Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3209

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
18/7214 en 18/7215
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

aanvraag verblijfsdocument ogv art. 9 Vw. Daadwerkelijk verblijf in andere lidstaat voor periode van tenminste 3 maanden niet aangetoond.

art. 9 Vw en B10/2.2. Vc

Aan de hand van de overgelegde bewijsmiddelen heeft eiseres onvoldoende aangetoond dat zij met haar echtgenoot, die EU-onderdaan is, ten minste drie maanden in België heeft gewoond en daar een gezinsleven heeft opgebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/7214 en AWB 18/7215

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 26 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres/verzoekster] , eiseres/verzoekster, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde mr. B. Mor-Yazir)

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres/verzoekster (eiseres) tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), afgewezen.

Bij besluit van 30 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Eiseres, haar gemachtigde en de heer [A] , echtgenoot van eiseres (referent), zijn verschenen. De gemachtigde van verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. In verband met zijn werkzaamheden, heeft hij sinds 3 juli 2015 ingeschreven gestaan in Lier (België). Eiseres, die de Indiase nationaliteit heeft, is op 7 februari 2017 België ingereisd. Zij is op [trouwdatum] 2017 in Lier met referent getrouwd. Op 16 maart 2017 is zij ingeschreven in het vreemdelingenregister van Lier, op hetzelfde adres als referent. De Belgische autoriteiten hebben eiseres een verblijfsvergunning verstrekt met ingang van 5 september 2017. Referent heeft zich met ingang van 24 oktober 2017 laten inschrijven als bewoner van de gemeente Utrecht. Eiseres heeft zich op 10 november 2017 ook als zodanig laten inschrijven.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Kort samengevat stelt verweerder zich hiertoe op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, voorafgaand aan de terugkeer van referent naar Nederland, met hem in België voor ten minste drie maanden gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd. Om die reden komt eiseres in Nederland geen verblijfsrecht toe dat is afgeleid is van het verblijfsrecht van referent.

3. Eiseres betwist het standpunt van verweerder. Zij voert aan dat zij op [trouwdatum] 2017 met referent is getrouwd en dat zij zich op 16 maart 2017 bij hem heeft gevoegd. Sindsdien hebben zij onafgebroken een gezinsleven opgebouwd en bestendigd. Volgens eiseres blijkt haar permanente feitelijke verblijf bij referent uit het feit dat de Belgische autoriteiten haar op

5 september 2017 in het bezit hebben gesteld van een verblijfsdocument. Daarnaast heeft eiseres nog diverse andere bewijsstukken ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat haar verblijf bij referent in België ten minste drie maanden heeft geduurd.

4. Het wettelijke kader en het beleid van verweerder, voor zover hier relevant en zoals die golden ten tijde hier van belang, zijn opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.

5. De rechtbank toetst of verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsdocument terecht heeft afgewezen. Daartoe beziet de rechtbank of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij gedurende ten minste drie maanden aaneengesloten daadwerkelijk verblijf in België heeft gehad en dat zij in die welke periode met referent een gezinsleven heeft gehad. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

6. Eiseres heeft vluchtgegevens ingebracht, waaruit onder meer blijkt dat zij geboekt stond voor een retourvlucht van Brussel naar Delhi (India) op 20 april 2017. Volgens verweerder wekt dit het vermoeden dat zij na 20 april 2017 niet meer in België heeft verbleven. Ter zitting heeft eiseres haar originele paspoort getoond. De rechtbank is gebleken dat zich in dat paspoort slechts een uitreisstempel van de Indiase autoriteiten van 6 februari 2017 en een inreisstempel van de Belgische autoriteiten van 7 februari 2017 bevonden. Het paspoort geeft dus geen aanwijzing voor een uitreis van eiseres vanaf de luchthaven van Brussel op of rond

20 april 2017 of enige andere datum.

7. Dit gegeven op zich doet echter nog niet af aan het standpunt van verweerder dat eiseres geen bewijsstukken heeft ingebracht waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk ten minste drie maanden aaneengesloten in België heeft verbleven en dat zij daar een gezinsleven met referent heeft gehad. Met betrekking tot de getuigschriften van woonstede van de gemeente Lier, het verblijfsdocument van eiseres en de uitnodiging aan eiseres om deel te nemen aan een inburgeringscursus, heeft verweerder op goede gronden aangevoerd dat hieruit slechts blijkt van de administratieve aard van het verblijf van eiseres in België. Deze bewijsstukken geven onvoldoende basis om aan te nemen dat eiseres daadwerkelijk ten minste drie maanden onafgebroken verblijf heeft gehad in België en dat zij in die periode gezinsleven heeft gehad met referent. Ten aanzien van het ingebrachte huurcontract van een woning in Lier geldt dat de naam van eiseres daarop niet is vermeld. Ook dit document toont dus niet aan dat eiseres op dat bewuste adres daadwerkelijk met referent heeft gewoond. De overgelegde rekeningen en bankafschriften die betrekking hebben op woonlasten en andere uitgaven en de salarisstroken van referent tonen evenmin aan dat eiseres daadwerkelijk ten minste drie maanden in België heeft verbleven en met referent een gezinsleven heeft uitgeoefend. De overige bewijsstukken bieden evenmin concrete aanknopingspunten voor deze veronderstelling.

8. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder het ten onrechte niet nodig heeft gevonden om haar op haar bezwaarschrift te horen. Volgens eiseres had zij bij die gelegenheid haar persoonlijke situatie nader kunnen toelichten. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van eiseres op primair aan de hand van bewijsstukken aan te tonen dat zij gedurende ten minste drie maanden met referent in België een gezinsleven heeft uitgeoefend. Hierin was zij al niet geslaagd. Een mondelinge toelichting op haar persoonlijke situatie had hierin geen verandering kunnen brengen. Om die reden heeft verweerder ervan kunnen afzien om eiseres nader op haar bezwaarschrift te horen.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak, bestaat er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

26 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage:

Artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU):

“Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”

Artikel 7 van de Richtlijn 2004/39/EG:

“1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dat drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

a. a) indien hij in het gastland werknemer (…) is.

(…)

2. het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen (…).

(…)“

Artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw):

“(…)

gemeenschapsonderdanen:

1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2°. familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

(…)”

Artikel 8 van de Vw:

“De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

(…)

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (…).”

Artikel 9, eerste lid, van de Vw:

“Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, (…) die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 2°, een document (…) waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.”

Paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000:

“(…)

Voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat pas een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid:

• daadwerkelijk hebben verbleven in een andere lidstaat van de EU;

• gedurende de gehele periode van daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat hebben voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 1 of lid 2 van artikel 7 (…) van Richtlijn 2004/38; en

• tijdens het daadwerkelijke verblijf in de andere lidstaat een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.

De IND neemt alleen aan dat het gezinsleven is opgebouwd of bestendigd bij een daadwerkelijk, aaneengesloten verblijf in de andere lidstaat van ten minste drie maanden.

(…)”