggaat. Verweerder is van oordeel dat hij de belangen van eiseres in voldoende mate heeft meegewogen en dat de minderjarigheid van eiseres geen beletsel vormt om naar Duitsland terug te keren. Zij heeft drie jaar in Duitsland gewoond, is daar naar school gegaan en spreekt de taal.

Standpunt eiseres

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Het standpunt van eiseres komt er in de kern op neer dat verweerder haar belangen niet voldoende kenbaar heeft meegewogen, althans dat verweerder daaraan te weinig gewicht heeft toegekend. Daarbij is volgens eiseres van groot belang dat zij in Duitsland bij twee broers woonde die haar niet de aandacht konden en wilden geven die zij nodig heeft. Zij woont nu bij haar broer in Amsterdam die haar die aandacht wel wil en kan geven. Als haar broer afwezig is, gaat zij naar een opvanggezin.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn1, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

6. Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

7. Op grond van artikel 3.106a, derde lid, van het Vb worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

Oordeel rechtbank

8. Met de beroepsgrond dat verweerder de belangen van eiseres niet voldoende dan wel niet voldoende kenbaar heeft meegewogen, heeft eiseres in feite een beroep gedaan op artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). In dit artikellid is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen die worden genomen door (onder andere) de bestuurlijke autoriteiten, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen.

9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2 volgt dat artikel 3 van het IVRK niet tot meer strekt dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet door de bestuursrechter in dit verband worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de Duitse autoriteiten eiseres internationale bescherming hebben verleend en dat eiseres minderjarig is.

11. De Afdeling heeft meermaals geoordeeld dat reeds omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft, wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb.3 De rechtbank onderschrijft dit uitgangspunt. Dit laat echter onverlet dat in het geval van eiseres ook voldaan moet zijn aan het bepaalde in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb, waarin is neergelegd dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken worden. De reden hiervoor is dat eiseres minderjarig is en dat haar belangen op grond van artikel 3 van het IVRK ten volle bij de beoordeling moeten worden betrokken en of eiseres een zodanige band heeft met Duitsland dat het voor haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. De rechtbank moet dus ten volle toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit kenbaar alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging meegewogen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

13. Eiseres stelt dat zij naar Nederland is gekomen omdat haar twee broers in Duitsland weinig tijd en aandacht voor haar hadden en dat daar geen instantie is zoals Nidos. Verweerder heeft deze stelling van eiseres in zijn beoordeling meegewogen. Verweerder heeft zich hierover niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de stelling dat eiseres in Duitsland werd verwaarloosd, niet nader is onderbouwd. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat van eiseres mag worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen, eventueel met behulp van haar broers, wendt tot de geëigende instanties in Duitsland. Niet gebleken is dat eiseres dit heeft gedaan terwijl er wel, zij het eenmalig, contact is geweest met het Jugendamt, een instantie zoals Nidos. Van eiseres mag worden verwacht dat zij haar gevoelens van ongenoegen bij haar broers kenbaar maakt. Dat dit, gelet op haar jonge leeftijd en loyaliteit jegens haar broers, niet van eiseres kan worden verwacht, volgt de rechtbank niet. Uit de zienswijze blijkt dat eiseres zich ook daadwerkelijk tot haar broers heeft gewend en dat zij haar hebben geholpen naar Nederland te reizen. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte geoordeeld dat uit de door eiseres gestelde situatie in Duitsland, dat haar broers weinig tijd en aandacht voor haar hebben, niet volgt dat sprake is van een situatie die zodanig slecht is, dat kan worden gesproken van een schending van artikel 3 EVRM4.

14. Eiseres stelt verder dat zij naar Nederland is gekomen, omdat zij in Duitsland geen gezinshereniging kon aanvragen om haar moeder te laten overkomen. Ook deze stelling heeft verweerder meegewogen. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De Gezinsherenigingsrichtlijn is ook in Duitsland van toepassing. Hieruit volgt dat gezinshereniging in Duitsland ook mogelijk is. Op de zitting heeft verweerder erkend dat er op dit punt mogelijk verschil bestaat tussen Nederland en Duitsland en dat gezinshereniging in Duitsland mogelijk moeilijker is. Gezinshereniging in Duitsland is echter niet uitgesloten. Dit standpunt van verweerder is niet door eiseres betwist.

15. Verweerder heeft verder rekening gehouden met de minderjarigheid van eiseres en met de omstandigheid dat haar oudste broer in Nederland woont. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afhankelijk is van haar broer in Nederland. Eiseres heeft immers voordat zij naar Nederland reisde om hier asiel aan te vragen, bijna drie jaar in Duitsland bij haar andere twee broers gewoond. Eiseres heeft in Duitsland subsidiaire bescherming gekregen, zij heeft in Duitsland huisvesting gekregen, is in Duitsland naar school geweest en heeft verklaard dat zij de Duitse taal beter beheerst dan het Arabisch of Nederlands. Verweerder heeft niet ten onrechte geoordeeld dat de verklaring van eiseres dat haar broer in Nederland beter voor haar zorgt dan haar andere twee broers, onvoldoende is om aannemelijk te achten dat eiseres afhankelijk is van haar broer in Nederland. Verweerder heeft bij dit oordeel niet ten onrechte betrokken dat eiseres op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat in de bijna drie jaar dat zij in Duisland woonde, sprake was van intensief contact tussen haar en haar broer in Nederland.

16. Verweerder heeft voorts ook de band van eiseres met Nederland in zijn beoordeling meegewogen. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte overwogen dat door het verblijf van eiseres in Nederland wellicht sprake is van enige mate van worteling in Nederland. Echter niet is gebleken dat eiseres een dusdanige binding heeft met Nederland, op grond waarvan niet van haar zou kunnen worden verwacht dat zij naar Duitsland gaat. Zij heeft daar immers, zoals hiervoor is overwogen, drie jaar gewoond.

17. Ten aanzien van het belang van eiseres op een zoveel mogelijk ongestoorde ontwikkeling, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat het heen en weer verhuizen van eiseres het gevolg is van de beslissing van de familie om haar naar Nederland te sturen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de familie van eiseres er ook van had kunnen kiezen om zich voor hulp te wenden tot de in Duitsland geëigende instanties.

18. Verweerder heeft tot slot ook het rapport van Nidos bij zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft in het rapport echter, niet ten onrechte, geen aanleiding gezien om anders te oordelen. De daarin aangehaalde omstandigheden zijn immers al door verweerder bij de beoordeling meegewogen.

19. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder op goede gronden de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat zij bescherming geniet in Duitsland.

20. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank in de zaak NL19.744 verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter in de zaak NL19.745 wijst het verzoek af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijk procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming.

2 Zie onder meer de uitspraak van 16 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9503.

3 Zie onder meer de uitspraken van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795, ECLI:NL:RVS:2018:1792 en ECLI:NL:RVS:2018:1794.

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.