Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3275

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar oordeel van de rechtbank is het beroepschrift te laat ingediend en is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De door eiser, in de beroepstermijn, verzonden e-mail is niet te beschouwen als een beroepschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-07-2019
FutD 2019-2040
NTFR 2019/2075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/6180

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2019 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 24 juli 2018 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2018 (de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [ADRES] (de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2017 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 797.000.

Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2018 (de aanslag).

2. Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag.

3. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de woning nader vastgesteld op € 789.000, alsmede de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld.

4. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

5. Een beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door de rechtbank is ontvangen. Als het beroepschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door de rechtbank is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. Als iemand een beroepschrift te laat indient, moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift betrokkene niet kan worden toegerekend. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.

7. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar was 24 juli 2018, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 4 september 2018.

8. Eiser heeft verklaard dat hij het beroepschrift op 5 september 2018 bij een postagentschap heeft aangeboden, waarna het beroepschrift door de rechtbank is ontvangen op 7 september 2018. Het beroepschrift is dus gelet op artikel 6:9, tweede lid van de Awb te laat ingediend.

9. Eiser heeft als reden voor de termijnoverschrijding gegeven dat hij niet eerder in beroep kon gaan omdat hij wachtte op antwoord van verweerder. Op 29 augustus 2018 heeft hij namelijk telefonisch contact gezocht met verweerder en diezelfde dag heeft hij stukken per e-mail naar verweerder verzonden. Op 3 september 2018 heeft eiser een e-mail van verweerder ontvangen, deze heeft hij op 4 september 2014 gelezen en op diezelfde dag heeft hij, na telefonisch contact met verweerder, besloten om in beroep te gaan.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Eiser heeft pas op 29 augustus 2018, nadat al vijf weken verstreken waren na de uitspraak op bezwaar, telefonisch en per e-mail contact gezocht met verweerder. Verweerder heeft vervolgens snel op de e-mail gereageerd. Gezien de rechtsmiddelenverwijzing op de uitspraak op bezwaar had eiser moeten weten dat de beroepstermijn op 4 september 2018 eindigde. Eiser heeft kennelijk nagelaten eerder contact op te nemen met verweerder, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen.

11. De e-mail van 29 augustus 2018 is verder niet te beschouwen als een stuk dat verweerder, op basis van de inhoud, had moeten beschouwen als een beroepsschrift en dus had moeten doorsturen naar de rechtbank. Ter zitting heeft eiser niet aangevoerd of anderszins aannemelijk gemaakt dat verweerder op basis van het op 29 augustus 2018 gevoerde telefoongesprek de e-mail aan de rechtbank had moeten doorsturen.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep te laat ingediend en is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Dit brengt met zich mee dat aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden niet wordt toegekomen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.